Ik wil geen dwarslezer zijn

Verlos me van mezelf

In mijn beroepspraktijk van literair criticus doe ik steeds vaker oogkleppen op. Uphoff of Kollaard… Ik wil het mooie en het goede, het exceptionele blijven zien en eren, ook als het iets is wat veel mensen mooi vinden. Ik wil niet de hele dag oordelen.

Links van me staat een muur met daarop een ‘a’ en rechts een muur met een ‘z’. Daartussen zit ik gevangen. Vraag me waarvan ik verlost wil worden, dan is het het alfabet. Aangezien alles wat ik doe, en ook al zo lang ik me kan heugen, te maken heeft met wisselende combinaties van die 26 letters, van mezelf en die van anderen, zou je kunnen stellen dat het tijd wordt voor iets anders. Een stuk marmer uithakken, schapen hoeden, gewoon, er op uit.

Tegelijkertijd: this is what I do.

Ik ben gehecht geraakt aan die a en die z en alles ertussen, zozeer zelfs dat ik denk dat ze van mij zijn. Ik kan tenminste niet goed een andere reden bedenken waarom ik me kapot erger aan de capriolen die anderen ermee uithalen. Of waarom ik in woede ontsteek als iemand een leuk ideetje lanceert: hé, weet je wat, de ene maand schrijven we met z’n allen een sonnet, en de maand erop een kort verhaal. Alsof het allemaal een grapje is. Opleidinkje hier, cursusje daar, lekker samen schrijven met z’n allen, de juf kijkt het na. Alsof iedereen er wat van kan bakken.

Wat maakt het mij uit?

De boekwinkel ligt vol met de producten van types die het ene boek schrijven dat ze met zich meedragen, over hun ziekte, hun verkrachting, hun kinderloosheid, hun foute vader. De boekenbijlagen staan bol van de interviews die dat verhaal navertellen. Ik wil het verhaal niet, ik wil het boek niet. De enkele keer dat ik heel lichtjes het deksel oplicht van mijn overkokende gemoed krijg ik de vraag: waarom zo streng? Waarop ik meteen schrik. Want inderdaad. Heeft iemand een decreet uitgevaardigd? Wie wel mag schrijven, en wie niet? En wie ben ik helemaal? En buiten dat: er zijn ergere dingen.

—————

Ondertussen wordt het ergeren er niet minder op, verwarrend genoeg juist aan een genre waarin vrouwen zich steeds meer thuis lijken te voelen. Al eerder schreef ik, onder de titel ‘Ik moet je verdienen’, over de devaluatie van het autobiografisch schrijven in een literair klimaat waarin het ‘ik’ met steeds minder kleren aan in de etalage wordt gezet. Het leidt tot de aller-irritantste boeken, schreef ik toen, en zachtjes erachteraan: én de allermooiste. Misschien komt het door die wezenloze interviews erbovenop. Of het komt door de overdaad. Of ik moet m’n haatbaard een keer trimmen. Het mooiste begint in mijn perceptie in ieder geval nogal ondergesneeuwd te raken. In mijn beroepspraktijk van literair criticus is het gevolg dat ik me steeds meer concentreer op wat me interesseert. Oogkleppen opdoe. Snel de prospectussen van de uitgeverijen doorblader, mijn favoriete quote uit Love Actually indachtig: It’s a matter of self-preservation.

Ik zie mezelf bladeren, grommen, kreunen, en voel iets dickensiaans bezit van me nemen. Ik ben niet Scrooge, maar kom wel in die buurt. ’s Nachts verschijnen ze aan mijn bed, mijn schrikbeelden. Allereerst in de persoon van de neerlandicus die me aanspoorde en bemoedigde om recensies te gaan schrijven. Zelf had hij het ook lange tijd gedaan, totdat hij redacteur werd bij een literaire uitgeverij. Hij schiep er eer in om als hij lid was van een jury het ‘andere’ boek omhoog te houden. Ik vond dat iets heldhaftigs hebben, tot ik besefte dat het dus mede door hem kwam dat De ontdekking van de hemel van Harry Mulisch, een roman die eens in de vijftig jaar voorbij komt zetten, een grote literaire prijs was misgelopen. Hij had zoveel gelezen dat hij een dwarslezer was geworden.

