Simpelweg de koran verantwoordelijk stellen voor in naam van de islam begane gewelddaden is een primitieve reactie. De stelling dat het boek er niets mee te maken heeft, is echter al even simpel. Tijd voor een grondige, «naïeve» lezing van het heilige

Vermaning aan de mensheid

«In de naam van God, de erbarmer, de barmhartige. Lees voor in de naam van jouw Heer die heeft geschapen. Geschapen heeft Hij de mens uit een bloedklonter. Lees voor! Jouw Heer is de edelmoedigste, die onderwezen heeft met de pen. Hij heeft de mens onderwezen wat hij niet wist. Welnee, de mens is onbeschaamd, dat hij zich behoefteloos waant. Maar tot zijn Heer is de terugkeer.»

Aldus het eigenlijke begin van de koran, het eerste op Mohammed neergedaalde vers, thans echter het begin van soera 96. De 114 hoofdstukken van het heilige boek zijn gerangschikt naar lengte, niet naar de oorspronkelijke volgorde van openbaring. Dit stelt de lezer voor een keuze. Het is aanlokkelijk bij de oudste soera te beginnen en zo verder het boek op en neer door te springen. Dan ontvouwt zich een patroon dat onzichtbaar blijft voor wie van kaft tot kaft leest. Naarmate de tijd vorderde en Mohammed meer macht verwierf, werd zijn toon overmoediger en agressiever. De oudste soera’s zijn de geduldigste.

Het dilemma van de volgorde van lezing is onderdeel van een algemener probleem. Een historisch en antropologisch verantwoorde behandeling plaatst de koran in zijn tijd. Het is dan zinloos, zelfs licht ridicuul, om Mohammed ervan te beschuldigen dat hij de rechtsgelijkheid der geslachten miskende met opmerkingen als: «De mannen zijn zaakwaarnemers voor de vrouwen, omdat God de een boven de ander heeft bevoorrecht.» In het licht van hedendaagse normen is het verwijt gerechtvaardigd, maar de profeet verkondigde in de zevende eeuw. Wat kunnen we dan anders verwachten? In zekere zin doet juist een wetenschappelijke benadering de tekst echter onrecht. Zij miskent de pretenties ervan. Ik pleit voor een naïeve lezing van de koran, als Gods onfeilbare derde woord, de lezing die het meest in de geest van de ware gelovige is. Hier spreekt de Heer. Hem hoeven we niet in zijn tijd te plaatsen — we mogen dat zelfs niet. God kent geen tijd en spreekt voor alle tijden.

Deze god blijkt dan een merkwaardige, tirannieke persoon te zijn. De koran kan worden gelezen als één grote vermaning aan de mensheid, een waarschuwing voor de komende Dag des Oordeels. Voor de gelovigen en hen die zich deugdelijk hebben gedragen, zal er het paradijs zijn. In de tuinen van Eden hangen de vruchten voor het grijpen. Diverse rivieren stromen er onderdoor, sommige van water, andere van melk, wijn of honing. De gelukkige bewoners tooien zich met gouden armbanden en dragen groene zijde en goudbrokaat. Men slijt er de dagen achterover leunend op ruim beschaduwde ligbanken. Altijd jong blijvende jongelingen, die er als «rondgestrooide parels» uitzien, serveren bekers van zilver en kristal met een niet-benevelende helderwitte drank. En dan zijn er de «rein gemaakte echtgenotes» en maagdelijke «gezellinnen met afgewende blikken en met grote ogen, alsof zij goed bewaarde eieren zijn». Zij worden in tenten afgezonderd gehouden. «Dat is pas een goede beloning en het is een goede rustplaats!»

