Vermoeiende goethe

Het probleem van Faust II van Goethe is dat we midden in een onderbroken nachtmerrie donderen. De kamergeleerde Faust (die voor van alles heeft doorgeleerd, maar is vergeten om zich heen te kijken) werd door de duivel en God in een weddenschap gemanipuleerd: God gokt op de zuivere inborst van de doctor, de duivel wil zijn ziel. Dat leidt tot een vervelende geschiedenis met een vrouw in deel een. Als het publiek binnenkomt voor Faust II ontwaakt de antiheld uit deze boze droom en belandt hij in een serie andere dromen, waarin keizers, mythologische heldinnen, gekloonde non-personen en nepkinderen figureren. Aan het eind van zijn zwerftocht - voortdurend op de huid gezeten door duivel Mefisto - wil Faust nog maar één ding: meester worden over de oerelementen. In dat gevecht vindt hij de dood. En Mefisto mist op een haar na zijn ziel, die door engelen naar de hemel wordt gevoerd.

Ik heb vaak gedacht dat het Duitse equivalent voor de Nederlandse volkswijsheid ‘dat slaat als een tang op een varken’ niet voor niets luidt: 'das paβt wie die Faust aufs Auge’, een bevestiging van mijn aanhoudende weerzin tegen dit ruim twaalfduizend versregels tellende theatrale onding. Het is alweer dertien jaar geleden dat Hans Croiset de complete Faust tot een toneelavond probeerde te bewerken, bij Toneelgroep De Appel, met Eric Schneider in de titelrol en (wijlen) Guido de Moor als een fantastische Mefisto. De Vlaamse regisseur Guy Cassiers doet hem dat huzarenstuk dit seizoen na: Faust I ging enkele maanden geleden als zwaar ingedikt hightech-spektakel in première bij Het Zuidelijk Toneel, Faust II regisseerde Cassiers bij ’t Barre Land. Die combinatie heeft wel wat: de loodzware en moralistische eerste aflevering bij een dik gesubsidieerde club, het veel lichter geschreven, erop los fantaserende tweede deel bij een jonge groep Sturm und Drang-toneelspelers.
De groep ’t Barre Land wordt in kritieken vaak vergeleken met hun toneelvaders en -moeders, vooral die van Maatschappij Discordia. Dat is onzin. Ze hebben ongetwijfeld veel van die vaders en moeders geleerd, maar zijn ondertussen 'op zichzelf gaan wonen’, ze hebben een eigen smoel ontwikkeld, een theatrale schriftuur. Behalve het hoe van hun idioom (een losse manier van spelen, een nagenoeg kale toneelvloer, een zorgvuldige tekstbehandeling binnen een eigenzinnige bewerking, en een stel geestige knaleffecten) bestaat die signatuur vooral uit het wat. De spelers van ’t Barre Land zijn bovenmatig geïnteresseerd in figuren die klem worden gezet en in die klem extreme keuzen maken. Het zijn niet zozeer de keuzen zelf die de groep centraal stelt, het is de beweging in de richting van die keuzen. Ze laten katten zien die in het nauw rare sprongen maken. En als het allemaal voorbij is en het verlangen naar rust heel groot is geworden, demonstreren ze het bereiken van die rust met een weldadige en bewonderenswaardig kalme manier van een verhaal tot een eind brengen. Ik werd bij Faust II af en toe doodmoe van de over elkaar tuimelende plot- en verhaallijnen van de heer Goethe. En ik moest onbedaarlijk lachen om de carnavaleske keizer met zijn bende idioten, of om de door jongens verbeelde dames die minutenlang hun tepels kneden tot het wulpse borsten leken.
Gedoe? Nee! Bij ’t Barre land leiden alle omzwervingen ergens toe. Het was of deze spelerstroep me wilde zeggen: kijk, híerom is het die schrijver altijd te doen geweest. En dan heb ik het over het sterven van Faust en de misgreep van Mefisto aan het eind. Bij die slotscènes, bij die hakkelend uitgesproken woorden, moest ik huilen. Triomf voor de bewerking. Triomf ook voor de toneelspelers, voor dit hele theatrale avontuur trouwens, voor deze prachtige voorstelling.
± Een sterke tekst, een mooie vertaling, een flauwe enscenering die doet denken aan een brok nichtentoneel van dertig jaar geleden: Ik heb ’t met hem gedaan, heftige en pijnlijke confrontaties tussen flikkers in de schaduw van De Zwarte Homodood. Een productie van het Noord Nederlands Toneel, op tournee t/m 2 mei. Info: 050-3113399.