Ik wil geen dwarslezer zijn. Ik wil het mooie en het goede, het exceptionele blijven zien en eren, ook als het iets is wat veel mensen mooi vinden. (Dit driemaal daags op plechtige toon herhalen.)

Dan de andere persoon, de schrijver tevens criticus die ik in mijn herinnering voortdurend aan het indammen was. Vroeger was hij voor mij een autoriteit, schreef hij weerbarstige literatuur waarmee iedereen tijdens mijn studie wegliep. Die autoriteit schudde hij nooit meer helemaal af, ook niet toen ik degene werd die zijn recensies moest plaatsen. Hij wilde altijd meer, altijd langer. En hij was altijd negatief. Ik begreep waarover hij het had, maar wilde gewoon die dominante donderende stem niet toelaten. Op zeker moment snapte ik wat er aan de hand was. Hij hield zoveel van literatuur dat hij een hekel had aan boeken.

Ik wil dit niet: iets zo serieus nemen dat ik de uitingsvormen abject vind.

Ik wil dit niet. Zo gauw je die vier woorden toelaat, ben je gek. Niet hardop uitspreken, nooit doen, ik kan ze in ieder geval niet zeggen zonder m’n nagels tot bloedens toe open te halen aan het behang, de moeder van Jezus aanroepend. Er zijn getuigen van en ze waren minderjarig.

—————

De ernstigste vraag om hulp die ik van mezelf herinner is dat ik een vriendin belde en zei: ‘Je moet iets nuchters zeggen.’ Dit speelt zich zo’n twee decennia geleden af. Ik weet het nog omdat zij het sindsdien af en toe in mijn gezicht gooit, met de juiste pathetische intonatie. Je moet iets nuchters zeggen! En dan lachen we allebei, ik iets minder naturel. De reden toen? Iets volstrekt buitenliterairs en dus niet voor de annalen. Wat niet wegneemt dat die cry for help zomaar weer z’n kop aan het opsteken is.

Kun je een ander mens worden gedurende één leven?

Die woede van jou, zegt mijn thuisfront.

Ik stik, denk ik weleens.

Zo formuleerde ik het ook aan een bevriend iemand, per mail. Een bevriend iemand die behalve schrijver ook psychoanalyticus is, die ik niet heel veel zie maar genoeg om te denken dat ik het liefst mijn ziel en zondigheid in haar handen zou leggen. ‘Is ze streng?’ vroeg hetzelfde thuisfront toen ik vertelde dat ik haar mijn dringende kwesties voor ging leggen. ‘Gaat ze je op je kop geven?’ De mogelijkheid was nog niet eens bij me opgekomen, zozeer ben ik niet op zoek naar een beul. Ik zit niet te wachten op commentaar, dat heb ik van mezelf al genoeg. Ik wil Maximus the Merciful. Ik ben op zoek naar iemand die me begrijpt, me ziet, me vergeeft.

Kan dat? Dat iemand je op verzoek vergeeft voor wie je bent? En je ondertussen verlost, van jezelf? Kun je een ander mens worden gedurende één leven, ik geloof dat ik dat aan haar wil vragen. In mijn mail kleed ik het wat dagelijkser in. Als ik stante pede een mail retour krijg, denk ik dat het genezingsproces al is begonnen. Ze stelt voor samen een eindje te lopen.

Het is herfst, de lucht is zowaar knapperig fris, mijn stappenteller roept, een wandeling is altijd goed, doet makkelijk praten bovendien.

