Requiemcomponist verliest van het leven

Verliezen van het leven

Niets is niet wanhopig aan het Requiem für einen jungen Dichter van Bernd Alois Zimmermann (1918-1970). Dodelijk, ook voor de luiste raar: de kunst als analyse van de toestand in de wereld. Vooral als buiten de zon schijnt en het leven lokt.

Polyfonie is ook al niet meer wat het was. In 1900 bezoekt Gustav Mahler met vrienden een kermis. Het is er een kakofonische teringherrie van schiettenten, carrousels, een koor en militaire kapellen. Mahler zegt iets opmerkelijks: «Hört ihr’s? Das ist Polyphonie, und da hab’ ich sie her! (…) Gerade so, von ganz verschiedenen Seiten her, müssen die Themen kommen und so völlig unterschieden sein in Rhythmik und Melodik (alles andere ist bloss verkappte Homophonie): nur dass sie der Künstler zu einem zusammen stimmenden und -klingenden Ganzen ordnet und vereint.» In de Verenigde Staten doet de aanstaande componist Charles Ives een vergelijkbare ervaring op wanneer zijn gekke vader twee bands twee mopjes tegelijk laat spelen in een park. Twee werelden, één klinkende ervaring van moderne, twintigste-eeuwse hectiek.
De getuigenis van Mahler en het experiment van vader Ives zijn de vroegste symptomen van een kunst die de studeerkamer verlaat om het vizier te richten op de buitenwereld. Niet toevallig gebeurt het op het breukvlak van negentiende en twintigste eeuw. De wereld verstedelijkt; fabrieken stampen en fluiten, treinen en auto’s vestigen hun wereldheerschappij. Ze doen het luider dan voorheen de vogels floten en de beken ruisten. Een romantische natuur wordt in het hart getroffen door de mechanisering van het wereldbeeld. Het openbare leven wordt luidruchtiger en agressiever, onontkoombaarder.
En dus krijgt een voorheen uitsluitend muzikaal begrip als «polyfoon» een andere betekenis. Wat zich ooit liet definiëren als contrapuntisch vlechtwerk van vocaal-instrumentale stemmen, ontwikkelt zich bij street wise componisten onder invloed van de industriële samenleving tot een collage van muziek en straatrumoer, verslag van de wereld zoals hij is. In de sleutelwerken van Mahler en Ives wordt die gewaarwording onmiddellijk verzilverd. De muziek van de straat bestormt met marsen, hymnen, folksongs, wals en Gassenhauer de Bastille van de chique symfonie. De beheersbaarheid van die veelvuldigheid wordt een compositorische factor in muziek die de kloof tussen binnen- en buitenwereld, tussen hoge en lage kunst overbrugt met een klassenloze nieuwsgierigheid.
Het is winst in die zin dat een kunst die de maatschappelijke realiteit als onderzoeks domein verkiest aan ideële actualiteit zal winnen – een comfortabele sensatie voor een componist die tot de luisteraar wil spreken in zijn eigen taal, over zijn eigen leven. Bij Mendelssohn, bij Brahms, Schumann of Bruckner hoort die luisteraar een ongeschonden maar antiek geworden wereld. Tot zulke voorgangers verhouden Ives en Mahler zich als zondagsdichters tot gewiekste essayisten. Hun kunst is naast kunst ook verslaggeving geworden, beschrijving van een tijdgeest en zijn klanken.

