Essay: De pvda heeft een wereld te winnen

Verlos Samsom van de leiderscultus

Of Diederik Samsom slaagt als pvda-leider zal ook afhangen van zijn vermogen de partij te bevrijden van haar richtingloosheid. Als eerste moet Samsom daarom breken met de leiderscultus die de pvda al zo lang ideologisch verstikt.

Medium schermafbeelding 2013 09 02 om 13.37.07

Oud-chu-politicus Johan van Hulst, 101 inmiddels, bezocht in de jaren dertig af en toe ook een toogdag van de arp, al was het alleen maar om te ervaren dat de Christelijk-Historische Unie toch meer zijn habitat was. Hij hield aan die bijeenkomsten een grote aversie tegen Hendrik Colijn, de arp-leider, over. ‘Zoals die man door het publiek werd verafgood!’ herinnert Van Hulst zich. ‘Hij kwam altijd te laat op een vergadering waar hij moest spreken. Als-ie dan toch nog binnenkwam: applaus! Hij is gelukkig gekomen! De van God gegeven leider! Ik vond dat die zaal hysterisch was. Bij zijn vertrek zongen ze dan ook nog steevast: Dat ’s-Heeren zegen op u daal. Nou, nou.’

Van de negentiende-eeuwse anarchistische voorman Ferdinand Domela Nieuwenhuis gaat een ander verhaal over de blinde verering die het eigen volk voor ‘ús verlosser’ koesterde. ‘Moeder, daar is onze heiland!’ riep een man toen hij Domela Nieuwenhuis opendeed.

De verwachtingsvolle stemming rond politiek leiders is nu nog steeds herkenbaar, zoals het afgelopen weekeinde weer, op het congres dat de verkiezing van Diederik Samsom tot pvda-leider bekrachtigde. Vooral partijen in nood lijken geneigd alle heil en zegen te verwachten van de komst van een nieuwe leider, alsof de zorgen dan op slag voorbij zullen zijn, om vervolgens bij tegenvallend resultaat hem daarvoor verantwoordelijk te houden. Ook de opkomst en ondergang van Job Cohen als pvda-leider voltrok zich in deze sfeer van wispelturigheid. Binnengehaald als de verlosser uit Amsterdam kon hij na enkele tegenvallende tv-optredens geen goed meer doen.

De eerste valkuil die voor Samsom dreigt, is dat ook hij de dupe wordt van te hoog gespannen verwachtingen. De hoop op verlossing bij de komst van de ‘nieuwe leider’ leidt af van de richtingloosheid van de pvda. Het leiderschap van Cohen ging mank aan overtuigingskracht doordat de pvda zelf niet meer is verankerd in een principiële zienswijze op maatschappelijke tekorten. Na de mislukking van het ‘reëel bestaande socialisme’ in 1989 heeft de partij nagelaten het sociaal-democratische alternatief opnieuw te doordenken en is zij op dwaalsporen terechtgekomen, zoals de Derde Weg. In plaats van het politiek geladen leiderschap van Joop den Uyl heeft sinds de komst van Wim Kok in 1986 een bestuurlijk leiderschap gedomineerd. De pvda zocht sindsdien niet zozeer de tegenstellingen maar de overeenkomsten met de politieke concurrenten. Als een kameleon verkleurde de partij met de veranderende politieke ­omgeving mee, om een beeld van socioloog Jacques van Doorn te lenen.

Door die depolitisering verkeerde de partij permanent in onzekerheid over de vraag hoe de solidariteit vorm kan krijgen in de maatschappelijke verhoudingen van deze tijd, zonder alle idealen te grabbel te gooien. Daarbij boog ze nogal eens door in de richting van het zo zelfverzekerde liberalisme. ‘Er is geen naargeestiger schouwspel dan het commercievriendelijke geflikflooi in politieke kringen die nog kort geleden bol stonden van socialistische retoriek’, oordeelde Van Doorn sarcastisch. Wouter Bos noch Job Cohen slaagde erin deze kameleontische aanblik te corrigeren. Het ging te aarzelend, tastend, onzeker. Wellicht meer nog dan Cohens tekortschietende leiderschap verklaart dat dat de pvda in de peilingen niet profiteert van de crisis van het kapitalisme en de sp wel. Hoewel de sociaal-democraten een rijkere geschiedenis dan de radicaal socialisten hebben in de beteugeling van de economische en morele uitwassen van het kapitalisme slagen ze er niet in die erfenis om te munten in electoraal voordeel. Het verhaal dat de pvda de kiezers te vertellen heeft is fragmentarisch, weinig coherent en mist een gevoel van urgentie, zeker sinds zij zo relativerend spreekt over gelijkheid, het ideaal dat in de geboortepapieren van de sociaal-democratie met hoofdletters staat geschreven.

