Verloving

Ook ik ben ooit verloofd geweest. Daarna volgde ik het traditionele pad dat bij een moderne burger past: trouwen, twee kinderen, huis, hond, ANWB-lidmaatschap, minnares en scheiding. Hoewel ik over dit rijtje geen enkele vorm van rekenschap aan wie dan ook hoef te geven, beken ik spontaan, in een nieuw elan van reinigende zelfkritiek, dat het die verloving is die me nog steeds nare dromen bezorgt.

Het was een vochtige oktoberavond in het jaar 1975. Het Nederlandse meisje had me verzekerd dat het in haar land meer dan gebruikelijk was om een stevige flirt met een verlovingssausje te overgieten. Ik koesterde toen nog een diep respect - ik was maar achttien en een tikkeltje naïef - voor de zeden en gewoonten van de autochtone bevolking. Maar snel begreep ik in welk wespennest ik was beland. Hoewel de avond nog jong was voelde ik me per seconde onwijs ouder worden. Onbekenden stapten op me af, feliciteerden me, gaven me wat meelijwekkende schouderklopjes en propten mijn armen vol pakjes. Uit een wanordelijk assortiment van kleurrijk pakpapier en kartonnen doosjes kwam een minutieus uitgestippelde levensloop te voorschijn: houten lepels, houten borden, sherryglazen, keukenmessen, kruidenrek, eierdopjes, Chinese kookboeken en drie washandjes uit de wereldwinkel.
Toen ik alles had uitgepakt, dronk ik in één lange slok een volle kan jus d'orange met cognac leeg en snakkend naar frisse lucht ging ik via de keukendeur ongemerkt naar buiten. Met onzekere tred bereikte ik het grasstrookje langs de sloot en plofte neer. Ik moet op die sponzige ondergrond een tijdje hebben doorgebracht. Af en toe rollend van het lachen, dan weer zittend met een betraand gezicht. Toen ik het huis waggelend weer binnenstapte, was het hele gezelschap muisstil en lag het kookgerei evenals de drie washandjes en het kruidenrek netjes uitgestald op de salontafel. Pas later begreep ik waarom al die verschrikte blikken op mij gericht waren: mijn kleren waren bespikkeld met vlekjes die naar eendepoep roken.
Nu ik die ongelukkige geschiedenis heb opgerakeld kan ik niet anders dan toegeven dat ik vanzelfsprekend bevooroordeeld, verbitterd en ranzig als een vergeten oude boterham in een plastic trommel naar het toneelstuk in de tuin van paleis Het Loo heb gekeken. Alleen al bij het horen van het woord ‘verloving’ daalt een rode sluier voor mijn ogen, stroomt het venijn door mijn aderen en voel ik me als in de darmen van een zwemvogel gevangen. Het is nog erger dan een overdosis psilocybine. Afgelopen weekeinde zag ik mijn tv-toestel plotsklaps de vorm van een anus aannemen en daarin zwommen kleine eendekeuteltjes, al dan niet met oranje mantelpakken of stropdassen getooid. En toen kreeg ik hetzelfde soort hemelse visioen dat een Barnett Newman-hater naar zijn stanleymes doet grijpen: houten lepels, washandjes, glazenonderleggers. Maar mijn tv-toestel, dat nooit een Cathedra heeft willen zijn, bleek goed bestand tegen de krassen van een oestermes.
Na van mijn razernijaanval te zijn bekomen, heb ik toch maar op het scherm, door de horizontale strepen heen, het vervolg van het tafereel gadegeslagen. Ik kneep en kneep nog eens in mijn vel om mij ervan te overtuigen dat ik niet naar de zender van een dwergstaat uit het Andesgebergte zat te kijken. Nee, dit was echt het acht uur-Journaal van een vijftien miljoen inwoners tellende democratie uit Noord-Europa. En waarmee opende het Journaal? Met de verloving van een medewerker van de luchthaven Schiphol met een employee van Albert Heijn!
De sleutel van deze waanzin lag verborgen in de naam van de luchthavenmedewerker: Maurits Willem Pieter Hendrik Prins van Oranje-Nassau van Vollenhoven. Een lid van het koninklijk huis weliswaar, maar met geen enkele kans de troon ooit te kunnen bestijgen. Althans zolang er geen tientallen extra tunnels met pilaren onder het IJ worden geboord en een half dozijn dronken chauffeurs met Prozacverslaving door de Oranjes in dienst wordt genomen. Maurits is de vijfde, ik herhaal de vijfde, in het rijtje voor de troonopvolging! 'Er zijn vier wachtenden voor u!’ schamperde ik, maar het bekraste toestel gaf geen krimp.
Ik moet opnieuw constateren hoe krom het er in het monarchale gidsland aan toegaat: er hoeft maar een vijfderangs prinsje op een zaterdagochtend even aan het schellekoord van zijn antichambre te trekken en de perslakeien rukken op. Zelfs aangespoelde potvissen maken geen kans meer op een Journaal-opening. Ineens is er van de kant van de RVD en zijn oppervoorlichter geen sprake meer van terughoudendheid. Eef Brouwers, in het dagelijks leven bewaker van geheimpjes rond nazidocumenten en Shell-aandelen, verandert in een gulzige pooier die met een vette knipoog naar de persfotografen, jonge mensen tot misplaatste intimiteiten aanzet ('Zeg, die zoen heb ik nog niet gezien’).
Geef mij dan toch maar liever die drie washandjes uit de wereldwinkel.