Vermoeide grimlachjes

E.M. Cioran (8 april 1911) wordt geboren in Transsylvanisch Roemenie (toen Oostenrijk-Hongarije) als zoon van een Grieks-orthodoxe priester. De jonge Emil gaat filosofie studeren in Boekarest en maakt kennis met onder anderen Mircea Eliade en Eugene Ionesco. Net twintig debuteert hij als een Rimbaud in de filosofie met het wanhopige maar lyrische Per culmile disperarii (Op de toppen van de wanhoop).

Het zijn felle filosofische scheldstukken over alle denkbare levens beschouwelijke onderwerpen. Het boek, een afrekening met de pretenties van de filosofie, slaat in als een bom. In zijn meteen daaropvolgende boek Lacrimi si sfinti (Tranen en heiligen) rekent de priesterzoon af met het geloof, en daarmee met zijn ouderlijk milieu en zijn afkomst.
Enkele jaren later verdwijnt hij naar Parijs om er aan een doctoraal-onderzoek te werken, maar door zijn onrust en slapeloosheid komt het er niet van. Pas na tien jaar, in 1947, begint hij van voren af aan - maar net zo heftig - in het Frans. Het boek Precis de decomposition (Leer van de ontbinding) herschrijft hij tot viermaal toe. Want Cioran, bewonderaar van bijvoorbeeld Baudelaire en moralisten als La Roche Foucauld, heeft de stijl ontdekt, de kunst van het schrijven. Hij krijgt dan ook verscheidene prestigieuze prijzen toegekend die hij, een consequentie van zijn levenshouding, stuk voor stuk en zonder veel ophef weigert. Frankrijk zal hij overigens niet meer verlaten. Hij verhuist alleen nog van zijn zolderkamer in het vijfde naar net zo'n benauwde woning in het zesde Parijse arrondissement.
Als een van de weinige naoorlogse filosofen hangt hij, zeker waar het de schrijfkunst betreft, het primaat van de emotie aan. Want ‘men is altijd ongestraft filosoof’ maar 'de waarheden van het temperament moeten op de een of andere manier betaald worden’. Tegelijkertijd haakt Cioran steeds meer naar een absoluut en dus onbereikbaar scepticisme. Zijn taalgebruik wordt steeds aforistischer en krijgt steeds meer het karakter van vermoeide grimlachjes. Want: 'Wat ik op mijn zestigste weet, wist ik al op mijn twintigste. Gedurende veertig jaar niets dan een langdurige, overbodige controle…’