‘Verliefd op Jezus’

De grootste nog levende theoloog en meest Vaticaan-kritische denker wordt volgende maand vijfentachtig. Tegen de ‘ketter’ loopt al jaren een proces. De twintigste eeuw van Edward Schillebeeckx.

‘EDWARD!’ galmt een oude pater richting keuken. Geen Edward. 'Zojuist stond-ie nog af te wassen.’ Maar de befaamde theoloog Edward Schillebeeckx, tegen wie het Vaticaan al meer dan twintig jaar een proces heeft lopen wegens ketterij, is al klaar met de etensbordjes. Schillebeeckx (84) komt vrolijk aangelopen. De paters dominicanen hebben drie jaar geleden het Albertinum, hun imposante kloostercomplex in Nijmegen, moeten verkopen en Schillebeeckx woont met acht medebroeders in een kleiner huis in de bossen van Berg en Dal. En vindt het heerlijk. 'De vriendschappelijkheid naar elkaar, de lieflijkheid zelfs is gegroeid. In het Albertinum was je, toen ik er in 1958 aankwam, met 130 man. Je moest zwijgen; het was heel de dag stil. In de gangen liep je elkaar voorbij, na twee jaar wist je nog niet wie wie was. Je had oog voor elkaar en toch bleven het vreemdelingen. Ik was altijd met mijn boeken bezig, met schrijven, en dacht: dit is mijn kloosterleven. Uiteindelijk waren we met 34 man over en met negen zijn we naar hier gegaan. En goed, ze passen nog niet allemaal bij elkaar, maar toch is het een gezin geworden. We doen veel meer voor elkaar dan we vroeger ooit gedaan hebben. Echte vriendschap, zoals die nu bij ons groeit, is ongelooflijk! Ik maak het voor het eerst mee, sinds drie jaar, en nu zie ik: dit heb ik gemist.’

Hij lacht, wat verlegen. Alleen naar de bibliotheek van het Albertinum met zijn één miljoen boeken verlangt hij terug. Verder mist hij niets van vroeger. Niet het witte predikherenhabijt, niet de rigide discipline van ritus en dogma van voor het Tweede Vaticaans Concilie, niet de kardinaalshoed die hij, door velen beschouwd als de grootste nog levende theoloog, nooit kreeg. Een studeerkamer met tientallen meters boeken. Een snelle computer. Een fles goede witte wijn. Feestfolders op tafel van een groots symposium volgende maand op de Nijmeegse universiteit ter ere van zijn vijfentachtigste verjaardag. Waarbij, zo hoopt men, anders dan vijf jaar eerder, kardinaal Simonis níet de zaal uit zal lopen als Schillebeeckx het woord krijgt. Schillebeeckx grinnikt, geamuseerd. Quod novum?

'Ik was het zesde van veertien kinderen in een katholiek, maar ook zeer zeker antiklerikaal gezin in het Vlaamse dorp Kortenberg, tussen Leuven en Brussel. Vader was voorzitter van de Vincentiusvereniging, de charitatieve organisatie. Kortenberg was zeer katholiek, op een kleine socialistische wijk na. Dáár woonden de armste mensen en dus bracht vader het geld vooral naar die rooie wijk. Vader kreeg dus zijn ontslag en daardoor hebben wij jarenlang geen pastoor meer in huis gehad.’ Het maakte diepe indruk. 'Bij vader straalde het religieuze door in alles wat hij deed. Hij heeft als opvoeder nooit de nadruk gelegd op plicht. Ik ben niet opgegroeid met geboden en verboden. Ze hielden ons goed in de gaten, dat wel, maar de jongens en meisjes moesten elkaar maar opvoeden. We mochten zelf kiezen wat we wilden. In die tijd was dat heel uitzonderlijk. Het was: je moet het doen omdat jij denkt dat het het beste is. Dat heb ik ingeademd.’

Met andere kinderen van notabele huize struinde hij hele dagen door de uitlopers van het Zoniënwoud. 'Op een gegeven moment kende ik 34 vogeltjes.’ En hij was gelukkig. 'Een echt jongensleven.’ Een religieus jongetje; God was 'dat andere’, het mysterieuze. Hij werd misdienaar. 'Wat God was? We baden voor en na het eten; daar ging toch een zekere eerbied van uit. Een sacrale sfeer. Het was iets anders; het religieuze. In de mis het liturgisch contact met God; daar bij mogen zijn. Ik wilde als achtjarig jongetje in elk geval priester worden, dat was al voorgegeven. Maar ik wist niet waar.’

