Verliezen went

GASIMESTRAN, Kosovo - Drie saluutschoten uit 25 kalasjnikovs. De heren verblikken of verblozen niet, de dames knipperen even met de ogen. Het kindje op vaders arm is nog niet zo gewend aan geweervuur en begint onbedaarlijk te huilen. Een Servisch-orthodoxe monnik met een lange zwarte vlasbaard helpt troosten, maar het geblèr houdt nog minutenlang aan.

Het is 29 juni, Vidovdan. Een dag in rood op de Servische kalenders. Vidovdan is niet alleen een religieuze maar ook een nationalistische feestdag. In 1389 vond bij Gasimestran een veldslag plaats tussen het Ottomaanse leger en een christelijke coalitie. De Serviërs herdenken deze Slag op het Merelveld als het moment waarop ze de oprukkende Turken tot staan brachten. Weliswaar werden de Servische troepen tijdens de gevechten gedecimeerd en sneuvelde prins Lazar - de Serviërs verloren de slag in feite -, maar de dood van de Turkse sultan op het slagveld maakte veel goed.
Dat de Serviërs in 1389 niet als overwinnaars uit de bus kwamen, wordt niet eens verzwegen. Het gaat om het unificerende, nationalistische principe. De Serviërs stáán ergens voor. Een passender nationaal-cultureel ijkpunt had Servië zich niet kunnen kiezen. Het Merelveld leverde louter martelaren op. Servisch bloed werd vergoten zonder blijvend territoriaal of politiek voordeel. In die zin lijkt de manier waarop de Serviërs zich sinds jaar en dag de slag herinneren haast een lugubere vooruitwijzing naar de verloren oorlogen in Kroatië, Bosnië en de recente gevechten in Kosovo.
Al is het 609 jaar geleden, het beeld van Kosovo als strijdperk van christenen tegen islamieten is allerminst achterhaald. Tussen de drie- en vierhonderd voornamelijk islamitische Albanezen en enkele tientallen christelijke Serviërs zijn vanaf maart omgekomen in de strijd tussen het Kosovo Bevrijdingsleger (UÇK) en de speciale politietroepen van de Joegoslavische president Milosevic. Ondanks Navo-dreigementen lijkt die strijd nog lang niet gestreden. In plaats van zijn troepen terug te trekken, stuurde Milosevic, gesteund door Rusland, versterkingen naar Kosovo. Kennelijk zijn zijn politiereserves zo'n beetje op, want steeds vaker verschijnen verse legereenheden ten tonele. Ook het UÇK trekt zich weinig aan van de Navo-luchtmacht. De guerrilla’s vechten voor bevrijding van het ‘Servische juk’. Ze hebben plechtig beloofd vanuit de bergen te blijven toeslaan zolang leger en politie worden ingezet tegen Albanese dorpelingen. En als er wordt gebombardeerd door de Navo, dan zullen vooral Servische posities het doelwit zijn. Holbrooke heeft ze dat afgelopen week nog eens toegezegd. En hij heeft het UÇK en passant internationaal erkend door op bezoek te gaan bij een aantal commandanten te velde. Hun neuzen glommen van trots, terwijl de Serviërs Holbrookes actie als een zoveelste klap in het gezicht beschouwden.
NIET MEER DAN tweehonderd Serviërs heben zich bij het nationale monument in Gasimestran verzameld. Het bestaat uit een enorme stenen toren die zich verheft boven het glooiende landschap, gebouwd op een uit bruinig marmer opgetrokken plateau. De toren wordt omringd door vier kleine torentjes, getooid met nep-middeleeuwse zwaarden en schilden en beslagen met bronzen cijfers: 1389-1989.
Al twee dagen lang lopen mevrouw Gjucic en mevrouw Janovic de festiviteiten rond Vidovdan af. Omwille van de traditie, zeggen ze, niet uit nationalistische overwegingen. Haren voorzien van een verse blonde spoeling en extra mooi gekapt, handtasjes parmantig om de schouder. Ze vinden het niet vreemd dat maar zo weinig Serviërs deelnemen aan de viering in Gasimestran. Janovic: 'Er wordt elke dag geschoten, dus dan blijf je maar liever thuis. Zie je die kolenmijn daar? Die is vorige week bezet door de terroristen. Ze zitten op nog geen kilometer afstand.’ Mevrouw Gjucic vindt het wel jammer dat de Serviërs niet massaal zijn uitgelopen: 'Dit zijn moeilijke tijden. We hebben elkaar nodig. Vidovdan is een van de belangrijkste feestdagen die we hebben. Zo'n dag moet je aangrijpen om elkaar en de buitenwereld te laten zien dat we er nog zijn.’