—————

Nog even dit. Een van de gekste dingen die op mijn vakgebied het afgelopen jaar plaatsvond – en nu extrapoleer ik dus even van mijn onmiddellijke zelf, dat komt straks toch wel weer bovendrijven – is dat niet Manon Uphoff een grote literaire prijs kreeg voor haar roman Vallen is als vliegen, maar Sander Kollaard, voor Uit het leven van een hond. Ik vond het in eerste instantie onbegrijpelijk, en aan die onthutsing wil ik niks afdoen door te zeggen dat toen ik Kollaard las ik het ook wel weer begreep. Het zijn geen halszaken, maar, nog maar een keer, this is what I do. Had Kollaard de prijs niet gewonnen, dan had ik hem niet gelezen. Uphoff volg ik al haar schrijvende leven lang, en de glans van Vallen is als vliegen was haar vooruit gesneld. Heel soms gebeurt dat, een boek ligt nog niet in de winkel, maar er doet al een gonzen de ronde: heb je het gehoord, die nieuwe van Uphoff, schijnt héél goed te zijn…

En zo was het ook. Met een collega had ik het erover dat dit zo’n roman is die eens in de honderd jaar het licht ziet. Uphoff plaatste zin na zin in het gelid, tot haar tekst tikte als een tijdbom. Een eeuwenoud thema, een net zo oud taboe, verpakte ze in een vorm die helemaal eigen, nieuw en licht is, maar ook geladen en symbolisch voortborduurt op bekende mythes, sprookjes, literatuur. In interviews vertelde ze hoe ze in de literatuur ruimte voor dit verhaal uithakte die er anders niet zou zijn. Dat ze de woorden moest vinden om de ervaringen recht te doen, wat een worsteling het was, een zoektocht.

Geef die vrouw een prijs, zou je zeggen, maar zo gaat het vaak niet. Misschien was ze haar momentum gepasseerd – al bijna een jaar lang was de loftrompet uitgestoken voor haar – misschien vond iemand in de jury het verhaal te zeer naar binnen gekeerd, te barok geschreven, te eentonig, te zwaar. Je weet het niet, ik weet het niet, naar goed gebruik worden juryoverwegingen nooit openbaar gemaakt.

Wat wel duidelijk is, is dat Uit het leven van een hond niet méér tegengesteld had kunnen zijn, hoe absurd het ook is om twee unieke creaties op die manier aan de uiteinden van één lijn te zetten. Als Kollaard kaas is, dan is Uphoff absint. Aarde versus sterrenhemel. Alles in de roman van Kollaard ademt ‘normaliteit’, wat zowel tot uiting komt in de rondheid van zijn taalgebruik, als in het verhaal dat hij vertelt, de alledaagsheid van zijn personage, het licht sukkelige. Tegelijkertijd stijgt hij in het kleine tot de hoogste hoogte, en gaat het in zijn roman over niets minder dan sterfelijkheid, levenslust en -aarzeling, liefde. Ik kan me geen roman heugen, geen Nederlandse in ieder geval, waarin een oom zich naast zijn nichtje uitstrekt op bed om even bij te komen, ze praten wat, ze vallen in slaap naast elkaar, in volstrekt vertrouwen en in volledige onschuld. Hoe vaak zal deze roman voorbij komen? Ik ga de vraag niet beantwoorden, omdat ik geneigd ben te denken dat dat eens in de tien jaar is en dat oliedom vind van mezelf. Alsof ik het nabije toch niet genoeg op waarde weet te schatten.