In het mediatijdperk krijgt de componist er nog een opdracht bij. Het is niet alleen het heden dat zich aan hem opdringt; dankzij de media leeft hij in zeven tijden tegelijk. Op de klassieke zenders klinken Bach en Mozart, op Radio 1 het schijnrumoer van ons maatschappelijk debat. De tv vertoont historische televisiebeelden van Hitler; bij de plaatselijke boekhandel staat Augustinus in de schappen. Ook die ervaring moet verklankt, zolang muziek ook over mensen en hun wereld gaat. Het zal alleen niet zonder slag of stoot gaan. De mens is losgezongen van zijn plaats in de geschiedenis; hij is nu overal en nergens. En waar hij ook is, hij zal alleen maar rampspoed vinden.
Die overtuiging is het thema van het Requiem für einen jungen Dichter van Bernd Alois Zimmermann (1918-1970), dat in 1969 in Keulen ten doop werd gehouden. Zimmermann gaf de alomtegenwoordigheid van alle tijden in zijn werk een naam: de Kugelgestalt der Zeit. Hij stelde zich zijn luisteraars voor «im Zentrum einer Kugel», omringd door de tijd. Die tijd is «ein Kontinuum», en wat de luisteraar hoort «ist von seinem Blickwinkel abhängig».
De buitenwereld wordt zijn thema in een verruimd historisch perspectief dat van de oude Grieken tot het seriële tijdperk reikt. Je zou kunnen zeggen dat het Requiem begint waar Mahler en Ives zijn opgehouden; waar beide schoenmakers zich in verruimde zin nog bij hun leest houden, overschrijdt Zimmermann bewust de grenzen van het muzikale door een «Lingual» of «taalstuk» te ontwerpen met geen geringere ambitie dan de drang het complete verhaal van zijn tijd in een klank spiegel te vangen; de oorlogen, de revoluties, de politiek, de wetenschap, de kunst en het geloof. Onder druk van de tijd wordt Zimmermanns polyfonie tot een collageachtige synthese van de stand der dingen; meer reportage, hoorspel, klankcollage dan muziek.
Het stuk rust voornamelijk op deels live voorgedragen, deels op band vastgelegde tekstfragmenten die door Zimmermann zijn verwerkt tot een taalpartituur waarin de woorden als de noten in een echt muziekstuk zijn gestapeld en gefragmenteerd. Tot de bouwstenen behoren fragmenten uit Canto LXXIX van Ezra Pound en Wittgensteins Philosophische Untersuchungen, episoden uit toespraken van Alexander Dubcek, paus Johannes XXIII, Neville Chamberlain, Joseph Goebbels en de onvermijdelijke Adolf Hitler, de monoloog van Molly Bloom uit Ulysses van James Joyce, citaten uit De Perzen van Aischylos en, niet onbelangrijk, citaten van dichters die net als Zimmermann door zelfmoord om het leven kwamen: Konrad Bayer, Sergei Jessenin, Wladimir Majakowski.
Het tekstmateriaal voor dit kolossale werk is een opeenhoping van menselijke treurigheid, een Polygoonjournaal op wereldschaal. Intussen klinken in een ondoordringbaar klankenweb – van Hitchcock-orgels, elektronische geluiden, extatische koren, requiemflarden en solopartijen met hoog pieppiepknor-gehalte – citaten uit Wagners Tristan und Isolde (uiteraard Isoldes Liebestod), Beethovens Negende symfonie, Hey Jude van The Beatles, Messiaens l’Ascension, Milhauds Création du monde en Zimmermanns Sinfonie in einem Satz.

Is het mooi? Het is verschrikkelijk. Als product van de moed der wanhoop is dit Requiem indrukwekkend, als muzikale ervaring wordt het snel ondraaglijk.
Het curriculum van Bernd Alois Zimmermann is het imponerende maar deprimerende verslag van een artistieke houding die de muze offert aan de grote vragen. Hij is een meesterlijke componist, wiens vroege orkestwerken een bijna Frans kleurgevoel en een grote beheersing van het ambacht openbaren. Die diep kan ontroeren, zoals in zijn hartverscheurende trompetconcert Nobody Knows de Trouble I See uit 1954. Maar die vervolgens alle filo sofische sluizen openzet en al zijn gaven laat verdwijnen in het zwarte gat van een levensbeschouwing, tot hij met zijn zelfgekozen dood op 10 augustus 1970 zelfs daarmee korte metten maakt.
De componist had met zijn titel niet een specifieke dichter in gedachten, al staan zijn drie zelfmoordenaars er niet voor niets. Het gaat Zimmermann meer om «den jungen Dichter schlechthin, wie wir ihn uns für den Zeitraum der vergangenen fünfzig Jahre vorstellen können, in seinen vielfältigen Beziehungen zu dem, was seine geistige, kulturelle und sprachliche Situation bestimmt – und damit die unsrige, die utopische von 1920-1970 meint.» Het stuk klinkt als een oproep aan de kunstenaar per se de confrontatie met zijn tijd niet uit de weg te gaan, maar ook als analyse van de risico’s die met die uitdaging verbonden zijn. Hij kan verpletterd worden door de echo’s van zijn zwartste dromen. Ja, de wereld is slecht. Ja, er is oorlog. Nee, er is geen rechtvaardigheid. Het is allemaal waar, maar het is de dood in de pot. En daarom heet dit werk, terwijl het dat in enge zin niet helemaal of niet meer is, een requiem. Dat wordt het namelijk. Niet voor een jonge dichter, voor de maker. Aan de vooravond van zijn zelfgekozen dood legt een depressieve componist nog even uit hoe hij bezwijkt aan de gevolgen van zijn wereldbeeld.

