Verlossing

Het offer is de luxeverpakking van schuldgevoel. Onze schuld kan nimmer worden afbetaald. Soms kan ik bijna niet lopen door de schuld waar ik doorheen moet waden: ouders teleurgesteld, financieel verkeerde beslissingen genomen, een reeks scheidingen, ziekte door ongezond leven – rommel, geestelijke afval zit er ook bij, dat in de vuilniszak van je kop zit en je niet weg kunt gooien.

Tenzij je een offer brengt.

Tenzij je iets ‘goeds’ doet om alles wat je beroerd hebt gedaan gevoelsmatig in balans te brengen, zodat je weer even wat verder kan zonder last te hebben van dat schuldgevoel. Aan dat goede moet een zichtbaar lijden zitten en een ritueel dat je schuld verbeeldt.

Aan een offer is niks verheven. Het is een aflaat, een doekje voor het bloeden. Het is tonen hoe goed je bent. Je ziet bekende Nederlanders expres honger lijden in een glazen huis op een marktplein om geld in te zamelen voor iets nobels.

O, ze hebben zo’n honger! Ze weten niet of ze het volhouden hoor. Geef daarom geld! Zij offeren zich op, dus nu verwachten we een offer van u! Dan heeft hun lijden zin!

Want daar gaat het om. Dat het lijden zin heeft.

Maar de essentie van het lijden is dat het geen zin heeft. Het verdiept misschien je inzicht in het bestaan, in je lot, maar het maakt je bestaan niet minder tragisch.

Maar nee hoor. Tante Jo heeft kanker en daarom fietsen wij voor geld zeven keer de Mont Ventoux op en neer. Zie ons lijden voor het goede doel!

En ik doe eraan mee.

We kunnen niet zonder.

Geld is de ultieme vervanging voor het lijden. Meent men.

Ik kijk om me heen en zie het lijden der mensheid. In vergelijking met hen heb ik het altijd goed. Geef wat, dan kunnen we kleren voor ze kopen, of eten, of medische instrumenten, geneesmiddelen. Ik geef. Dan ben ik namelijk even verlost.

Tante Jo heeft kanker dus fietsen we de Mont Ventoux op en neer. Zie ons lijden!

Schuld, offer, verlossing – er zit systeem in, zou Gerard Reve zeggen.

Waarom wind ik me erover op?

Omdat het je werkelijke betrokkenheid in de weg zit.

Ik vind iets erg, geef wat geld, en ik ben er van af. Ik hoef de oorzaken van het lijden niet te onderzoeken. Ik demp mijn eigen angst.

‘Maar vind je ook niet dat er meer geld moet komen voor het onderzoek naar kanker?’

Ja, natuurlijk vind ik dat. En ik geef geld, heus. Maar het zint me niet dat daar een symbolisch lijden tegenover gesteld moet worden.

Ik geef geld. Zomaar. Niet omdat er een hardloopwedstrijd wordt georganiseerd.

Maar ja, mijn kleinkinderen doen ook met dit soort lijden mee. Voor het goede doel. Ze leren hun schuldgevoel af te kopen. Maar ze leren ook wat over onrechtvaardigheid of enge ziekten.

Ik ben nog van de kinderpostzegels. Je koopt iets leuks en de winst gaat naar een goed doel. Zo hoort het. Het is niet een echt offer. Het is de markt van vraag en aanbod.

Ik weet niet of kinderpostzegels nog bestaan. Niemand schrijft meer een brief en kinderen worden in huis gelokt door enge mannen en verkracht.

Omdat ik weet dat schuldgevoel eenvoudigweg niet verdwijnen kan, moet ik mijn mening over het offer misschien herzien. Moet ik reclame maken om te offeren? Zonder schuldgevoel was Bill Gates niet die grootste weldoener op aarde. Zonder schuldgevoel hadden we nooit zulke mooie musea gehad. Hoe meer kapitalisme, hoe meer schuldgevoel, hoe meer geld er aan liefdadigheid wordt ‘geschonken’.

Hoe meer religie ook.

De arme religieuze fanaat meent, door zijn leven te offeren, dat zijn eigen lijden verdwijnt, het lijden van de mensheid wordt verlicht omdat hij zijn God behaagt die graag wandelt over het pad der doden om zijn heilig doel te bereiken.