Het valt me op dat de auteur in interviews ook laag inzet, in ieder geval wel wat zichzelf betreft: ‘Literatuur neem ik heel serieus. Mezelf wat minder, maar literatuur wel. Het moet steeds beter worden, ik moet boven mijn macht blijven grijpen.’ Zijn relativering over een van de meest geladen begrippen van de afgelopen tijd, ‘identiteit’, past daarbij. Het ‘ik’ is volgens hem een verhaal dat in de loop van de tijd verandert. Hij noemt het grotendeels een constructie, in dienst van de dingen die je doet en voor je kiezen krijgt, en twijfelt eraan in hoeverre een soort harde kern ‘die je met recht een “ik” kan noemen’, wel echt bestaat. Deze twijfel weerspiegelt zich in de gedachten van het hoofdpersonage in Uit het leven van een hond, die geregeld wegdroomt over ‘het verhaal dat we zijn en dat we zo nu en dan zouden moeten herzien’. Zelfs denkt deze Henk (hoeveel inwisselbaarheid kun je in een naam stoppen) dat het goed zou zijn dit verhaal van het ‘ik’ eens een andere politieke kleur te geven, een andere huidskleur, een ander geslacht en een andere seksuele voorkeur, een ander geloof en een andere nationaliteit, ‘want is het niet een ontstellend gebrek aan fantasie om dat niet te doen, en zo de wereldvrede naderbij te brengen’.

Gebrek aan fantasie of iets wat je je moet kunnen veroorloven? Een opmerking die Zadie Smith maakte een paar jaar geleden, toen ze in De Balie in gesprek ging met Arnon Grunberg, is me altijd bijgebleven: ‘Je afvragen wie je bent is een luxe.’ De realiteit is immers dat anderen vaak aan één oogopslag genoeg denken te hebben om te weten wie je bent: zwart, joods, vrouw, oud, rijk.

De ironie wil altijd wat. In dit geval wilde de ironie dat toen bekend werd dat niet Uphoff maar Kollaard de Libris Literatuurprijs kreeg er een koor aanzwol van stemmen die het een schandaal vonden en de prijswinnaar vastpinden op zijn identiteit. Ik denk niet dat iemand in de jury dacht: een vrouw mag deze prijs hoe dan ook niet krijgen. Of dat er iemand tussen zat die dacht: een witte man van middelbare leeftijd moet deze prijs hoe dan ook krijgen. En toch werd dat het idee, dat Kollaard aan zijn geslacht en aan zijn gebrek aan kleur een grote literaire prijs te danken zou hebben, en zijn leeftijd was daarbij nog eens een extra hatelijk gegeven.

De schrijver zou een grote literaire prijs te danken hebben aan zijn geslacht

Bij de uitreiking van de Engelse Booker Prize dit jaar was iets soortgelijks aan de hand. ‘En weer wint een witte man’ luidde de kop boven een klein nieuwsbericht. Was er eindelijk eens een keer een shortlist waarop zowel kleur als vrouw de boventoon voerde, moest uitgerekend de enige witte man in het gezelschap er met de prijs vandoor gaan. Dat Douglas Stuart een Schot is, toch ook niet makkelijk, en een roman schreef over een homo, mocht kennelijk niet genoeg baten.

Ik ben niet de enige die woedend is. (Dit drie keer daags lachend uitspreken.)

Niet alles draait om jou, zegt mijn thuisfront.

Geërgerd bekijk ik de eindejaarslijstjes van beste boeken, ik sta er niet bij. Mijn collega: ‘Maar je hebt dit jaar helemaal geen boek uitgebracht.’

Ik, voor de spiegel, op mijn voorhoofd die andere Love Actually-quote: Enough, enough now.

—————

Ook verwarrend (maar gelukkig schijnt de herfstzon en ga ik straks wandelen met een begripvol iemand, de psychoanalytica der verlossing): mijn woede lijkt wel speciaal geprikkeld te worden door die van andere vrouwen. Hun commentaar dat loskomt op de Libris Literatuurprijs-winnaar is mij te simpel – hebben jullie het boek gelezen? – het berichtje over de Booker Prize schokt me, andere uitverkiezingen stemmen me wantrouwend. De schrijver, dichter, denker, is niet meer de schrijver van een interessant of ontzagwekkend boek, maar een man, een vrouw, een persoon van kleur, een mens van middelbare leeftijd. In plaats van dat sekse na alle feministische golven een minder bepalende factor is geworden, lijkt het of de vrouwenkaart met telkens meer verbetenheid en krampachtige trots getrokken wordt. Al die boeken in de boekhandel die moeiteloos ‘omdat ik vrouw ben’ als ondertitel zouden kunnen hebben, getuigen, om met Kollaards Henk te spreken, van een ontstellend gebrek aan fantasie.

