50 jaar Afrika Interview met William Gumede

Verloren jaren

Afrika zou een voorbeeld moeten nemen aan Botswana, vindt schrijver William Gumede. Ver vooruitkijken, goed luisteren en zelf managen. ‘Ze hebben er nu al dertig jaar economische groei op zitten.’

DE AFSPRAAK begint verkeerd. Er blijken diverse Doppio Zero-restaurants in Johannesburg, en terwijl ik zit te wachten in de Rosebank-vestiging, zit mijn gespreksgenoot, schrijver William Gumede, een paar kilometer verderop duimendraaiend in Greenside. Als we elkaar uiteindelijk de hand schudden, zegt hij ‘heel gestrest’ te zijn. Hij is bezig met de laatste loodjes van zijn boek dat onder de omineuze titel The Democracy Gap: Africa’s Wasted Years dit jaar in de boekhandels zal liggen.
Misschien heeft het met die stress te maken dat hij razendsnel praat, soms vier keer aan een nieuwe zin begint en over woorden struikelt in zijn gretigheid om de juiste formulering te vinden voor zijn visie op Afrika. Soms barst hij uit in een kaal gelach, niet omdat iets nou zo grappig is, maar omdat de Afrikaanse landen tijdens hun halve eeuw onafhankelijkheid met open ogen in alle valkuilen zijn getrapt - en blijven trappen. De 'hoe kunnen ze zo stom zijn’-lach.
Gumede’s stokpaardje zijn de bevrijdingsbewegingen, verworden van hoeders tot loeders der natie. De lijst mislukkingen is lang, met Algerije, Angola, Eritrea, Namibië, Kenia en Zimbabwe als aanvoerders van langdurige antidemocratische tendensen. Gumede: 'Of ze betogen dat democratie een on-Afrikaans concept is, dat het geen deel uitmaakt van het Afrikaanse DNA, een westers concept. Of ze zeggen: eerst ontwikkeling en daarna democratie. En dan vinden ze democratie te duur. Ze combineerden het slechte van de Afrikaanse cultuur met het slechte van koloniaal bestuur. Ze maakten zich het koloniale systeem eigen en werden net als hun kolonisatoren, in plaats van iets nieuws te proberen. En onderwijl geven ze het kolonialisme de schuld van de problemen.’
Het anderhalf uur durende gesprek heeft een omineuze ondertoon: als Gumede’s vaderland Zuid-Afrika, het rijkste en best ontwikkelde land van het continent, niet oppast, gaat het ook die kant op, met een ANC dat steeds onverdraagzamer wordt en bij monde van president Jacob Zuma al heeft laten weten te zullen blijven regeren 'tot in het hiernamaals’.
'Je ziet diezelfde arrogantie als elders in Afrika. Het kiezen van Zuma als president was zo'n blunder. Er is absoluut geen sprake van vooruitgang. Het is iemand die het briljant deed in de bevrijdingsbeweging, een groot tacticus en strateeg. Maar dat waren de jaren tachtig. De wereld heeft niet stilgestaan, en Zuid-Afrika is zo complex en divers. Je hebt veel verfijnder leiderschap nodig. En daarbovenop is er gebrek aan nieuw bloed binnen de partijtop. Dat zie je steeds terug: de onwil om daar iets structureel te veranderen.’
De 42-jarige William Gumede is de nieuwe Afrikaanse intellectueel. Weg zijn het kleurige Afro-shirt en de revolutionaire sik, vervangen door een trui met een overhemd eronder en een net getrimde baard. En in plaats van whisky of bier bestelt hij een Savannah Light, cider. Gumede was een Oppenheimer Fellow aan Oxford University, onderzoeker aan de London School of Economics. Hij schrijft voor The Guardian, zit in het bestuur van diverse non-profitorganisaties, zat in de hoofdredactie van het dagblad The Sowetan en heeft onlangs in Nairobi een consultancy opgezet die democratische dialoog in Afrika moet bevorderen. Hij werd geboren toen het gros der Afrikaanse landen al onafhankelijk was, maar is oud genoeg om apartheid nog daadwerkelijk te hebben meegemaakt. Zo nu en dan verwijst hij naar zijn verleden als ANC-activist. Maar hij maakte zich bij de partij voorgoed onmogelijk toen van zijn hand in 2005 het boek Thabo Mbeki and the Battle for the Soul of the ANC verscheen, een kritische beschouwing van de machinaties van Zuid-Afrika’s bevrijdingspartij die al sinds 1994 onafgebroken aan de macht is. Gumede vertegenwoordigt de generatie die al die grijsaards die menen dat een struggle-verleden hun het recht geeft op eindeloos regeren, van Mugabe tot Museveni, spuugzat is.