NIET BIJ DE jezuïeten in Turnhout, waar Schillebeeckx op elfjarige leeftijd op internaat zal gaan. De mond vertrekt, de pijn is na zeventig jaar nog voelbaar. 'Plicht, plicht, plicht! Nooit spraken ze daar eens over vriendschap of liefde!’ Opnieuw die pijn. Hij zucht. Een gevangen jongetje in een klein alkoofje met een gordijntje ervoor. 'Opgesloten. Ik miste mijn familie. Ik zat daar met vier broertjes en we mochten elkaar niet spreken! Zo was dat bij de jezuïeten; dat was discipline. Voor verliefdheid was geen plaats. Je had het Heilig Graf, het grote college voor dames in Turnhout.
Soms kwamen de meisjes ons op onze wandelingen vanaf de andere kant tegemoet; werden we door de surveillant een straatje in gedreven zodat we nooit… Ongelooflijk!’ Verwondering. In Kortenberg had hij ooit een 'impliciet vriendinnetje’. 'Naar binnen gekeerd. Een boerinnetje. Ik moest vaak melk gaan halen bij haar thuis, met een grote kan. Het was een meisje van mijn leeftijd, elf, twaalf jaar. Ik zag dat bij haar ook. We hebben nooit iets tegen elkaar gezegd. Toen ik naar het jezuïetencollege ging heb ik dat beeld verdrongen, maar het is altijd in mijn achterhoofd blijven zitten. Telkens als ik in Kortenberg kwam dacht ik er toch aan. Ik ben dus zeker verliefd geweest.’ Hij glimlacht verlegen: 'Ik weet niet waarmee ik het moet vergelijken.’

Hij leest 'alle kuise jongens die als voorbeeld moesten dienen’, de jonge jezuïetenheiligen Stanislaus Kostka, Jan Berchmans, Aloysius van Gonzaga, 'maar het sprak me allemaal niet aan’. Seksualiteit is taboe. 'Masturbatie heb ik als zonde beleefd, dat werd je ingeprent. Ik heb het overwonnen door een boek van een Nederlander die schreef dat je het sportief moest zien. Er geen doodzonde in zien, maar ook: sterk zijn, erboven staan, er niet aan toegeven. Dat boek heeft mij enorm geholpen. Toen was het voor mij een afgesloten periode. De kerk heeft angst voor seksualiteit. Veel godsdiensten hebben dat, en ik kan dat tot op zekere hoogte begrijpen. Seksualiteit is iets ambivalents, het is een kracht ten goede en een kracht ten kwade. Ik heb altijd gevochten voor een vrije keuze van het priestercelibaat. Het celibaat past zeer wel bij sommige mensen, terwijl je anderen ziet die helemaal verkrampt leven. Ikzelf ben van nature een open karakter, kan met iedereen goed omgaan en heb veel vrienden en vriendinnen. Ik heb geen sterk ego, ben een gemeenschapsmens. Ik had nooit het celibaat kunnen beleven als ik alleen zou wonen. Veel priesters die eenzaam wonen hebben het veel zwaarder dan wij religieuzen.’ Hij oogt ineens erg jong.

Als twintigjarige kiest hij voor de dominicanen. Vanwege de vrijheid. 'Dominicus was voor mij een eye opener. Hij heeft niks geschreven. Hij wilde geen constituties en gaf slechts enkele vuistregels. Dominicus geloofde in de autonomie van de menselijke cultuur. Politiek en al die dingen zijn volgens hem autonoom.’

Daar denkt het Vaticaan anders over. In 1941, het jaar van Schillebeeckx’ priesterwijding, wordt zijn professor filosofie De Petter door Rome afgezet en wordt een boek van zijn Franse medebroeder en leermeester Chenu op de Index geplaatst. Na de oorlog studeert Schillebeeckx in Parijs bij Chenu, die hem in contact brengt met de priester-arbeiders. Parijs boomt van engagement en de dominicanen staan op de eerste rij. In 1958 verplicht de magister van de dominicanenorde Schillebeeckx een professoraat aan de Nijmeegse universiteit te accepteren. Tegen zijn zin. 'De theologische faculteit van Nijmegen was toen niet zoveel, ze was amper bekend in Leuven waar ik toen doceerde en ten opzichte van Leuven heel wat conservatiever. Maar in de menswetenschappen, de psychologie, de antropologie, was Nederland ver vooruit. Het is mijn geluk geworden.’

