William Gaddis, Agape Agape

Vermaak als vader der technologie

Hoe laat de kunstenaar van zich horen in een entertainment-samenleving die de angel uit alle scherpe artistieke kritiek wil halen? De romans van William Gaddis zijn compromisloze aanklachten tegen de oppervlakkigheid en gemakzucht
van de wegwerpcultuur.

Een man ligt alleen in een ziekenhuiskamer, te midden van ongeordende stapels boeken, krantenknipsels en vellen vol aantekeningen voor zijn laatste boek. Dat moet niet alleen de geschiedenis van de pianola vertellen, het zal gaan over «de ineenstorting van alles, van betekenissen, van taal, van waarden, van kunst; overal wanorde en ontwrichting, entropie die alles aan het zicht onttrekt, amusement en technologie en iedere vierjarige met een computer, iedereen zijn eigen kunstenaar…»

Zijn huid voelt aan als perkament door het gebruik van prednison. Chirurgen hebben in hem gesneden. Een arm is paars van de bloeduitstortingen, een been is zeer onwillig en zit vol hechtingen. Hij gaat sterven, hij zal uit elkaar vallen. Zijn hart hapertýal. Hij hallucineert, het zijn malende en zich herhalende gedachten over kunst en kunstenaar, over orde en chaos, over originaliteit en plagiaat. De man is radeloos en klampt zich vast aan citaten van lievelingsauteurs als Flaubert, Dostojevski, Thomas Bernhard, Huizinga, Nietzsche en Benjamin om de chaos de baas te blijven, om nog één keer orde te scheppen in de ziekenhuiskamer waar hij niet levend meer uitkomt.

Dit lijkt op een beschrijving van een bestaanbaar Beckett-verhaal, maar ik heb het over het postuum verschenen Agape Agape van William Gaddis (1922-1998), een in oorsprong grote roman in kleine pilvorm. Tegelijkertijd verscheen een verzameling essays en gelegenheidsstukken, he Rush for Second Place. Daarin vinden we grote brokstukken terug van hetzelfde pianola-project en schrijft Gaddis hartstochtelijk over de terreur van de middelmaat in de VS, over Utopia-beelden in het huidige Amerika, over Saul Bellow en over de verwantschap tussen schrijven en religie.

William Gaddis is een zeer invloedrijk schrijver die slechts weinigen kennen. Hij is meer een writers’ writer. Laat ik het zo zeggen: achter de reguliere literatuurgeschiedenis schuilt vaak nóg een gecompliceerde historie der letteren, die het licht niet mag of kan aanschouwen omdat de marktwetten van het amusement dat eisen. In De kunst van het alleenzijn doet Jonathan Franzen er niet moeilijk over. Hij zegt met zoveel woorden dat hij met romans als Strong Motion en The Corrections schatplichtig is geweest aan Gaddis. Franzen citeert uit diens eerste roman, The Recognitions (1955) een artistieke houding die in Agape Agape voor het laatst wordt overdacht: «Wat willen ze van de man dat ze niet uit het werk hebben gehaald? Wat verwachten ze? Wat blijft er over als hij zijn werk af heeft, wat is elke kunstenaar anders dan de droesem van zijn werk, het hoopje mens dat het vergezelt?»

In Agape Agape is het een letterlijk hoopje mens waaruit de laatste wanhopige gedachten weglekken, in de hoop dat die gedachten beklijven in een wegwerpmaatschappij die niets moet hebben van zogenaamde elitaire en moeilijk schrijvende auteurs. De stervende man vol hechtingen woont in citaten die hem troost brengen. Hij koestert zich in de gedachten van anderen, hij wórdt die ander. Hij nestelt zich te elfder ure in een muzikale taal vol herhalingen zodat hij boven zichzelf uit kan stijgen. Hij weet wat muziek kan oproepen, hij heeft Tolstojs reutzersonateÄgelezen: «Muziek vervoert je en brengt je in een staat van zijn die niet die van jou is…» Muziek transformeert je in iemand «die meer kan doen», muziek biedt daardoor grenzeloze mogelijkheden.

Gaddis schreef niet alleen een kleine maar krachtige litanie van de onthechting, maar ook een verhaal dat krachtig tegen de tijdgeest indruist. Was het toeval dat het allereerste televisiebeeld dat in 1927, twee jaar voor de beurskrach, zestig seconden lang in Amerika werd vertoond, een dollarbiljet was? Het $-teken is oppermachtig en brengt buiksprekers, klonen en automaten voort. In de zogenaamde genivelleerde democratie is iedereen zijn eigen kunstenaar. Wie een pianola koopt, hoeft niet eens muziek te kunnen lezen. Je stopt er een papierrol vol gaatjes in en hij speelt ballroommuziek en populair klassiek. Gezellig.

Gaddis ziet in de pianola, die in de jaren twintig van de vorige eeuw razend populair was, de eerste technologische stap op weg naar de computerchips. De pianola als symbool van (muzikaal) analfabetisme. Anders gezegd: het amusement is de vader van alle technologie. De massa ligt op apegapen voor de tv omdat zij, zoals Johan Huizinga al schreef, een onlesbare dorst naar triviale recreatie en sensatie heeft.

Als echte kunst uit woede en wraak voortkomt — een van de visies die de stervende oude man in Agape Agape koestert — en als echte kunst gevaarlijk wil zijn en het gezellig samenzijn wil verstoren, hoe laat dan de kunstenaar van zich horen in een entertainment-samenleving die de angel uit alle scherpe artistieke kritiek wil halen? Gaddis laat zijn buikspreker, de oude man die de dood in de ogen ziet, steeds terugkomen op die schrijvers die weigerden concessies te doen. Flaubert bleef elitair. Wat had het in de ontluikende Franse democratie van de negentiende eeuw voor zin om het proletariaat te verheffen tot «het niveau van burgerlijke stupiditeit»? Bovendien bleef de massa verachtelijk. Wat deed het Amerikaanse volk met Melville? Bij leven negeerde het hem en strafte hem zo voor moeilijke boeken die veel en veel later meesterwerken bleken te zijn.

Wat te doen als kunstenaar als je de aandacht niet op je werk wilt vestigen via populaire charlatanerie? Een non-persoon worden? Langzaam wegkwijnen? De stervende man van William Gaddis behoudt in zijn krampachtige streven naar artistieke orde in de chaos van zijn ziekenhuiskamer iets religieus. Dat bijna mystieke resoneert in de titel van de novelle. Want wat is die agape die op apegapen ligt? Het is het Griekse woord dat de eerste liefdemalen belichaamt ter nagedachtenis van het Laatste Avondmaal met Jezus; het is een getuigenis van oude broederliefde. Alle Gaddis-personages zijn fanatiek op zoek naar die liefde die in de loop der eeuwen vervalst werd en gecorrumpeerd. Schrijven en geloof; in The Rush for Second Place schrijft Gaddis in het essay ‹Old Foes and New Faces›Ódat godsdienstijveraars in wezen een ander soort fictieschrijvers zijn: «We doen allemaal dezelfde soort zaken: het bedenken, ordenen en aan de man brengen van verzinsels die ons veilig door de nacht loodsen.»

William Gaddis’ romans lezen stuk voor stuk als compromisloze aanklachten tegen alle valse Messiassen die de middelmatigen onder ons inpalmen met verstrooiing en «infotainment», totdat we echt verstrooid zijn.

William Gaddis

Agape Agape

Uitg. Viking/Penguin, 113 blz., € 30,-

The Rush for Second Place: Essays and Occasional Writings

Uitg. Penguin, 188 blz., € 20,-