Daardoor ontbeert de partij nu een wervend alternatief, in een tijd waarin de ongelijkheid toeneemt en een bron van sociale ellende dreigt te vormen. Anders dan in de VS, waar de toenemende ongelijkheid in alle statistieken schrijnend zichtbaar is, geven de officiële cijfers over de inkomensverhoudingen hier geen beeld van toenemende verschillen. Maar dat is misleidend, nu bestaanszekerheid steeds meer een persoonlijke prestatie is, een kwestie van geld en macht, en steeds minder een vanzelfsprekend kenmerk van beschaving, een verworvenheid waarop mensen tot op zekere hoogte recht kunnen doen gelden ongeacht hun inkomen en opleiding. In dit opzicht hebben de woorden die Thijs Wöltgens ten tijde van de paarse coalitie sprak nog niets aan actualiteit ingeboet: ‘Het ­sociaal-democratisch project is niet voltooid, maar eerder in levensgevaar.’

De verkiezing van Diederik Samsom wijst erop dat de pvda door dit gevaar is wakkergeschud. Samsom is een activistische politicus die de tegenstander opzoekt, de strijd met hem aangaat en daarbij houvast zoekt in een geprofileerd politiek verhaal over rechtvaardigheid. Ook het project Van waarde, sociaal-democratie voor de 21ste eeuw, waarmee de Wiardi Beckman Stichting de ideologische inertie bestrijdt, en de verkiezing van Hans Spekman tot voorzitter, een politicus met een vanzelfsprekende intuïtie voor de waarden waarvoor de pvda staat, zijn tekenen van een corrigerende wending in de partij.

DE VOORGESCHIEDENIS maakt de noodzaak van zo’n wending duidelijk. Op zoek naar een verklaring waarom de pvda een ideologisch uitgewoonde indruk maakt, kan de trefzekere oneliner van Arie van der Zwan behulpzaam zijn: ‘Wat de pvda wil zijn, regeringspartij, lukt haar bij uitzondering en wat ze kan zijn, oppositiepartij, ambieert zij niet.’ Van Drees tot Cohen is de geschiedenis van de pvda getekend door een ‘regentenmentaliteit’, in de woorden van politicoloog Hans Daalder. Ook bij de keuze van een nieuwe politiek leider krijgt een goede bestuurder, iemand met wie de pvda in de regering het verhoopte succes kan boeken, al gauw de voorkeur boven een politicus bij wie het opponeren in de genen zit. Dat gold voor Job Cohen en dat gold ook voor Wim Kok, de fnv-bestuurder die enkele jaren voor zijn verkiezing tot pvda-leider een baanbrekend compromis met de werkgevers sloot over werkgelegenheid en bedrijfswinsten.

Joop den Uyl, als weinig anderen ingewijd in de eigenaardigheden van het bestel, had meer oog dan zijn opvolgers voor de innerlijke tegenstrijdigheid in het metier dat een Nederlandse politicus moet beheersen in de strijd om de macht. Om aanhang te mobiliseren, moet hij het onderscheid met andere partijen accentueren en scheidslijnen trekken. In dat opzicht is politiek altijd strijd om het goede beeld en het rake woord. Tegelijkertijd moet hij zijn kiezers tonen dat het bestuur bij zijn partij in veilige handen is. In die hoedanigheid dient hij coalities te vormen en tegenstellingen te overbruggen. Verbeeldingskracht en een trefzekere retoriek zijn dan eerder een belemmerende factor. Den Uyl maande daarom de hemelbestormers in de pvda nooit neer te kijken op de ‘schroefjesverdraaiers’ die het bestuur in Nederland domineren.