Heel anders zal het de ongelovigen en onrechtplegers — «brandstof voor het vuur» — vergaan. Zij zullen braden in de hel, een vuurkuil overschaduwd door zwarte rook en vonken spattend als gele kamelen. De ongelukkigen zullen er ook nog eens met ijzeren knuppels worden afgeranseld, en hun gezichten zijn zwartgeblakerd, als «bedekt met stukken van de duistere nacht». De verdoemden zijn in boeien aaneengeketend en gekleed in kleren van pek, geknipt uit vuur. En God zal niet aflaten. «Telkens als hun huid gaar gebakken is, vervangen Wij die door andere huid, opdat zij de bestraffing proeven. God is machtig en wijs.» In de hel eet men boomknoppen als satanskoppen, en te drinken is er slechts gloeiend etterwater dat de ingewanden stuksnijdt. Tussen de hel en de tuinen staat een gekanteelde muur. Nu en dan zullen de verdoemden de paradijsbewoners om hulp roepen, maar God zal onvermurwbaar zijn. Hoogstens krijgen de roependen nog wat «water als gesmolten metaal dat de gezichten roostert».

De vraag wie na de Dag tot de gelukkigen zal behoren en wie tot de eeuwig verdoemden, wordt door de koran in beginsel duidelijk beantwoord. Anachronistisch gesteld wordt voor een «katholieke» oplossing gekozen. Geloof en goede werken zijn beide van belang. In Mohammeds op de wereld gerichte godsdienst zou een «protestantse» keuze voor «geloof alleen» niet passend zijn geweest. Ook op een tweede vraag die het christendom altijd heeft gekweld — hoe verhoudt zich Gods almacht tot het bestaan van het kwaad? — heeft de koran een duidelijk antwoord: wegens niet nader verklaarde motieven brengt God zelf het kwaad in de wereld. Nog afgezien van het feit dat een eeuwige bestraffing voor tijdelijke overtredingen inherent onrechtvaardig lijkt, roept het boek hiermee de vraag op naar de rechtvaardiging van de bestraffing als zodanig.

Men kan zich niet aan de indruk onttrekken dat God een doortrapt spel speelt. «Zij die ongelovig zijn, voor hen maakt het niet uit of je hen waarschuwt of niet; zij geloven niet. God heeft hun harten en hun gehoor verzegeld en over hun ogen is een sluier; voor hen is er een geweldige bestraffing.» Hoe nu? God verzegelt de harten en vervolgens straft hij? Naar eigen zeggen is hij het die wie hij maar wenst tot dwaling brengt. Als hij het niet gewild had, waren er helemaal geen veelgodendienaren geweest. De hel zou leeg kunnen blijven. God speelt zijn kat-en-muisspel vooral met de verleiding van schittering en luisterrijke bezittingen. Zo bracht hij ook de farao in verzoeking. Een hoofdrol is weggelegd voor de satan, de djinn Iblies die weigerde voor Adam neer te buigen toen God hem dat beval. De Heer zond hem in woede weg, maar gaf hem toestemming de ongelovigen met «schone schijn» verder te misleiden.

Mohammed is tamelijk ondubbelzinnig over de religieuze regels en de voorschriften van het dagelijks leven die men moet volgen om later de tuinen te mogen betreden. Heilige boeken zijn voor meerdere interpretatie vatbaar, maar we kunnen er niet willekeurig alle kanten mee op. Wat de koran betreft, men moet zich in de nodige bochten wringen om er, bijvoorbeeld, het beginsel van rechts gelijkheid van man en vrouw of een pacifistische ethiek in te lezen.

Deze schrift is op de eerste plaats een autoritaire leer. «De godsdienst bij God is de Islaam», de overgave. In de praktijk betekende dit dat Mohammed, die door de ongelovigen voor een «bezeten dichter» werd uitgemaakt, onvoorwaardelijk gehoorzaamd moest worden. Al was de gezant dan zelf niet goddelijk, zijn openbaring was dat immers wel. «Wij horen en gehoorzamen», was wat hij van zijn volgelingen verwachtte. Hij stond erop dat «de profeet een nauwere band heeft met de gelovigen dan zij onderling hebben, en zijn echtgenotes zijn hun moeders». God had ook in het verleden telkens profeten gestuurd naar de verschillende volkeren, en bij ongehoorzaamheid hun steden vernietigd. De koran predikt een theocratische gemeenschap onder absoluut gezag. De vraag: «Hebben wij ook enige zeggenschap?» wordt negatief beantwoord: «God heeft de gehele zeggenschap.»