Want in enkele jaren slaat het om. In Rome roept Johannes XXIII het Tweede Vaticaans Concilie bijeen om de kerk bij de tijd te brengen. Aggiornamento. Schillebeeckx wordt peritus, theologisch adviseur van het Nederlandse episcopaat, en schrijft een revolutionaire verhandeling over de bisschoppelijke collegialiteit. Hij stelt dat de curie ondergeschikt moet worden gemaakt aan het wereldepiscopaat. De Bossche bisschop Bekkers laat Schillebeeckx’ pleidooi direct vertalen in het Engels, Frans en Latijn en drukken in een oplage van 2500; voor iedere concilievader één.

'Bekkers en een ouwe kapucijn hebben in een auto heel Rome rondgereden, langs alle huizen waar bisschoppen logeerden. Het was het eerste document van het concilie.’ Het traktaat doet veel stof opwaaien. De Duitse en Indonesische bisschoppen volgen Schillebeeckx en roepen in emotionele pleidooien om meer democratie, bisschoppelijke collegialiteit en afschaffing van de macht van de curie. Niet de paus alleen, maar de paus samen met de bisschoppen zou moeten beslissen. Tweeduizend bisschoppen, de overgrote meerderheid, staan achter de vernieuwing.

SINDSDIEN IS HET MIS. Schillebeeckx houdt een verhandeling over de transsubstantiatie, de gedaanteverandering van brood en wijn in het Lichaam en Bloed van Christus 'en achter de gordijnen luisteren er curiekardinalen mee’. Anders dan veel katholieken geneigd zijn te denken, betoogt Schillebeeckx voor driehonderd Braziliaanse bisschoppen, is Christus niet fysiek in de hostie aanwezig. Geen hocus-pocus tegen de wetten van de fysica in. 'De zin en betekenis van het brood wordt substantieel veranderd, niet de broodsubstantie als fysieke werkelijkheid. Als historicus en theoloog moet ik zeggen dat de transsubstantiatie geen dogma is. Het zestiende-eeuwse concilie van Trente zegt uitdrukkelijk: “Het is een manier de zaken zo te verklaren.” Men kende heel de fenomenologie van de symboliek nog niet.’

De geconsacreerde hostie is niet feitelijk het lichaam van Christus?
'De hostie zeker niet. Het is een symbool, een teken van de aanwezigheid van Christus. Ook dat is een reële tegenwoordigheid. De protestanten zeggen hetzelfde: Christus is reëel tegenwoordig in de categorie van het teken. Het is een symbool, zoals er in alle godsdiensten symboliek bestaat. Een symbool is niet minder dan concepten, dan conceptuele kennis; het is veel méér. In de fysieke zin is er niks veranderd, want brood blijft brood. Maar het aansteken van een kaars of het dopen van een kind is iets totaal anders dan vuur maken of een kinderhoofdje wassen. Het symboliseert een diepere werkelijkheid.’

De ultraconservatieven onder zijn gehoor spoeden zich naar Paulus(VI, die Schillebeeckx op het einde van het concilie ontvangt in een uitzonderlijke privé-audiëntie. De paus - geen slecht theoloog - heeft diep nagedacht. 'Hij was zo blij, zei hij, dat wat ik had verteld niet in strijd was met de Leer. “Enfin, le père Schillebeeckx est devenu un des nôtres.” Ik zal die zin heel mijn leven niet vergeten. Pater Schillebeeckx is een van ons geworden. “Dat is evident, ik ben toch katholiek”, wist ik nog uit te brengen.’

'DE PAUS ZEGT DÍT, de paus zegt dát. Maar in de tiende eeuw heeft de paus iets heel anders gezegd. Zelfs een dogma is niet voor de eeuwigheid. Er komt daarin waarheid ter sprake, maar altijd op historisch-conditionele wijze. Je moet dus telkens in een nieuwe cultuur nieuwe woorden en begrippen vinden. Bij tijd en wijle vond ook Rome dat, maar onder het huidige pontificaat is heel die hermeneutiek verdwenen. Als je zegt, zoals de officiële geloofsleer: Jezus is één persoon, maar met een menselijke natuur en met een goddelijke natuur, dan is hij, als je dat in moderne termen vertaalt, een soort zeemeermin. Om precies hetzelfde te bedoelen als de vroege christenen gezegd hebben in de filosofische taal van de vierde, vijfde eeuw, zou je moeten zeggen dat er een spanning is tussen het feit dat Jezus écht een mens is, een menselijke persoon, alswel een unieke relatie heeft tot God. Die twee moet je altijd bij elkaar houden, anders wordt wat het geloof eigenlijk bedoelde vertekend.’

