Verloren zielen

Toeval kan iemands leven een beslissende draai geven. Dat is een open deur. In 4321 speelt Paul Auster dit keer helaas niet zijn bekende virtuoze spel met identiteiten, met verschijningen en verdwijningen.

Amerika is de weg kwijt. Als de lezer van Paul Austers nieuwe, kolossale roman 4 3 2 1 midden in de Amerikaanse studentenrevolte van 1967-1969 zit, komt hij dat zinnetje tegen. Het wordt uitgesproken door een modegevoelige activist die uiteraard ook tegen de imperialistische Vietnam-politiek demonstreert. Bij toeval – en dat is waar het in 4 3 2 1 om draait – kwam ik die paniekerige diagnose letterlijk tegen in Leviathan (1992), een van Austers beste romans. Elke bestaande staat is corrupt, luidt daarin het motto van Ralph Waldo Emerson. Dat heeft weer alles te maken met Thomas Hobbes’ nog altijd prikkelende pamflet Leviathan. Daarin is de mens slechts gericht op eigenbelang, machtswellust en bezitsdrang: de mens is voor de medemens een wolf. Om een totale oorlog te voorkomen moet de staat dus de vrijheid aan banden leggen. Die vrijheid is in Austers literaire denkexperiment Leviathan uitgegroeid tot een terroristisch monster. De hoofdpersoon, de ondergedoken schrijver Benjamin Sachs, wordt bommengooier en heeft het voorzien op replica’s van het Vrijheidsbeeld (in 4 3 2 1 duikt een vergelijkbaar figuur op). En wat ook geen toeval is: Leviathan is opgedragen aan Austers vriend Don DeLillo, schrijver van MAO II (1992) en de Zeer Grote Amerikaanse Roman Underworld (1997).

Het is alsof je bladert in populaire foto-met-onderschriftpublicaties als ‘Het aanzien van 1956’

In zowel 4 3 2 1 als in Underworld speelt de dictatoriale fbi-chef J. Edgar Hoover een veelzeggende bijrol. En de politiek krijgt de hoofdrol; meer nog dan sport, film, kunst en literatuur. Maar daar ligt meteen het grote verschil tussen Auster en DeLillo. De laatste gebruikt de naoorlogse politieke geschiedenis als ingenieuze literaire metafoor: een honkbal die steeds van eigenaar verandert en daardoor verrassende perspectiefwisselingen oplevert. Auster komt niet verder dan het aanstippen en opsommen van politieke ‘highlights’ in de jaren vijftig en zestig. Het is alsof je bladert in populaire foto-met-onderschriftpublicaties als ‘Het aanzien van 1956’. De politiek is niet meer dan een voorspelbaar, wisselend decor: Cuba-crisis, Kennedy-moorden, Martin Luther King/Malcolm X, Vietnam, acties op de campus, enzovoort. Nergens zoomt hij in, overal heerst de oppervlakkige name dropping.

Eigenlijk bestaat 4 3 2 1 uit vier romans, die de lezer niet achter elkaar leest maar afwisselend. Er is steeds één hoofdpersoon, de joodse jongen Archie Ferguson, en de bijfiguren blijven deels dezelfde. Roman 4 is de ‘hoofdroman’, de andere zijn varianten op het thema van het toeval: als ik, Archie Ferguson, op dag x linksaf was afgeslagen in plaats van rechtsaf, dan zou mijn leven er heel anders hebben uitgezien. Dat idee heeft Auster op uitputtende wijze uitgesponnen over bijna duizend bladzijden. De bron van de romaneske hoofdgedachte, waarmee verteller Archie Federman begint én eindigt, ligt vlak bij het Vrijheidsbeeld, ‘Moeder van ballingen. Vader van strijd.’ Het is 1900 en een jonge Russische jood met een ingewikkelde naam komt op Ellis Island aan. Ach, zegt een oudere man met ervaring, zeg maar dat je Rockefeller heet, dat is makkelijker. Maar als de jonge Rus door de douane moet is hij die naam vergeten en zegt hij in het Jiddisch: ‘Ich hob fargesn!’ Dat verbastert de beambte tot de naam Ichabod Ferguson. Verteller/schrijver Archie Ferguson, nazaat van die jonge Rus, ziet in die anekdote een parabel van het menselijk lot en ziet een roman voor zich: ‘Eén jongeman wordt opeens opgesplitst in drie jonge mannen, die ieder identiek zijn aan de andere, maar ieder een andere naam hebben: Rockefeller, Ferguson en de lange, onuitspreekbare X die vanuit Rusland met hem is meegereisd naar Ellis Island.’ Wat zou er gebeurd zijn als Fergusons grootvader de naam Rockefeller wel had onthouden?