Deze schrift laat er verder geen misverstand over bestaan dat de moslimgemeenschap de heerschappij over alle godsdiensten toekomt. De gezant is met de «ware godsdienst» gezonden «om hem te laten zegevieren over de gehele godsdienst, ook al staat het de veelgodendienaars tegen». De strijd tegen de ongelovigen dient te worden voortgezet «tot er geen verzoeking meer is en de gehele godsdienst alleen God toebehoort». Dit betekent niet dat Mohammed een man van blinde, onvoorwaardelijke oorlog was. Zijn oorlogsijver werd door nuchterheid getemperd. Wie de gemeenschap aanviel, moest in elk geval met gelijke munt worden terugbetaald. «Doodt hen waar jullie hen aantreffen en verdrijft hen waarvandaan zij jullie verdreven hebben.» In zulke omstandigheden moest men niet aarzelen: «Verzoeking is erger dan te doden.»

Ook oorlog ter verbreiding van de macht van de islam was gewettigd, «doodt dan de veelgodendienaars waar jullie hen vinden, grijpt hen, belegert hen en wacht hen op in elke mogelijke nederlaag». Pas als ze zich zouden bekeren tot de islam was de strijd gestreden. Joden en christenen moesten echter slechts beoorlogd worden «totdat zij naar vermogen onderdanig de schatting betalen». Mohammed spoorde zijn strijders aan met de belofte dat wie sneuvelde tot God verzameld werd. Maar tegen wie zich onderwierp, werd de strijd gestaakt: «als zij ophouden, dan geen vergelding meer.» De profeet aarzelde niet te eisen: «roept niet op tot vrede wanneer jullie toch de overhand hebben», maar werd de islam vrede aangeboden, dan mocht deze niet worden afgeslagen: «als zij geneigd zijn tot vrede, wees daar dan ook toe geneigd».

De koran draagt de moslims op hun heerschappij te vestigen, maar kent toch geen eenduidige opdracht tot bekering onder dwang. God zelf bepaalt immers wie in hem gelooft. Gewelddadige bekeringscampagnes lijken daarom een vorm van blasfemie. Als de Heer het had gewild, «hadden wie er op aarde zijn allen geloofd. Of kun jij mensen dwingen gelovigen te worden?» Of God de veelgodendienaren het lot van gedwongen bekering werkelijk wilde besparen, is niet helemaal duidelijk, maar joden en christenen wordt in elk geval uitdrukkelijk verzekerd dat hun loon bij de Heer is en dat zij niets te vrezen hebben.

God toonde zich ondertussen buitengewoon bezorgd over de eenheid van zijn gemeenschap. Groepsvorming en haat tussen bekeerde stammen baarde hem immer zorgen. Hij sprak een duidelijk verbod op doden uit: «wie iemand doodt, anders dan voor doodslag of verderf zaaien op de aarde, is alsof hij de mensen gezamenlijk heeft gedood». Anders dan in de oorlog mocht ook de ongelovige niet worden gedood. Doch een zekere xenofobie was de Heer niet vreemd. Zij die met Mohammed waren, waren «streng tegen de ongelovigen, maar onderling barmhartig». Om de gemeenschap niet te laten verwateren, waren huwelijken met ongelovigen verboden, en het werd sterk afgeraden vertrouwelingen buiten eigen kring te nemen, «zij zullen niet nalaten jullie verderfelijke schade te berokkenen».