Elena Ferrante levert voor The Guardian een lijst aan van haar veertig favoriete boeken, geschreven door vrouwen. Braaf verklaart een aantal mensen (m) zich op de sociale media bereid het komende jaar alleen maar boeken van deze lijst te gaan lezen (vrouwen hebben ze allemaal al dertig keer gelezen). WHY? Ik bedoel: waarom? Op mijn aller-passief-agressiefst slinger ik die vraag de ether in. Ik krijg zo’n onschuldig antwoord (‘lijken me mooie boeken’) dat ik me weer even schaam. Dit wordt wel erg de categorie ‘het is ook nooit goed of het deugt niet’. En toch. Zo’n lijst, van iemand die haar (zijn?) eigen identiteit graag in het ongewisse houdt, en die anno 2020 prachtige, onvergelijkbare literaire werken allereerst definieert als ‘door een vrouw geschreven’? Hoe oneindig veel sterker was het geweest om een lijst van veertig favoriete boeken samen te stellen waarvan er ‘toevallig’ 38 door vrouwen geschreven blijken, en dan nog eentje door Édouard Louis en eentje door James Baldwin.

Afgelopen voorjaar schreef Leslie Jamison in The New York Review of Books een essay naar aanleiding van een tentoonstelling in het MoMA, dat me vanaf zin één in het verkeerde keelgat schoot. ‘Mij werd verteld dat moederschap zou voelen alsof iets van je wordt afgenomen – tijd, slaap, vrijheid’, begint ze. ‘Maar in het begin voelde het meer als plotselinge en uitputtende overvloed.’ O god dacht ik, Leslie Jamison is moeder en we zullen het weten ook. Ik ben het essay pas weken nadien verder gaan lezen, nadat een collega me ervan overtuigde dat het ‘echt heel goed’ was. Toen zag ik pas dat haar confidentialiteit functioneel was, en dat de precieze observaties van haar directe omgeving samenvielen met het thema van de tentoonstelling die ze besprak, Private Lives Public Spaces. Ik ben zozeer opgegroeid met het idee dat je je directe sores moet loslaten om ‘echt’ iets betekenisvols te kunnen schrijven, dat ik het moeilijk heb met de trend om je vrouwelijkheid in heel haar ikkerige zelf voorop te plaatsen.

—————

Het is het derde schrikbeeld dat ’s nachts op de rand van mijn bed komt zitten, het spook van de vrouwelijkheid. Deborah Levy heeft het over dit spook in haar autobiografische trilogie waarvan de eerste twee delen dit jaar in vertaling uitkwamen, Dingen die ik niet wil weten en De prijs van het bestaan. Een illusie noemt ze dit spook, een waanidee, een maatschappelijke hallucinatie. Een uitgeput spook ook, dat aan het begin van de 21ste eeuw nog altijd rondwaart, opofferend, verdraagzaam, opgewekt lijdend, en vrouwen tot waanzin drijvend.

Misschien is het bij nader inzien Levy zelf wel die haar opwachting ’s nachts bij mij maakt, die me aantrekt en afstoot in niet helemaal gelijke mate. In haar boeken, zowel haar romans als haar autobiografie, vent ze iets uit wat laveert tussen woede (…), onzekerheid en verbetenheid. Haar schrijven wordt er letterlijk en bleekjes van. Ook bij haar, net als bij Leslie Jamison, zal het dagelijkse decor überfunctioneel zijn, en strijdvaardig ingezet bovendien, maar het blijven wel telkens die boodschappen die per fiets vervoerd moeten worden, het is die tot in den treure beschreven gang naar een rottig appartement, de vlucht naar het tuinhuisje waar misschien wél geschreven kan worden. Van de weeromstuit lijkt haar wereld naadloos over te lopen in die van Rachel Cusk, althans zoals ze die beschrijft in Aftermath, haar echtscheidingsboek. Het lijkt wel of ze elkaars buurvrouw zijn, allebei met twee dochters, verhuisd naar een onbehaaglijk deel van Londen, hun intrek genomen in een armoedig flatje waar de verwarming het niet doet, de kraan lekt, handige mannetjes komen en gaan, en waar het schrijvend ik weer helemaal opnieuw opgekweekt moet worden.