Job Cohen had moeite met deze dubbele rol. In de dwang tot regeren vaardigde de pvda met hem destijds een rasbestuurder naar Den Haag af, iemand die als burgemeester gewend was boven de partijen te staan en niet ertussen. Mede daardoor zal Cohen geen markant stempel op de politieke geschiedenis drukken. Een politicus ontwikkelt zo’n stempel door zich de politieke beginselen van zijn beweging eigen te maken en die overtuiging in politieke hartstocht om te zetten. Wim Kok, Wouter Bos en Job Cohen zullen zonder meer gemotiveerd zijn geweest door zo’n overtuiging, alleen maakten zij haar weinig zichtbaar of deden ze er bij gebrek aan politieke passie te veel concessies aan. Op het moment dat de politieke strijd in de campagne van 2006 volop ontbrandde, verklaarde Bos dat de essentie van zijn boodschap was: ’Nederland een tikkeltje tevredener en gelukkiger te willen maken.’ Typerend is ook deze uitspraak van tussenpaus Ad Melkert: ‘Ik zie niet in waarom ik bevlogen moet zijn.’

Hoewel Den Uyl zich als ‘zondige reformist’ bewust was van de onvermijdelijkheid van concessies contrasteerde zijn passionele politieke overtuiging nogal met dit soort lauwheid. Den Uyl kon vasthoudend zijn, als het moest tot midden in de nacht. Een bewaker van het Catshuis hoorde hem en zijn minister van Financiën Wim Duisenberg, ook zo’n doorsjouwer, nog wel eens tot het ochtendkrieken discussiëren, om hen ’s ochtends samen, gekleed op het kleine mahoniehouten bedje in Den Uyls werkkamer aan te treffen. Den Uyl putte de brandstof voor zijn politieke vuur ook uit zijn veertienjarig directeurschap van de Wiardi Beckman Stichting (1949-1963), in welke functie hij de ideologie van de naoorlogse sociaal-democratie formuleerde.

Heeft de pvda met Samsom een nieuwe Den Uyl gekozen? In sommige commentaren werd de vergelijking al getrokken. Anders dan Cohen, gepokt en gemazeld in universitair- en politiek-bestuurlijke functies, en oud-Shell-manager Bos is Samsom gevormd in meer opponerende rollen, eerst als actievoerder bij Greenpeace en daarna als Kamerlid. Meer dan zijn voorgangers lijkt Samsom zich ervan bewust dat politiek behalve nuanceren ook een kwestie van stelling nemen en positie kiezen is. Hij is onvermoeibaar en koestert sterke politieke overtuigingen, op het fanatieke af. In dat opzicht is de vergelijking met Den Uyl niet uit de lucht gegrepen.

Samsom beschikt bovendien over het politieke temperament om een zienswijze op de betekenis van de sociaal-democratie in de moderne tijd te verwoorden in retorisch pakkende beelden. Op het congres afgelopen zaterdag viel hij premier Rutte aan op de afbraak van de ‘maatschappelijke ladder’, het geheel aan voorzieningen in het onderwijs en de socia­le zorg dat mensen in staat stelt zich op te werken. Samsom: ‘Mensen zijn niet uit op hulp, niet van de overheid, laat staan van de pvda. De meeste mensen klimmen op eigen kracht langs de maatschappelijke ladder omhoog. Maar dan moet die ladder daar wel staan en goed worden onderhouden.’ Daarom moet de pvda ‘het herstel van de publieke zaak’ tot haar absolute prioriteit verheffen, zei hij. ‘De straat, de school en al die andere voorzieningen vormen de verheffende en verbindende kracht in Nederland. De agent, de onderwijzer en verpleger zijn onze geluksmachines. Die zet je niet uit, Mark. Die versterk je.’

HET IS NOG afwachten in hoeverre Samsom weerstand kan bieden aan de verleiding om de pvda in alle geledingen te willen beheersen. Onder het bewind van Wouter Bos raakte het partijleven lamgeslagen door de verstikkende leiderscultus die hij vestigde. In het cda, die andere volkspartij, handelde Jan Peter Balkenende niet anders. Tekenend is hoe het cda destijds in Den Haag werd geprezen als een ‘geoliede machine’, een gladjes lopende organisatie, bedreven in het spel om de macht, waarin de leider onomstreden was en bovendien geen wanklank viel te beluisteren. Wouter Bos verheelde niet hoezeer hij het cda hierom beneed. Evenmin als Balkenende zag hij een bezwaar in de inzet van beïnvloedingstactieken, machinaties en soms zelfs intimiderende praktijken om de schone schijn van een geoliede machine op te houden. Beide kampen opereerden volgens het motto van Balkenende’s fluisteraar Jack de Vries: ‘De pluspunten van het beleid zijn voor ons, de minpunten voor de anderen.’