Medium 03455u
Frédéric Auguste Barthol­di, Statue of Liberty in New York, ca 1884 © Library of Congress

Volgens Austers literaire spel verbeeldt roman 4 de ‘echte’ Archie Federman, die uiteraard een creatie is van Paul Auster en die autobiografische trekjes heeft: de verdwijnende vaderfiguur, de prille schrijfpogingen. De andere drie zijn verzonnen varianten, die ook met de Auster-autobiografie te maken hebben. Het is een beproefd procédé. Archie Ferguson 4 is van 1947 en de enige zoon van een veelal afwezige vader. Die steekt zijn tijd in zijn zaak, die zich gestaag uitbreidt. Zijn moeder bekwaamt zich in de fotografie. Tante Mildred, academica, voedt hem intellectueel op en haar man Don, biografieschrijver, wordt zijn alternatieve vader. Archie houdt van honkbal en film, ontmoet Amy Schneiderman (die zich later in het studentenprotest stort) en gaat naar kostschool en moet zomers naar het joodse Camp Paradise. Zijn vriend in het kamp is Artie Federman, die daar plotseling sterft in Archie’s aanwezigheid. Langzaam maar zeker ontpopt Archie zich tot de experimentele, niet-commerciële schrijver Isaac Ferguson. Zijn eerste pennenvrucht heet Verwante zolen, een relaas over het leven van twee schoenen, Hank en Frank. Zijn vader liet dat verhaal drukken maar door een drukfout in de titel (Verwante zielen) werd de oplage waardeloos. Archie’s tweede boek – hij is inmiddels Princeton-student – is geïnspireerd op Swifts Gulliver: Mulligans reizen, 24 verhalen over mensen op plekken waar de vrijheid met voeten wordt getreden. De lezer moet het helaas met een fragmentje van een paar bladzijden doen. Hetzelfde geldt voor het ‘dodenboek’ De hoofdstad van het verval. Aan het slot van 4 3 2 1, in 1970, vertrekt Archie naar Parijs om in de rue Descartes in vijfenhalf jaar 4 3 2 1 te schrijven.

Archie 1, 2 en 3 zijn verwante zielen van hun schepper, Archie 4. Archie 4 – de creatie van Paul Auster – houdt leven en dood van Archie 1, 2 en 3 in zijn schrijfhand en laat de wisselende omstandigheden het werk doen. Archie 1 is de zoon van een vader wiens zaak door diefstal op de fles gaat. Zijn leven wordt beslissend beïnvloed door zijn geliefde, Amy Schneiderman, én door een auto-ongeluk, dat hem enigszins gehandicapt achterlaat. Amy en hij gaan naar Parijs en zijn betrokken bij de studentenopstanden aan Columbia in New York (‘revolutie in een poppenhuis’). Archie is dan journalist en vertaalt Franse dichters. Archie 2 is een ‘litanie van kleine rampen’ die een grote ramp op Camp Paradise aankondigen. En Archie 3 wordt ook al gedomineerd door een rampzalig ongeluk: Archie’s vader verbrandt levend in zijn zaak, die hij samen met zijn twee broers runt, als een van die broers brand laat stichten omdat hij ernstige geldproblemen heeft en zo verzekeringsgeld meent te kunnen opstrijken. Met zijn moeder Rose, die een begaafd fotografe wordt, vertrekt hij naar New York, waar ze aanvankelijk elke dag naar de bioscoop gaan: ‘een onechte wereld was veel groter dan een echte, en er was meer dan genoeg ruimte in om jezelf en tegelijk niet jezelf te zijn’. Hij denkt na over God, ontwikkelt een open oog voor het toevallige en het onverwachte, komt erachter dat hij biseksueel is, schrijft filmrecensies en raakt gefascineerd door Laurel en Hardy en schrijft daar een autobiografisch boek over: Hoe Laurel en Hardy mijn leven redden.

Bijna 950 bladzijden Archie 4 en zijn klonen, met vele historische en politieke herhalingen. Wat levert het op? Het grondidee, dat toeval iemands leven een beslissende draai kan geven, is een open deur. Ik heb bewondering voor de ijver van Paul Auster, die ook zelf als een letterkundige boekhouder alle weetjes in politiek, sport, literatuur en film in zijn vertellingen verwerkt. Het klopt allemaal. Maar waarom mag de lezer dan niet lezen waardoor de schrijvende Archies artistiek worden beheerst? Juist die Auster, de schrijver van New York Trilogy, In the Country of Last Things en Leviathan, die een virtuoos spel kan spelen met identiteiten, met verschijningen en verdwijningen, die is in 4 3 2 1 weggemoffeld.