Niet dat dat alles zegt – liever niet – maar Deborah Levy is van hetzelfde geboortejaar als ik. Een witte vrouw van zekere leeftijd, zij het afkomstig uit Zuid-Afrika. Ze leest dezelfde schrijvers. Sterker nog: ze streept dezelfde passages aan. Het motto dat ze kiest voor De prijs van het bestaan komt uit Het materiële leven van Marguerite Duras: ‘Je bent zelf altijd onwerkelijker dan een ander.’ Een uitspraak van Duras die ik aanhaal in de opening van mijn laatste boek.

Levy gaat naar Mallorca om te schrijven, natuurlijk in de voetsporen van George Sand, been there done that. Wat ik hiermee wil zeggen? Niet zo veel. Behalve dat ik die colonne van vrouwelijke schrijvers haat. O, heb jij dat ook? Ja, dat heb ik ook. Allemaal op weg om dezelfde soep te bereiden. Hun receptuur steeds weer ontlenend aan Virginia Woolf. Die tot kalmte maant. Want het ergste wat een vrouwelijk schrijver volgens Woolf kan zijn – en ook die passage wordt door Levy aangehaald – is woedend. ‘Een vrouwelijk schrijver zou moeten schrijven als ze kalm is’, schrijft Woolf in A Room of One’s Own. ‘Als ze woedend is schrijft ze over zichzelf, terwijl ze over personages zou moeten schrijven. Ze is in oorlog met haar lot.’

—————

Op de dag van de wandeling is het nog net geen handschoenenweer. Mijn verlosser zit kalm een sigaret te roken op het trappetje van de IJsbreker aan de Amstel als ik kom aangefietst. Ze heeft een donsjack aan en stevige schoenen, haar gezicht is slim, sterk, ze straalt alles uit wat je wilt: een vertrouwenwekkend soort levenswijsheid, berusting en verzet tegelijkertijd, ernst en gein. We lopen richting Oosterpark, op weg ernaartoe vertel ik dat ik de laatste tijd vaker dan me lief is het speelpleintje van mijn jeugd voor me zie, waar ik eindeloos mijn figuren draaide op het klimrek, niet toestaand dat andere kinderen ook op het rek klommen. Mijn moeder, gealarmeerd door gekrijs, moest naar buiten komen om mijn vingers één voor één van het rek los te wrikken. En ik zeg dat ik er last van heb dat ik zo onhebbelijk ben en geïrriteerd, de hele dag aan het oordelen ben, ‘wie ben jij’, waarom moet ik jou lezen, horen, zien, dat het altijd dezelfde mensen zijn die je overal ziet, de wansmaak en het onvermogen regeren, dat ik bang ben een boos oog te hebben, en dat als ik alles ga opschrijven hoe het echt is, dat er dan niets overblijft, van niemand, en dat ik gewoon rustig om me heen wil kijken, genieten van wat ik mooi vind, en goed, verlost wil worden van mijn oordelende zelf, mijn gang wil gaan, onverstoorbaar wil zijn, niet in oorlog met mijn vrouwelijk lot. Ik praat maar door tot ze me zal onderbreken met iets van Freud, dat we onze kindertijd nooit echt te boven komen, dat we verlangende wezens zijn in een ongemakkelijke wereld, maar ik geloof niet dat ze ‘Freud’ zegt als ik even diep ademhaal, het lijkt meer op ‘meid’, en ze zucht, en zegt dat ik gelijk heb, dat het ook allemaal vreselijk is, vréselijk.