God organiseerde zijn moslimgemeenschap volgens het premoderne beginsel van rechtsongelijkheid. Niet alleen wordt de slavernij aanvaard, mannen en vrouwen zijn verschillend in rechten: «de mannen hebben een positie boven haar». Deugdzame vrouwen zijn «onderdanig»; het recept bij ongezeglijkheid is dit: «vermaant haar, laat haar alleen in de rustplaatsen en slaat haar». Een man mag vier vrouwen trouwen. Omgekeerd is dit niet het geval. Een mannelijke getuige geldt als twee vrouwelijke, zijn erfaandeel is het dubbele van het hare. De «jullie» waarmee de koran de lezer toespreekt, zijn trouwens de mannen: «Jullie vrouwen zijn een akker voor jullie. Komt dan tot jullie akker hoe jullie willen.» Voor de vrouw gelden verder bijzondere kledingvoorschriften. Zij moeten sluiers over hun boezem dragen en iets van hun overkleding over zich heen naar beneden laten hangen, zodat ze niet lastig worden gevallen.

Mohammed was voorstander van patriarchale heerschappij over de vrouw, maar hij was tegen willekeur en onmatigheid. Hij eiste van zijn mannelijke volgelingen een binnen de regels van het systeem fatsoenlijke behandeling van hun vrouwen. Een man mag een vrouw niet afnemen wat hij haar ooit gaf; hij mag haar niet redeloos treiteren; hij moet haar in redelijkheid van kleding en onderhoud voorzien en mag haar niet zomaar uit huis zetten; een vrouw die een «gruweldaad» heeft begaan, verdient huisarrest tot de dood erop volgt, maar als zij berouw heeft en haar man opnieuw gehoorzaamt, moet hij vriendelijk met haar omgaan en mag haar niet langer straffen.

Deze toon typeert de koran. De bestraffing is wreed. Wie tegen de islam ten strijde trekt, kan worden verbannen maar ook gekruisigd, of zijn handen en voeten worden afgehakt. Ook de dief verliest zijn hand. Overspeligen krijgen honderd geselslagen. Op valse beschuldiging staan er tachtig. Maar daartegenover staat de vrijgevigheid: «geeft aan de verwanten, de wezen, de behoeftigen, aan hem die onderweg is, aan de bedelaars en voor de vrijkoop van slaven». Geef juist dat wat je liefhebt. In het verborgene geven aan de armen is het beste — God ziet het wel. Verleen een schuldenaar in moeilijkheden kwijtschelding. Bestraffing is goed, maar kwaad met goed vergelden is beter. «Dan zal hij, tussen wie en jou vijandschap was, zijn als een boezemvriend.» Benadeling van zwakken, weduwen en wezen is uit den boze. «Of het nu om een rijke of om een arme gaat, God staat hen beiden zeer na. Volgt dus niet je geneigdheid om niet rechtvaardig te zijn.»

God legt trouwens dezelfde coulantheid aan de dag die hij van zijn gelovigen verwacht. De door hem gestelde beperkende regels gelden niet onbeperkt. Hij neemt het een gelovige die onder dwang varkensvlees eet niet kwalijk. De vasten gelden niet voor de zieke en de reiziger. «God wenst het jullie gemakkelijk te maken en niet moeilijk.» Hij legt «niemand meer op dan hij kan dragen». Zo toont de Heer zich, despotisch als hij onmiskenbaar is, toch ook van een redelijke kant.

Debatten over de islam vertonen al sinds jaar en dag eenzelfde structuur. Men stelt zich de vraag of onaangename fenomenen zoals achterstelling van vrouwen en meisjes of terroristisch fanatisme toegeschreven moeten worden aan de aard van deze godsdienst als zodanig dan wel aan specifieke culturele of sociaal-economische omstandigheden. Goedbedoelde maar daarom niet minder curieuze vooroordelen vertroebelen hier het zicht. Om te beginnen lijkt in onze cultuur het respect voor religies soms ongerechtvaardigd groot. Er bestaat een hardnekkig misverstand dat de fundamentele boodschap van alle wereldgodsdiensten dezelfde is, en dat deze bestaat uit een pakket universele menselijke waarden zoals naastenliefde en mededogen. Door gelovigen begane ellende kan dus a priori niets met de heilige boeken te maken hebben. De religieuze stichters — Mozes, Boeddha, Confucius, Jezus, Mohammed — waren lovenswaardige weldoeners; de ellende komt voort uit «wat de mensen ervan gemaakt hebben».