Onder invloed van deze cynische moraal ontstond de leiderscultus in pvda en cda bijna als vanzelf. ‘Voor mensen die geen slavenziel hebben is die sfeer niet om te harden’, omschreef oud-fractiemedewerker Joop van Rijswijk de disciplineringsdrang in het cda. ‘Onder Balkenende keert het cda zich naar binnen, sluit zich af voor kritiek, is doof voor signalen vanuit de samenleving en houdt het doctrinair vast aan het eigen gelijk.’ In de pvda beschouwde Bos de partij, van de lagere regionen tot Tweede-Kamerfractie, als een monolithisch geheel ten dienste van hem. Dat ging onherroepelijk samen met een verregaande controledrift en kadaver­discipline. Politiek commentator Hans Goslinga somde de gevolgen als volgt op: ‘Een naar binnen gerichte houding van de Haagse politici, concentratie van macht bij enkelingen, gewroet van oncontro­leer­bare spindoctors, lakeiengedrag van Kamerleden en een buiging van politici voor de mediacratie, die eenzijdig de grote bekken selecteert.’

Tot de kern teruggebracht komt deze leiderscultus neer op een concentratie van de macht bij de Haagse binnenwereld, ten koste van de partijen als ledenorganisatie. Met een vooruitziende blik legde Bart Tromp tien jaar geleden de vinger bij dat fenomeen, ter verklaring van de crisisverschijnselen in de volkspartijen. Volgens hem staren de partijen zich blind op de eigen logica van ‘Den Haag’, waarin het al dan niet bewaren van de eenheid bepalend is voor winst of verlies. Onder die invloed zijn pvda en cda volgens hem getransformeerd in campagneorganisaties, strak geleid door beroepspolitici en een professionele staf, die het als een compliment beschouwen als de buitenwereld ze ziet als een ‘geoliede machine’.

De crisis van de volkspartijen komt dus doordat zij hun legitimatie in de politieke sfeer zelf zoeken en niet meer in hun banden met de maatschappij. Niet meer een wereldbeschouwing of een ideologie, oftewel een politiek verhaal over de wenselijke samenleving is bepalend voor hun handelen, maar het doel van ‘stemmenmaximilisatie’. In andere woorden geformuleerd, beschrijft Tromp dat transformatieproces als een omslag van een oriëntatie op waarden naar de instrumentele rationaliteit van de markt, waarin het formaat belangrijker is dan de inhoud.

Daarbij prevaleert het binnenhalen van zoveel mogelijk kiezers boven het nastreven van het politieke ideaal. Zo bezien is het verklaarbaar waarom vigerend cda-leider Maxime Verhagen het in de formatie van het kabinet-Rutte geen bezwaar vond gemene zaak te maken met een partij, de pvv, die de christen-democratische kernwaarde van de godsdienstvrijheid verwerpt. Voor het electorale perspectief van het cda achtte hij die keuze de beste en dat gaf de doorslag. Vanuit datzelfde perspectief (‘mensen stemmen niet op een partij die met zichzelf overhoop ligt’) verwijt hij partijgenoten die blijven opponeren tegen de samenwerking met de pvv dat zij de eenheid van het cda doorbreken. Die eenheidsdrang komt samen met het verlangen naar een sterke leider in Verhagens suggestie om de volgende cda-lijsttrekker door de leden te laten kiezen. Dit is zijn motief: ‘Zodra er iemand democratisch is gekozen, moet iedereen zich scharen achter de lijsttrekker en ontstaat automatisch eenheid.’

Met een gelijkluidende redenering beriep Wouter Bos zich destijds op zijn verkiezing door de leden om de pvda dirigistisch te leiden. Waar de schoen hier wringt, is dat volkspartijen per definitie geen eenheid kunnen zijn, simpelweg omdat het volk dat zij representeren geen eenheid is. Debat in het cda of de pvda komt niet voort uit een ‘hoogverheven moreel gelijk’, zoals Verhagen het ziet, maar is inherent aan het karakter van een volkspartij, met leden die actief zijn betrokken bij het proces van ideeënvorming. De beste biotoop voor volgzaamheid aan de leider en eenheid is een partij zonder leden, waarvoor Geert Wilders dan ook logischerwijze heeft gekozen.

