Verloren illusies

Michel Houellebecq,_ De kaart en het gebied_. Vertaald uit het Frans door Martin de Haan. De Arbeiderspers, 343 blz., € 19,95

Grappen maken over moderne kunst: moeilijk is het niet, verleidelijk wel, vooral ook omdat men zich in die wereld, net als in de wereld van het culinaire koken en de topmode, nauwelijks tegen aanvallen verweert. Je doet mee in die werelden of niet en als je meedoet is het niet verstandig om je eigen glazen in te gooien. Laat dat de buitenstaanders, de kunstcritici maar doen. Laat ze maar kletsen en lachen, denken de kunstmakers en -verdieners, het is allemaal rancune. Daar zit veel in. Het maakt niets uit of je als buitenstaander of kunstbeschouwer voor of tegen de kunstwereld bent, bezorgd erover of optimistisch, verlangend naar vroeger of hopend op een ‘nieuwe avant-garde’, voor of tegen conceptuele kunst, het einde van de schilderkunst aankondigt of een nieuw begin, het geld de grote bederver vindt, de kunstmarkt zich naar China ziet verplaatsen et cetera. Roept u maar, we horen het wel een keertje.

Het debat over kunst is iets geworden voor niet-kunstenaars, niet-ingewijden en andere, meestal sterk verbolgen achterblijvers (waarom luisteren ze niet naar ons?). Altijd gaat het in dat debat over geld, nooit over schoonheid, als ik het niet dacht: geld corrumpeert, geld schept de nieuwe avant-garde, geld bederft de kunst en de markt. Ieder essay over kunstenaars als Damien Hirst, Jeff Koons en Takashi Murakami begint met een meestal slaapverwekkende uiteenzetting over de ‘wetten’ van het grote geld en de rijken en de grote verzamelaars en dat het zo erg is. De markt dit, de markt dat. What’s new.

Je kunt de zeer geslaagde roman De kaart en het gebied (2011) van Michel Houellebecq lezen als een commentaar op de kunstwereld. Met daarin het min of meer bekende stramien dat ik hierboven schetste. Cynisme over de pretenties van moderne kunst, zwarte humor over de kunstwereld waarin men elkaar in een stevige greep bij de pik vasthoudt. Beschrijvingen van hoe kunstenaars gepusht worden, waarbij de schoonheid van hun vriendinnen of vrienden uiteraard een beslissende rol speelt. Essay­achtige beschouwingen over kunstenaars als ondernemers en niet meer als makers: uithalen dus naar Damien Hirst. De verteller van de roman schetst Hirst als ‘hard en cynisch (…) zo van ik schijt op jullie neer vanaf mijn poen’, en ook als ‘een rebelse kunstenaar (maar wel met geld)’, en als iemand met het gezicht van ‘een doorsnee Arsenal-supporter’. Stuk voor stuk treffende beelden uiteraard, dat wel, maar ze stijgen niet uit boven het niveau en het gehalte van wat kunstbuitenstaanders altijd al over Hirst plegen te schrijven.

Lachbuien natuurlijk ook over de verschrikkelijke teksten die kunstbeschouwers over nieuwe kunstberoemdheden schrijven; ze doen dat als op bevel allemaal tegelijk over dezelfde kunstenaars. En vervolgens bauwen ze elkaar jarenlang na, hopend dat hun geblaat ooit de kunstgeschiedenis haalt. Zo parodieert de verteller de bestaande kunstcriti­cus Patrick Kéchichian die in Le Monde een (belachelijke) recensie over een tentoonstelling van de held Jed Martin schrijft. ‘Tussen de ratio­nele theologie en de mystieke eenheid met de wereld heeft Jed Martin zijn keuze gemaakt.’ Ook de financiële gang van zaken rond de opkomst van een geslaagd kunstenaar geeft Houellebecq treffend weer. Tijdens de opening van de tentoonstelling van Jed Martins schilderijen zijn de twee grootste verzamelaars van de wereld, ‘de inkoper van Roman Abramowits’, en Carlos Slim Helu (ja, die van het bod op kpn!) aanwezig. Iedereen weet dat het nu storm gaat lopen, de hele zakenwereld wil vanaf nu een schilderij van Martin.

Allemaal uiterst vermakelijk en glansrijk beschreven. Houellebecq toont zich een prima leerling van Honoré de Balzac (1799-1850) die in Verloren illusies een even amusant beeld schetst van de carrières van Franse schrijvers rond 1820. Toch is deze kant van de roman niet het meest geslaagd. Je kunt van Houellebecq een dergelijk zwartgallig en clichématig beeld van de moderne kunst nu eenmaal verwachten. Interessanter is dat hij van zijn held Jed Martin een soort Elckerlijc maakt, iemand die alles overkomt. Opvallend is de passiviteit waarmee hij zich in de kunstwereld beweegt. Martin onderneemt zelf niks, hij mag van zijn kunst­beschermers nooit zelf iets over zijn kunst zeggen. Hij moet gewoon doen en maken wat hij wil, hij opereert als een romantisch kunstenaar, de rest verzorgen zij wel.

De kunstwereld is in de roman verdacht, niet de kunstenaar, dat scheelt toch een slok op een borrel bij dit soort analyses. Iedereen is verder een meeloper, handige charlatan of gewoon een kunstoplichter. Houellebecq beschermt zijn Jed Martin, hij beschrijft diens kunst met gedetailleerde passie. Nee, ik vergat niet dat de schrijver Martins kunst zelf bedacht, ik zou ze overigens graag een keer uitgevoerd zien. Het kunst­project dat Houellebecq zijn held laat ondernemen is de grote vondst van deze roman: een ‘objectieve’ beschrijving van de wereld van de arbeid en van de dingen. Houellebecqs pleidooi (onder andere in de mond gelegd van het personage ‘Houellebecq’) voor de opvattingen van de marxist en utopist William Morris was voor mij een grote verrassing en een opluchting.