70 jaar Holland Festival: Martin van Amerongen over de verwaarlozing van Matthijs Vermeulen

Vermeulen herleeft

Matthijs Vermeulen was zijn leven lang zowel de beste muziekcriticus als de beste componist van Nederland. Het eerste werd zelfs in de kringen van zijn tegenstanders toegegeven. Het tweede weten slechts weinigen, want zijn oeuvre weet zelden of nooit tot de concertzaal door te dringen. Wie heeft er ooit een van zijn zeven symfonieën gehoord? Reinbert de Leeuw sprak reeds in 1967 (in De Gids) over een proeve van ‘schandelijke verwaarlozing’ van ‘de zonder twijfel belangrijkste symfonische werken die er in Nederland in de eerste helft van deze eeuw geschreven zijn’.

Het is de schuld van de kleinzielige Willem Mengelberg, die de criticus en componist niet kon scheiden en de voorkeur gaf aan Cornelis Dopper, een kunstenaar die inmiddels zelfs door de bewoners van de Cornelis Dopperkade is vergeten.

Het verhaal is verteld door Vermeulen zelf, op 2 november 1967 in De Groene Amsterdammer. ‘Mijn Eerste Symfonie, vandaag nog geldige muziek: 50 jaar vertraging. Een halve eeuw! Mijn Tweede, nog geldige muziek vandaag: 36 jaar achterstand; mijn Derde, vandaag nog actueel, uitgevoerd na 18 jaar wachten.’ In afwezigheid, tragisch genoeg, van de componist, die aan een ‘barre ziekte’ leed, waaraan hij een half jaar later zou sterven.

Het was een prachtig artikel, in de beste Vermeulen-traditie, waarmee niettemin iets vreemds aan de hand was. Want het keerde zich tegen die andere muziekvernieuwers, de Notenkrakers, die hadden beweerd dat onder de voornoemde Mengelberg méér eigentijdse muziek werd gespeeld dan onder zijn opvolgers Van Beinum en Haitink. Hadden zij dan geen gelijk? Nee, zei Vermeulen, zelf nota bene de meest verwaarloosde van al zijn collega’s. En verder waren de betrokken jongelui - Peter Schat, Jan van Vlijmen, Reinbert de Leeuw, Louis Andriessen en Misja Mengelberg - de verkeerde advocaten ener op zich goede zaak. ‘Het zou me geen seconde verwonderen’, schreef Vermeulen, ‘wanneer over minder dan vijf jaren zonneklaar zal blijken dat “de jonge componisten”, met hun excessen, excentriciteiten, piasserijen, clownerieën en alle overige humbug, hun muziek op een dood spoor gebracht hebben vanwaar geen terugkeer noch andere uitweg bestaat.’

Medium hf 03

Het was een verkeerde premisse, gekoppeld (naar wij inmiddels weten) aan een verkeerde voorspelling. De Notenkrakers, die in Vermeulen een bondgenoot veronderstelden, reageerden met geschrokken noblesse. ‘Cher Maître’, schreef Schat, ‘natuurlijk spijt het mij dat u niet aan onze kant staat in de door ons aanhangig gemaakte kwestie. Wij hadden zo'n reactie van u ook niet verwacht. Maar nog meer betreuren wij het dat wij op dit moment niet met u hierover van gedachten kunnen wisselen. Ik heb er niettemin sinds lang behoefte aan u te zeggen dat alles wat u in partituur en op schrift gebracht hebt voor mij en mijn vrienden een blijvende inspiratiebron is.’

Het werd vervolgens iets minder stil rond Matthijs Vermeulen, al bleef de uitvoering van een stuk kamermuziek, laat staan een symfonie, een zeldzaamheid. Totdat Notenkraker Jan van Vlijmen, inmiddels eerzaam vergrijsd, besloot een daad te stellen door in zijn (laatste) Holland Festival het Verzameld Werk te programmeren, van de Eerste Cellosonate tot en met de Zevende Symfonie.


In het Holland Festival brengt een keur aan uitvoerenden het oeuvre van Matthijs Vermeulen ten gehore. Inlichtingen en reserveringen: AUB-Uitlijn, tel. 020-6211211.