Economie

Vermogen of verdienste?

Vroeger zeiden we dat in Nederland alles vijftig jaar later gebeurt, maar dat verandert. Met een vertraging van slechts enkele jaren heeft de discussie over groeiende ongelijkheid ons land bereikt. Door boeken als The Price of Inequality (2012) van Stiglitz, Capital van Piketty (2014) en Global Inequality van Milanovic vorig jaar staat het thema al enkele jaren op de internationale agenda.

In Nederland reageren we vooral met ontsteltenis over de boze buitenwereld en tevredenheid over eigen land. De Gini-coëfficiënt voor besteedbare inkomens, die gemeten wordt op een schaal tussen de uitersten 0 (iedereen verdient evenveel) en 1 (één persoon krijgt al het inkomen), is hier met een waarde van 0,28 relatief laag, en bovendien stabiel. Zo zien we onze samenleving graag: rijk, maar rechtvaardig. Beleid ten aanzien van ongelijkheid wordt door de vvd weggezet als onnodig. Halbe Zijlstra verklaarde onlangs dat hij wel klaar is met nivelleren.

Toch is er reden te geloven dat de ongelijkheid in Nederland juist uitzonderlijk groot is. Van vermogen, welteverstaan, niet van inkomens. De Gini-coëfficiënt voor vermogen is volgens het CPB 0,90 in Nederland – hoger dan in de VS, en stijgend. Alman Metten van de Universiteit van Amsterdam becijferde dat het vermogen van Nederlandse miljonairs (twee procent van alle huishoudens) 25 maal zo groot is als het vermogen van de onderste helft van de huishoudens. Drie jaar geleden was dat nog veertien maal zo groot. Wat telt zwaarder, vraagt Metten, voor de economische veiligheid van jou en je gezin, en voor je kansen in de samenleving: inkomen, dat iedere maand weer verdiend moet worden, en dat wegvalt bij ziekte of overlijden? Of vermogen, dat bezit is en dus wettelijk beschermd, wat er ook gebeurt? Willen we een maatstaf voor de gelijkheid in economische positie, dan is de huidige praktijk om alleen naar inkomen en helemaal niet naar vermogen te kijken op z’n minst vreemd te noemen.

Een voordeeltje van bijna twee tonper miljonairs­huishouden

Daarbij is de werkelijke inkomensongelijkheid groter dan we in de statistieken terugzien, juist bij grote vermogensongelijkheid. Het gerapporteerde inkomen uit kapitaal is niet gebaseerd op echte waarnemingen, maar wordt geschat met een fictief rendement. De rijksten, die veel beleggen, verdienden de afgelopen jaren doorgaans meer dan het fictieve rendement op hun beleggingen en werden te licht belast. De rest juist minder, vanwege dalende huizenprijzen en sparen tegen nulrentes, en zij werden dus te hoog belast. MiIjonairs genoten, volgens Metten, over 2011-2013 een rendement van ruim 68 miljard op hun vermogen van 949 miljard, maar betaalden slechts belasting over 38 miljard. Een voordeeltje van bijna twee ton per miljonairshuishouden, dat niet belast is en niet als inkomen is geregistreerd. Voor de onderste helft van vermogensbezitters werkt het andersom. Zij verloren 6,4 miljard aan vermogen én moesten vier procent belasting betalen over 2,5 miljard fictief rendement, die de fiscus hen toedichtte. Hoe schever de vermogensverdeling, hoe meer dus de werkelijke verschillen in inkomen verdoezeld worden.

Bovendien: veel vermogen geeft ook veel vermogenswinst van je vastgoed, aandelen, obligaties en ander bezit. Omdat vermogenswinst geen inkomen is, wordt het niet meegenomen in die lage Gini-coëfficiënt van inkomensongelijkheid. Maar de waarde van bezit stijgt op de langere termijn gewoon mee met de economische groei, en is dus een grote bron van koopkracht – voor wie het heeft. De ongelijkheid in besteedbaar inkomen is misschien klein in Nederland; de ongelijkheid in besteedbaar vermogen plus inkomen is dat niet.

Dus waar willen we naar kijken als we het over ongelijkheid hebben? De scheve en schever wordende verdeling in bezit, of de veel gelijkere en stabiele verdeling van beloning? Vermogen of verdienste: dat is de kwestie, vrij naar Shakespeare. In het debat gaat het altijd over de inkomens. Daarom is Nederland vooralsnog heel tevreden met zichzelf, zelfs te midden van toenemende zorg in het internationale debat. Een prettig gevoel, dat ik herken van de kredietcrisis in 2007. We praatten toen hoofdschuddend over Amerikaanse toestanden in het bankwezen waar onze solide banken gelukkig verre van bleven. Wat hadden we het mis. Een jaar later deden we hetzelfde. Het IMF waarschuwde Nederland voor de overspannen huizenmarkt, een zorg die de meeste Nederlandse economen weglachten. Het imf begreep de bijzondere Nederlandse situatie niet goed. De daarop volgende vijf jaren zakten de huizenprijzen, cumulatief met 27 procent. Nu spreken we schande van de enorme inkomenskloof in Amerika, die schril afsteekt tegen onze evenwichtige inkomensverdeling. Watch this space.