Is Jezus de Zoon van God?
'Er is geen enkele tekst waarin Jezus uitdrukkelijk zegt dat hij de Zoon van God is. Hij zegt: “Wat zeggen jullie wie ik ben?” De anderen moeten zeggen wie hij is, zo is dat in elk menselijk leven. De term “Zoon van God” is in de kerk ontstaan, door wat ze beleefd hebben met deze Jezus. In het joodse familieleven geldt als definitie van een zoon: hij die de wil van de vader doet.’
Zou het dan zo zijn dat Jezus van Nazareth een uit stof bestaande menselijke vader heeft gehad?
'Daar heb ik geen enkel bezwaar tegen.’

Maar wat denkt u?
'Ik denk dat dat zo is. Jozef, is hij niet de vader? “Kennen wij niet zijn vader?” zegt het evangelie. De rest zijn thematiseringen van na de verrijzenis. Dat die Jezus bij God leeft. Dat ze zich niet vergist hebben. Toen hebben ze in eerste instantie gezegd: hij is bij de verrijzenis door God verheven tot zijn geliefde Zoon. Na tien, twintig jaar krijg je de eerste schriftelijke traditie, het Marcus-evangelie dat zegt: hij is tot Zoon aangesteld bij zijn doop in de Jordaan. En dan, nog later, komt Mattheüs en zegt: hij is de Zoon van God vanaf zijn ontvangenis in de schoot van Maria. Bij die Grieks-sprekende joodse christenen betekent dat: als hij werkelijk de Zoon van God is, dan is dat een maagdelijke geboorte. Dat is een hellenistisch begrip. In hun tijd hebben de eerste apostelen zich niet anders kunnen uitdrukken dan ze deden. Het is dus een legitieme, maar niet noodzakelijke evolutie.’

Zó duidelijk heeft hij het nimmer tevoren uitgesproken. Maar deze gedachten hebben de theoloog vier processen in Rome opgeleverd. Of 'procedures’, zoals Rome het pleegt te noemen. Processen waarin nu, meer dan twintig jaar verder, nog steeds geen oordeel is geveld. Processen die dus nog altijd voortduren. Geheime processen ook, te gek voor woorden. Maar Schillebeeckx gaat naar Rome om zich te verdedigen. 'Waarom niet, als ze mij vragen. Het zijn mijn bazen.’
Het zal nog absurder worden: 'Taalproblemen. Op zeker moment zegt een inquisiteur: “Je hebt Jezus toch afgezworen?” Ik zeg: “Wat zeg je nu?!” Ik had geschreven “Ik ben weg van Jezus. Erop verliefd.”

Dus bent u uiteindelijk vrijgesproken?
'Nee. Geen antwoord gehad. Ik heb geen enkele eindbeslissing gekregen. Het is gewoon blijven hangen. Dat wil zeggen, je blijft in het zwarte boekje staan.’

HIJ ZEGT NOG veel meer. Over de 'vriendelijke’, informele gesprekjes zonder verslag of protocol waarop Rome tegenwoordig dissidente theologen onthaalt en ze alle mogelijkheid tot juridisch-beschermde verdediging ontneemt. Over deze paus die vorig jaar 'definitief’ de priesterwijding van vrouwen heeft uitgesloten. En eigenhandig het kerkelijk wetboek wijzigt. Over Simonis, die aspirant-theologen tegenwoordig zelf een examentje afneemt. Over de lafheid van bisschoppen niet hardop te zeggen wat ze eigenlijk denken.
Dus schrijft hij weer een boek. Over de sacramenten. 'Ik ben mijn oude gedachten over schepping en verlossing voortdurend aan het herdenken. Opeens zie ik allerlei nieuwe dingen. Het is de fantasie die de relaties legt, wetenschappelijke disciplines verbindt. Het geeft mij zin in het leven.’
Hij heeft een 'vrij non-actieve kanker’. 'Ik weet dat ik een van de volgende jaren zal sterven, maar daar ben ik niet mee bezig. Het kan spoedig zijn. Ik voel het aan kleine kwaaltjes. Ik ben niet bang voor de dood, maar wel huiverig voor aftakeling. Dat je in een rolstoeltje moet zitten en gevoed moet worden, ik hoop dat ze mij dat besparen.’ Over het hiernamaals heeft hij geen gedachten. 'In het noviciaat hielden ze je voortdurend memento mori voor, gedenk te sterven. Ik heb er al genoeg over gedacht. Zolang ik leef, leef ik hier.’