Landen blijken zich moeilijk los te kunnen maken van de romantiek, triomf en macht die het concept 'bevrijdingsbeweging’ met zich meebrengt. In de bush is geheimhouding noodzakelijk en wordt tegenspraak niet geduld. Vervolgens valt het zwaar om van die naar binnen gerichte bush war-mentaliteit over te schakelen op iets democratisch. Vaak gedragen de bevrijdingspartijen zich als ouders die hun kroost in materieel en geestelijk opzicht van het noodzakelijke voorzien, in ruil voor gehoorzaamheid. 'Dat is de kracht en meteen de zwakte’, zegt Gumede. 'Het zorgt ervoor dat je lang aan de macht kunt blijven. Als het op een goede manier gebeurt, kan het natuurlijk ook een positieve uitwerking hebben. Want kolonisatie zorgde voor afbraak van essentiële waarden als cultuur en identiteit. Dat was heel verwarrend - mensen verkeerden in een vacuüm. Dus na de onafhankelijkheid heb je iets ter vervanging nodig. En een politieke beweging, mits die opereert zoals ze zou moeten, kan daartoe bijdragen. Maar zodra zo'n beweging corrupt wordt, dan wordt alles corrupt.’
Het was de angst voor een Zuid-Afrikaanse zondeval die Gumede aanzette tot het schrijven van The Democracy Gap. Hij onderzocht de overgang van kolonie naar onafhankelijkheid in het hele continent en groepeerde op grond daarvan de landen. Naast de staten die zijn gevormd door hun bevrijdingsbeweging - met Zimbabwe als meest schrijnende voorbeeld, maar waartoe je ook Oeganda, Ethiopië, Eritrea en Rwanda met hun 'verlate revoluties’ en eindeloos regerende staatshoofden kunt rekenen - zijn er landen waar de militairen lange tijd de dienst uitmaakten en de boel leegroofden, met Soedan, Benin en Nigeria als dieptepunten. Dan zijn er de structureel problematische gevallen, zoals Sierra Leone, Liberia, Congo DRC, Burundi en Somalië.
Maar er is ook een groep die na mislukte experimenten uit de ellende opkrabbelt, zoals Tanzania, Ivoorkust, Zambia, Ghana, Mozambique en Mali. En ten slotte zijn er drie landen die het in de ogen van Gumede al decennialang uitstekend doen, in sociale, economische en politieke zin. Zij kunnen als voorbeeld dienen voor de rest van het continent: Botswana, Kaapverdië en Mauritius. Drie landen met hun eigen vorm van democratie. Alle drie landen met nog geen twee miljoen inwoners, iets wat de overzichtelijkheid en bestuurbaarheid ontegenzeggelijk zou moeten bevorderen. Welnee, werpt Gumede meteen tegen, dat zegt niets. Kijk naar het kleine Gabon en zijn lange dictatuur, kijk naar het haast stalinistisch geregeerde Eritrea, of kijk het nietige Guinee-Bissau waar drugskartels de dienst uitmaken. En verder verschillen ze zeer. Botswana in zuidelijk Afrika was een Engels protectoraat. Mauritius in Oost-Afrika was achtereenvolgens in Nederlandse, Franse en Engelse handen. En het West-Afrikaanse Kaapverdië was een Portugese kolonie. Botswana kreeg zijn onafhankelijkheid zonder bloedvergieten, maar in Mauritius was het rond de onafhankelijkheid erg onrustig, en Kaapverdië begon als de meeste Afrikaanse landen, als een almachtige eenpartijstaat.