In 1989 was dat heel anders. Toen, tijdens de zeshonderdste verjaardag van de slag, stonden mevrouw Jankovic en mevrouw Gjucic hier ook, met een miljoen andere Serviërs. Milosevic was twee jaar eerder aan de macht gekomen met de toezegging dat hij de autonome status van Kosovo zou terugdraaien en het gebied weer hecht zou binden aan Servië.
Veel Serviërs klonk dat als muziek in de oren. In de Servische overlevering, en volgens veel Servische historici, is Kosovo-Metohija de bakermat van de Servische cultuur. Niet alleen werden de Turken er bevochten, ook zijn de oudste orthodoxe kloosters hier te vinden. In de stad Pec zetelde vanaf 1346 het Servisch-orthodoxe patriarchaat. De nationale geschiedschrijving vermeldt echter zelden dat ook toen al Albanezen in het gebied leefden, dat de orthodoxe kerk bloeide onder de Turken (het patriarchaat werd in 1557 zelfs door hen erkend), dat de rijkste kloosterschilderingen tot stand kwamen onder Ottomaanse heerschappij (vanaf de vijftiende eeuw) en dat ze bovendien niet zelden werden aangebracht door Albanese monniken.
Nog in datzelfde jaar loste Milosevic zijn belofte in. Kosovo werd weer een Servische provincie zonder autonomie. De Albanezen, die zo'n negentig procent van de Kosovarese bevolking uitmaken, werden ingeperkt in hun rechten en onderdrukt door een van niet-Serviërs gezuiverde lokale overheid en politiemacht. Gjucic: 'We hadden beter moeten weten. We stonden te juichen toen Milosevic tijdens de herdenking riep dat we gewapenderhand onze Servische rechten moesten bevechten. Sinds die tijd hebben we alles verloren. Onze zonen zijn bij bosjes gesneuveld en we kunnen ons niet eens meer vrij bewegen. Nee, voor het prediken van haat zullen de politici in Kosovo geen oren meer vinden.’
DE AVOND VOOR Vidovdan komen anderhalfduizend Serviërs samen bij het klooster in Gracanica. Daar ontvingen de strijders in 1389 gods zegen. In Gracanica bidden de huidige Kosovo-Serviërs voor het behoud van Kosovo. Er worden medailles uitgereikt aan moeders met meer dan vier kinderen. En er wordt opgeroepen vooral in Kosovo te blijven en niet te vluchten voor de Albanese terroristen. Veel godvruchtige woorden, geen openlijke oorlogshitserij. Ook de liturgie op de ochtend voor de herdenking bij het monument en de dienst de middag erna missen grote woorden van politiek en haat. Het lot van de Kosovo-Serviërs ligt in gods hand, is de boodschap.
Ivan, een geneeskundestudent uit Pristina, wil best vertrouwen op god, maar als de nood aan de man komt zal hij wél zijn pistool te voorschijn halen. 'De hele wereld is tegen ons, we moeten ons zélf beschermen. We krijgen geen visa om naar het buitenland te reizen en zelfs een langdurig verblijf in Servië, buiten Kosovo, wordt door de autoriteiten niet bepaald op prijs gesteld. Ze willen ons hier houden om tegenwicht te bieden aan de Albanezen. Waarom denk je dat hier medailles worden uitgereikt aan moeders van grote Servische gezinnen? We zijn ver in de minderheid.’
In het klooster wijst hij op een aantal fresco’s. De ogen van de afgebeelde heiligen zijn uitgestoken en weggebrand. 'Dat is het werk van Albanezen, vlak na de Eerste Wereldoorlog. Als dát is wat ze voor ons in petto hebben, kan geen god ons nog helpen. Ik vertrouw liever hierop.’ Hij schuift zijn shirt omhoog en toont de kolf van een blinkende revolver.
Professor Zekria Cana, historicus, lacht als hij hoort hoe weinig Serviërs deelnamen aan de herdenking in Gasimestran. Niks angst, zegt hij. Er zitten overal Servische troepen, dus voor hun lot hoeven ze niet te vrezen. De Serviërs zijn waarschijnlijk hun eigen propaganda moe.