Deze week beleeft het werk een van zijn zeer sporadische uitvoeringen. Tijdens de Haarlemse Koorbiënnale treden de vereende krachten van Holland Symfonia, Tsjechisch Filharmonisch Koor, Slowaaks Filharmonisch Koor, Europa Chor Akademie en vele anderen onder leiding van Bernhard Kontarsky aan voor een stuk dat met zijn bizarre bezetting van drie koren en orkest, jazzband en hammondorgel, vocale solisten, sprekers en geluidsbanden naar goed Germaans gebruik alle grenzen overschrijdt. Wie het vooroordeel mocht koesteren dat met de Duitsers niet te lachen valt, kan beter thuisblijven; hij zou er een levenslange vooringenomenheid aan overhouden.
Wat horen we?
Een nihilistische, meer dan een uur durende taal- en muziektsunami in acht episoden. Proloog, Requiem 1, Requiem 2, Ricercar, Rapprezentazione, Elegia, Tratto, Lamento en tot slot, bijna gewoon, een doodziek en vertwijfeld Dona Nobis Pacem. In de proloog klinkt een naar sciencefiction smakende oersoep van broeierige, pruttelende lage tonen, enigszins vergelijkbaar met het voorspel tot Wagners Rheingold, maar zonder de muzikale groeistuipen die Wagners statische Es-groot in een proces van toenemende beweeglijkheid met de haren uit de modder trekken. Dit is wat je in gedachten hoort als je geen licht meer ziet, totale duisternis. En zo zal het blijven. Met dien verstande dat de klinkende muziek zich terugtrekt om het woord muziek te laten worden. Wat niet lukt, omdat je voor muziek moet kunnen hopen.
Dit is geen stuk. Dit is een wanhoopsdaad, vermomd als compositie. Zelfs van de ordinairste operette begrijp je beter waarom hij is gemaakt. Die wil iets menselijks: vermaken. Dit wil alleen maar dood, zo dood dat je er zelf dood bij zou neervallen. Maar intrigerend blijft dat een vernielde geest de moed vond dit te schrijven. Bizar dat iemand écht zo ver ging. En daarom heeft het zin naar hem te luisteren zoals je anders boeken leest: op zoek naar een verklaring.
Wat schrijft Zimmermann in een brief aan dirigent Michael Gielen? Dat zijn Requiem moet worden uitgevoerd, dat het een zaak van leven en dood is. «In grösster Not! – Es gibt Aufführungen, die stattfinden müssen, selbst unter schwersten Bedingungen, weil der Zeitpunkt der Aufführung von elementarer Bedeutung für die geistige Existenz des Komponisten ist. Das ist hier der Fall. (…)» Iets later, tussen haakjes: («ich schreibe das nicht deshalb, weil ich in einer Verfassung bin, wie ich es nie in solchem Ausmass war, sondern weil einfach ALLES davon abhängt – und das ist ein objektiver Tatbestand»).
Onbegrijpelijk.
Buiten is het, op de plaats waar dit geschreven wordt, inmiddels meer dan dertig graden. De boze buitenwereld lokt. Hoe erg de wereld ook mag zijn, iets van illusie moet blijven. Zoals de trieste Zimmermann wel moest verliezen van het leven, verliest zijn Requiem het van de zon. Eén lichtpunt, dat nog wel: na afloop snak je naar het tranendal dat leven heet.

www.koorbiennale.nl