Drie verschillende versies van democratie ook, maar alle drie met een duidelijk Afrikaans karakter, wat het duidelijkst naar voren komt in Botswana met zijn concept van kgotla. Dit Setswana-woord verwijst naar een soort dorpsraad die de belangrijke zaken van het plaatsje bespreekt en iedereen uitgebreid de gelegenheid geeft (zo'n beraad duurt uren) om ongeïnterrumpeerd zijn zegje te doen, om uiteindelijk tot een consensusbesluit te komen. Tevens moet de chief tijdens de kgotla volledige verantwoording voor zijn beslissingen afleggen aan de gemeenschap, hetgeen zijn macht aanzienlijk inperkt. Het concept werd vervolgens ingepast in de moderne meerpartijendemocratie van Botswana, met een parlement en een House of Chiefs dat een adviserende functie heeft.
Gumede: 'Kgotla is een briljant bewijs van de aanwezigheid van democratie in de Afrikaanse cultuur. Kgotla heeft ervoor gezorgd dat het afleggen van verantwoording centraal staat in het systeem. Iedere week of veertien dagen spreekt de chief met zijn achterban. Op dat moment staat iedereen precies op hetzelfde niveau en dan kunnen ze naar je schreeuwen en je uitfoeteren. Een van de grootste problemen in Afrika is mijns inziens de leidersverering, waardoor mensen een cultstatus krijgen en aan niemand verantwoording verschuldigd zijn. Ze gedragen zich als vorsten, doen wat ze willen.’
De drie landen zijn heel verschillend in geografisch en historisch opzicht. Hoe kwam het dat ze succesvol zijn geworden?
'Allereerst moet er sprake zijn van werkelijke democratie, met actieve sociale en politieke participatie. Ten tweede hadden in deze drie landen de partijen een langetermijnvisie. Toen ze aan de macht kwamen gingen ze rond de tafel zitten en zeiden: waar willen we ons land over vijf of tien jaar hebben? Zoiets gebeurde ook in de Aziatische landen. Japan, Taiwan, Singapore, ze wilden allemaal aansluiting bij het Westen en stelden zich duidelijke doelen om dat te bereiken. Pas daarna kun je, stapsgewijs, moeilijke beslissingen nemen.
Ten derde zagen deze drie landen dat een goed functionerende overheid van cruciaal belang is. Het probleem met Afrika was dat je tijdens de koloniale periode een kleine privé-sector had die vaak in buitenlandse handen was. De meeste landen eigenden zich vervolgens een stuk van die privé-sector toe en nationaliseerden die. Dat was fataal. Deze drie landen zeiden: goed, we hebben verder niet veel, dus laten we in elk geval zorgen dat we een degelijke ambtenarij hebben, met mensen die worden benoemd op basis van verdienste en niet op etnische achtergrond. Twee jaar na de onafhankelijkheid opende Mauritius al een opleidingsinstituut voor ambtenaren. Ze haalden iemand uit Taiwan om dat te runnen.’
Botswana is Gumede’s paradepaardje. Het land is absoluut niet hip. Het kent geen bebaarde revolutionairen met AK47’s, noch rebelse muzikanten. Internationale faam dankt het aan de fabelachtige Okavango-delta en de detectivereeks The No. 1 Ladies’ Detective Agency van de Schotse auteur Alexander McCall Smith. 'Ik ben dol op het geval Botswana’, beaamt Gumede, 'ook al is het vrij conservatief. Toen ik nog bij het ANC zat keken wij er altijd een beetje op neer. We namen ze niet serieus. Zij hadden nooit voor hun onafhankelijkheid hoeven te vechten. Maar ze hebben er nu wel al dertig jaar economische groei op zitten, gemiddeld zeven procent per jaar. En niet alleen dat, een groot deel van de bevolking heeft zich aan de armoede ontworsteld.’