Dit model valt echter al bij oppervlakkige lezing van de veel geprezen heilige geschriften in gruzelementen. Naastenliefde en mededogen treffen we er zeker in overvloed aan, ze vormen een voorname component van de boodschap. Maar daarnaast vinden we er haat, verschrikking en onverdraagzaamheid. Voor het omgekeerde model is misschien nog wel meer te zeggen: de grote godsdienststichters waren veelal verblinde fanatici. Hun volgelingen, «de mensen», hebben vaak een grotere redelijkheid en meer ethisch besef aan de dag gelegd dan zij.

De tweede hypothese die het zicht op de zaak fataal verduistert (en die overigens botst met het model van de universele liefdesboodschap) is die van de mogelijkheid van ongelimiteerde interpretatie. Men zou met de heilige boeken alle kanten op kunnen, zij hebben eigenlijk helemaal geen vaste boodschap, zijn te interpreteren naar wens. Bijgevolg zijn door gelovigen begane wandaden opnieuw a priori slechts resultaat van hun eigen intenties. Het boek zelf staat er per definitie buiten, want bestaat als het ware niet. Ook dit lijkt echter moeilijk houdbaar. Heilige teksten zijn notoir duister en voor vele interpretaties vatbaar — maar niet voor alle. De ene interpretatie is plausibeler dan de andere, en vele zijn zelfs onhoudbaar.

In nuchterheid moet men concluderen dat de koran veel bevat ten gunste van de vrouw. Mohammed eist een fatsoenlijke behandeling van vrouwen door zijn mannelijke volgelingen, en hij doet dat nadrukkelijk en herhaaldelijk. Maar een interpretatie als zou hij man en vrouw gelijke rechten toekennen is, excusez le mot, flauwekul. De koran decreteert dat de man boven de vrouw staat. Men moet ook erkennen dat dit heilige boek het doden van ongelovigen buiten de oorlog nadrukkelijk verbiedt. Het geeft geen aanknopingspunt voor random killing. De gelovigen hebben geen vrijbrief om naar willekeur burgers in de wereld der ongelovigen te doden. Mohammed schrijft voor dat ongelovigen die zich buigen en de islam als dominante macht aanvaarden met respect behandeld dienen te worden, vergevingsgezind, en dat vrede hun deel is. Maar het is niet te ontkennen dat de islam volgens diezelfde koran naar dominantie streeft, en dat oorlog hierin een belangrijk middel is.

De stelling dat de islamitische terreur die de wereld thans teistert regelrecht voortvloeit uit de leer van de islam is even aanvechtbaar als het katholicisme verantwoordelijk te houden voor IRA-bomaanslagen. Het is even kort door de bocht als de verantwoordelijkheid voor Stalins terechtstelling van zevenhonderdduizend mensen in 1937-38 in Das Kapital te lezen. Toch lijkt het verstandig om, daar waar gruweldaden worden bedreven in naam van een ideologie, die ideologie niet bij voorbaat vrij te pleiten van een zekere medeverantwoordelijkheid. Naast talloze andere factoren spelen ongetwijfeld ook de oorlogszuchtige aspecten van de koran een belangrijke motiverende rol bij de terreurbendes die zich op dit boek beroepen. Simpelweg de koran verantwoordelijk stellen voor in naam van de islam begane gewelddaden is een primitieve reactie, maar de stelling dat het boek er niets mee te maken heeft, is al even simpel.

De Koran-citaten zijn afkomstig uit de vertaling van Fred Leemhuis (1989).