DE LEIDERSCULTUS legt een molton deken over het politieke leven in de partijen. Onbevangen debat is niet meer mogelijk, waardoor de partijen in de versukkeling raken als plekken van ideeënvorming en ook aan belang inboeten als corrigerend mechanisme van de Haagse politici. De balans tussen macht en tegenmacht, essentieel voor elke vorm van democratie, raakt verstoord.

Door de heersende eenheids- en disciplineringsdwang zijn we het idee ontwend dat partijen woorden geven aan maatschappelijke conflicten en daarin richtinggevende keuzes maken, desnoods tegen de wens van de Haagse regionen in. Gebeurt dat laatste een keer, dan heet het in de perceptie van de partijtop en de media al gauw dat de eenheid verstoord is, de coalitie gevaar loopt, de leider de regie kwijt is. ‘Stabiliteit en risicomijding hebben prioriteit, ten koste van de ontwikkeling van een helder profiel en de noodzakelijke inhoudelijke discussie’, analyseerde een commissie onder leiding van Léon Frissen in 2010 de toestand in het cda. ‘De ruimte voor inhoudelijke vernieuwing wordt als mogelijke bedreiging van de eensgezindheid gezien.’

Deze conclusie geldt evenzeer voor de pvda, heeft ook Paul Kalma ondervonden als directeur van de Wiardi Beckman Stichting (1989-2006) en bovenal als Tweede-Kamerlid (2006-2010). De felheid waarmee fractieleiding en collega’s reageerden op alleen al de mogelijkheid van anders stemmen heeft van alle ervaringen als Kamerlid de meeste indruk op hem gemaakt, schrijft hij in zijn nieuwe boek Makke schapen. ‘Je steekt ons een mes in de rug’, werd hem eens toegebriest na het uitbrengen van een afwijkende stem.

Samsom moet nu lijn in de opstelling van de fractie zien te krijgen, hetgeen een zekere mate van discipline vergt, maar om leven in de partij te brengen moet hij zich tegelijkertijd hoeden voor controledwang en heerszucht. De fractie is allesbehalve eensgezind over de koers en de verhouding tot andere partijen. Schematisch gezegd gaat de keuze tussen de behoudend linkse koers van de sp en de links-libertaire van GroenLinks en D66. Die keuze vormde ook de achtergrond van de verkiezingscampagne voor het partijleiderschap de afgelopen weken. In deze omstandigheden wordt politiek meesterschap van Samsom gevergd. De nieuwe fractievoorzitter moet beide richtingen bijeenbrengen, zonder de zweep erover te leggen. Tegelijkertijd moet hij stelling nemen en positie kiezen met een politiek verhaal dat de pvda weer een doel in haar bestaan biedt.

De regentenmentaliteit, de leiderscultus en de ideologische inertie zijn specifieke factoren waardoor de pvda over dat doel in het duister lijkt te tasten. Ze heeft verloren aan herkenbaarheid en betekenis voor de kiezers. Op zich vertonen alle volkspartijen dat soort verschijnselen van politieke bloedarmoede en richtingloosheid. pvda, cda en vvd lijken zich geen raad te weten met de crisis in Europa, de politieke noch de economische, en ontberen vooralsnog een antwoord dat perspectief op een keer ten goede biedt. Tegenover het onrealistische verlangen van pvv en sp naar een wereld die teruggewonnen moet worden, blijven ze het alternatief schuldig van een wereld die te winnen valt. Verwonderlijk is dat niet, na zoveel jaren van voorspoed. Het politieke programma van pvda, cda en vvd staat of valt met een bestendige economische groei. Nu de groei decimeert, of zelfs omslaat in krimp, is het zoeken naar een wervend alternatief in tijden van economische tegenspoed. De partijen steken nu vooral veel politieke energie in een conservatieve reactie. Die komt erop neer dat als we alles nu maar zo’n beetje kunnen houden zoals het is, we het nog wel even met de bestaande systemen kunnen uitzingen. Meer een overlevingsstrategie dan een toekomstperspectief.