Cana: 'Er is geen natie ter wereld, behalve de Servische, die zijn eigen verlies viert. De slag op het Merelveld heeft niets opgeleverd. In de eeuwen erna veroverden de Turken moeiteloos grote delen van de Balkan. Bovendien was het absoluut geen Servisch-Turkse aangelegenheid. Dat is propaganda. Alle relevante bronnen melden dat een christelijke coalitie vocht tegen de Turken. In die coalitie waren bijna alle Balkanvolkeren verenigd: Albanezen, Bulgaren, Bosniërs, Montenegrijnen en Serviërs. De Serviërs zouden Vidovdan moeten vieren als een feest van verbroedering, maar in plaats daarvan zaaien ze haat.’
Dat Kosovo-Metohija de bakermat van de Servische cultuur zou zijn en daarom onvervreemdbaar Servisch eigendom is, is volgens Cana een grove leugen. Cana: 'Servische historici zeggen dat de Slavische volkeren in de zesde eeuw het gebied zijn binnengetrokken. Dat klopt, maar wij zaten er toen al. Albanezen stammen af van de Illyriërs die de autochtone bevolking van Kosova vormden. Al vanaf de zesde eeuw eisen de Serviërs gebied op waarop ze geen recht hebben. Terug naar een autonome status binnen Servië? Nooit! De toekomst voor de Albanezen bestaat slechts in nationale eenheid.’
Als ik hem erop wijs dat voor de Illyrische afstamming van de Albanezen geen wetenschappelijk bewijs bestaat, dat het in feite een negentiende-eeuwse nationalistische mythe is, gecreëerd om de Albanese stammen een gemeenschappelijk oorsprongsidee te verschaffen, kijkt hij me heel lang aan en schudt uiteindelijk meewarig zijn hoofd. 'Weet u wel wat hier in Kosova gebeurt?’
TERWIJL DE feestelijkheden rond Vidovdan in volle gang zijn, komt van Albanese kant het bericht dat een grote Servische troepenmacht, waaronder tientallen legertanks, wordt samengetrokken in de buurt van de kolenmijnen Belacevac en Dobro Selo. Belacevac, vlakbij het Vidovdan-monument en op nog geen tien kilometer van Pristina, is vorige week in handen gevallen van het UÇK. De kolenproductie is gestopt en daardoor loopt de elektriciteitsvoorziening van Pristina gevaar. De andere mijn, Dobro Selo, produceert niet genoeg kolen om de elektriciteitscentrale op volle kracht te laten draaien.
Maandagochtend in alle vroegte, minder dan twaalf uur na het afsluiten van de laatste Vidovdan-plechtigheid, barst het Servische offensief los. Met tanks, houwitsers en zware mortieren worden Belacevac en het dorpje Hade, vlak bij de mijn, beschoten. In anderhalf uur worden zo'n driehonderdvijftig inslagen geteld. Kolommen van rook en vuur kunnen vanuit Pristina worden gezien. Vanaf maandagmiddag trekken vluchtelingen uit het mijngebied naar de hoofdstad. De gevechten duren de hele dag voort.
MAANDAGAVOND, een dag na Vidovdan. Tientallen Servische jongeren verzamelen zich op een horecaplein in Pristina. De zes terassen zitten propvol. De verwachtingen zijn hooggespannen. Joegoslavië gaat Nederland verslaan in de achtste finale van het WK Voetbal. Bij de Joegoslavische gelijkmaker, vlak na het begin van de tweede helft, verandert het plein in een juichende kluwen jongeren. Revolvermagazijnen worden in de lucht geleegd. Opeens zijn overal Servische vlaggen. Eindelijk een slag die de Serviërs gaan winnen. De Albanezen in de kroeg honderd meter verderop bekijken de wedstrijd maar met een half oog. Natuurlijk zijn ze voor Nederland, maar het WK interesseert ze maar matig.
Na de gelijkmaker breekt een vechtpartij uit. Er wordt met glazen gegooid en een pistool getrokken. Medetoeschouwers sussen het relletje. De wedstrijd gaat verder. Bij elke stop van de Joegoslavische doelman wordt geapplaudisseerd. Een treurig applaus, Joegoslavië wordt door Oranje meer en meer in het defensief gedrongen. De wedstrijd eindigt in een 2-1 overwinning voor Nederland. Gelaten druipen de Servische jongeren af. Boos zijn ze niet. Het moest zo zijn. De pistolen blijven in de broekriem. Verliezen went.
DINSDAGMIDDAG wordt nog steeds hevig gevochten rond de kolenmijn bij Belacevac. De beschietingen duren onverminderd voort. UÇK heeft zich kennelijk heel diep ingegraven. Maar de mijn zál heroverd worden. Al moet alles in de omgeving aan gort worden geschoten.