De meeste landen met veel natuurlijke hulpbronnen hebben een rampzalige ontwikkeling doorgemaakt. Algerije, Soedan, Nigeria, Angola, Congo DRC en Sierra Leone. Net als Sierra Leone heeft Botswana diamanten…
'Ja, en het interessante is dat die diamanten pas werden ontdekt toen Botswana al op het goede spoor zat. En toen ze eenmaal waren gevonden was zo ongeveer het eerste wat ze deden de privé-sector erbij betrekken. Ze zeiden tegen De Beers: jullie doen de exploitatie, maar we maken er een joint venture van, met 51 procent voor ons. Jullie verzorgen ook de trainingen, jullie zorgen dat de lokale bevolking erbij wordt betrokken. Een hele reeks voorwaarden. En iedere vijf of tien jaar wordt het contract herzien en vernieuwd. En het geld wordt in een trust gestopt.’
Welke plaats neemt ontwikkelingshulp in binnen het geheel?
'Alle drie de landen hebben relatief weinig ontwikkelingshulp gebruikt en wat ze kregen werd beter aangewend dan in de meeste andere landen. Bijvoorbeeld toen er eind jaren zeventig tot midden jaren tachtig grote droogte heerste in Afrika - iedereen kan zich Ethiopië herinneren. Maar Botswana was veel zwaarder getroffen dan Ethiopië. Mensen vergeten dat. Maar de manier waarop ze met de ramp omgingen was anders. Ethiopië vroeg om hulp, terwijl Botswana zei: oké, we hebben een enorme droogte, hoe komen we daar uit? Dus ze maakten een lijstje. Wat is er nodig? Technische vaardigheden in de vorm van ingenieurs die alle boeren in één klap kunnen trainen. Dus ze gingen naar het Wereldvoedselprogramma en zeiden: wij hebben hier honderdduizend kleine boeren, regel een programma van twee jaar voor ze, leer ze hoe ze nieuwe gewassen kunnen verbouwen. En het werkte! In Ethiopië kwamen honderdduizenden mensen om tijdens die droogte, in Botswana niemand.’
Hoe ziet u de toekomst?
'Om uit de impasse te komen moeten Afrikaanse landen nauwere handelsbetrekkingen aanknopen. Landen die werkelijk vooruit willen komen moeten de kern vormen, bijvoorbeeld Zuid-Afrika, Mauritius, Kaapverdië en Ghana. We moeten met grondstoffen beginnen, want die hebben we allemaal. En we moeten een gezamenlijk grondstoffenbeleid opstellen, vergelijkbaar met de Europese Staalunie destijds. Want de Chinezen komen, de Indiërs komen, iedereen komt eraan. Tevens moet er een Afrikaanse Unie komen met een serieuzer karakter dan de huidige, want dat is een lachertje. En de leiders moeten ophouden met hun retoriek en hun handen vuil durven te maken.’

NAAST ONS worden de stoelen op tafels gezet. De tl-verlichting flitst aan. Tijd voor de rekening. Terwijl we wachten, vraag ik of Gumede een Afro-pessimist is.
Hij grinnikt: 'Ik ben positief. Ik vind dat mijn generatie moet zeggen: we hebben vijftig jaar vermorst. Ik noem het “Afrika’s verspilde jaren”. Dat moeten we luid en duidelijk zeggen. En we moeten voorkomen dat we dezelfde fouten maken. Nee, ik ben geen pessimist. Er zijn genoeg praktische voorbeelden van dingen die wél werken in Afrika. Gebruik die als uitgangspunt. Maar er is zeker een generatieomslag nodig. Kijk naar het ANC, totaal vastgeroest. Ze zijn bang voor een omslag en niet gediend van kritiek. En daarom brengen ze leiders voort als Julius Malema (de populistische ANC-Jeugdliga-leider - fdv). Dat is mijn grote angst: dat we ook de volgende zestig jaar met dergelijke lui zitten opgescheept. In Zimbabwe zie je dat ook. En in Angola. Ze verdommen het om menselijk kapitaal aan te wenden. Die bevrijdingsbewegingen zijn bang voor talent. Ze hebben er vooral talent voor om talent te negeren.’