Toch wordt de pvda misschien nog iets harder getroffen door dat verschijnsel van richtingloosheid dan de electorale concurrenten. Hoezeer de sociaal-democratie ook afweek van het dictatoriale staatsdirigisme van de sovjetcommunisten, het is evident dat ook zij van slag raakte door de mislukking van het ‘reëel bestaande socialisme’ in 1989. Sindsdien legde de pvda meer en meer de nadruk op vrijheid als doel van haar politieke handelen en minder op gelijkheid, haar oude ideaal, dat door het communisme zo geperverteerd was geraakt. Daar waren op zich goede redenen voor. Niet zelden was het streven naar gelijkheid ten koste gegaan van persoonlijke vrijheid, door de staats­interventies en bureaucratische regels die het met zich meebracht. Gelijkheid baande zo de weg naar onvrijheid. De koersverlegging kwam in de pvda tot uitdrukking in het beginselmanifest van 2005. Op instigatie van Wouter Bos is daarin ‘gelijkheid’ als leidend ideaal geschrapt en vervangen door ‘vrijheid’. Het probleem anno 2012 is evenwel dat de vrijheid in het kapitalisme de oorzaak is van een toenemende ongelijkheid in kansen op bestaanszekerheid. Dat geldt zowel voor de Angelsaksische als voor de continentale variant van het kapitalisme, zeker nu door de Europese crisispolitiek het veiligheidsnet onder de Europeanen op tal van plaatsen openscheurt. Vrijheid baant zo de weg naar ongelijkheid.

Ongelijkheid is dus weer een hyperactueel thema. De politieke manoeuvreerkunst die wordt gevergd van sociaal-democraten is het verzet daartegen tot een politiek wapen om te smeden zónder te vervallen in vrijheidsbenemende staatsinterventies en overregulering. Ze kunnen daarbij teruggrijpen op het maatschappelijk contract dat de basis vormde van de naoorlogse sociale markteconomie. Met de crisis van de jaren dertig en de Tweede Wereldoorlog in het geheugen kreeg dat contract concreet vorm in talloze akkoorden tussen overheid, werkgevers en werknemers om allen eerlijk te laten delen in de welvaart. Hun stilzwijgende morele afspraak hield in dat niemand bovenmatig mocht profiteren van de lusten van de welvaart, noch zwaarder dan de anderen zuchten onder de lasten. Dat maakte de verschillen in de samenleving voor iedereen draaglijk. Dat principe van eerlijk delen van de lasten en de lusten heeft nog niets aan waarde ingeboet, ook niet nu de welvaart daalt en wellicht zelfs een langdurige terugval te wachten staat. In mindere tijden kan de politiek op grond van dat principe een beroep op iedereen doen een beetje in te schikken. Dat is ook van belang om de democratie meer bescherming te bieden tegen amok makende politici die zondebokken zoeken.

Méér gelijkheid kan dus opnieuw het leidende ideaal van de pvda worden, om zichzelf te verlossen van de richtingloosheid. Dat is de partij verschuldigd aan haar pretentie zowel sociaal als democratisch te zijn. In concreto verplicht dat ideaal de pvda tot waakzaamheid voor alle tekenen van een toenemende maatschappelijke apartheid, in de gedaante van ongelijke kansen op onderwijs, huisvesting, sociale zekerheid, werk. Daarom is het als retorisch beeld zo slecht nog niet wanneer Samsom het kabinetsbeleid vanwege de afbraak van ‘de maatschappelijke ladder’ als onfatsoenlijk hekelt.

Met een ideologische herbronning heeft de nieuwe leider van de pvda ook een grotere kans op succes dan zijn voorganger. Een tweede voorwaarde voor dat succes is dat de ledenorganisatie van de partij zich losschudt van Haagse kluisters en macht terugverovert op de beroepspolitici aan het Binnenhof. Zo kan de overspannen cultus rond de leider worden doorbroken. Ook dát is in het belang van de opvolger van Job Cohen.


Dit is een ingekorte versie van een artikel geschreven voor het maart­nummer van Socia­lisme en Democratie, dat volgende week verschijnt bij uitgeverij Boom

Beeld: Jerry Lampen / ANP