De actualiteit van Immanuel Kant

Vermogensbeheer en denkeconomie

Dit jaar is het tweehonderd jaar geleden dat Immanuel Kant overleed. Zijn hoofdwerken zijn juist nu onverminderd actueel. Ze gaan allemaal over het betere gebruik van de rede. Het product van die rede is kennis, en de kennis is ons gezamenlijke kapitaal.

Sinds mensen hun ondernemingen gezamenlijk voorbereiden, de taken verdelen en afspraken maken over een tijd en plaats, sinds mensen met overleg te werk gaan, bestaat het probleem van het bedoelde en het onbedoelde misverstand. Apen kunnen zich vergissen en elkaar zelfs misleiden, maar dat valt toch in het niet bij het onbegrip en de leugens waartoe wij sprekende apen in staat zijn.
Voordat mensen de gave van het woord hadden, voor zij vermochten te spreken, dus kortom, voor zij met rede begaafd waren, vergisten zij zich regelmatig. Maar misverstanden, onbegrip en leugens kenden zij niet. Dat is voor ons allen genoeg reden om bij tijd en wijle heftig naar die paradijselijke natuurtoestand terug te verlangen, naar de tijd dat wij nog onredelijk waren. Het is waar, de rede is de kwaaie pier. Alle cultuur is overlegcultuur. Cultuur ontstaat in de tijd die mensen kunnen vrijmaken tussen het verlangen en de bevrediging daarvan. Uitstel is de motor. De rede, het overleg, is het grote voertuig van dat uitstel.
Met deze definitie van «rede» valt alles op zijn plaats. Je kunt je voorstellen dat alle cultuur uit de natuur is ontstaan, alleen maar omdat mensapen hebben leren praten. Jazeker, in den beginne was het woord, maar het woord hoeft niet per se van een transcendente God te komen. De natuurlijke verklaring is toereikend. Blijkbaar heeft de overlegcultuur ons voordelen gebracht, anders waren we er niet meer. En je ziet ook in één oogopslag de herkomst van alle onbehagen in de cultuur: als overleg inderdaad plaatsvindt tussen verlangen en bevrediging, dan is te veel overleg letterlijk onbevredigend. Zo eenvoudig is dat. Geen wonder dus dat eens in de zoveel tijd ergens ter wereld ferme figuren onder luide bijval van het volk de vloer aan kunnen vegen met de overlegcultuur. Met de diplomatie, de internationale rechtsorde, burgerlijke vrijheden, het poldermodel en de universitaire democratie, om maar een paar voorbeelden van cultuur te noemen die in our day and age onder vuur liggen of alweer teruggedraaid worden omdat ze «te ver zijn doorgeschoten».

Immanuel Kant (1724-1804) meende dat de rede een opdracht is «die ons door de natuur zelf is opgegeven». Net als David Hume, door Kant de «grote geograaf van de rede» genoemd, meende hij dat de mens — juist uit eerbied voor de Allerhoogste — niet te snel op goddelijke bijstand mag rekenen. Het past de mens beter om bescheiden de volle aandacht te laten uitgaan naar een waardig leven met louter natuurlijke middelen. De natuur heeft ons een eigenaardig vermogen toebedeeld. De taak die daaruit voortvloeit is: vermogensbeheer.
De nadruk ligt sterk op dat «ons». De rede is een sociaal ding. Hij komt voort uit overleg en is derhalve geen persoonlijke capaciteit, maar meer een gezamenlijk vermogen. Het bezitten van rede is dus geen individuele verdienste, maar in het gebruik van de rede ligt wel bij uitstek de weg om je te onderscheiden in het ondermaanse. De rede is eigenlijk meer een activiteit waar je je op excellente wijze in kunt mengen.
Kants belangrijkste werken, Kritiek van de zuivere rede, Kritiek van de praktische rede en Kritiek van het oordeelsvermogen (Urteilskraft) gaan allemaal over het betere gebruik van die rede. Het product van de rede is kennis, en de kennis is ons gezamenlijke kapitaal. De drie kritieken bevatten Kants kennis_theorie,_ de wetenschap van ons denkvermogen die door Kant met recht en reden denkeconomie genoemd wordt. Dat klinkt verrassend hedendaags in tijden waarin de termen «kennissamenleving» en «kenniseconomie» ons op de lippen bestorven liggen.

Kants werk is doordesemd van het besef dat er overleg moet zijn. De mens is niets zonder de rede, waarin iedereen een stem heeft. Zelfs dingen kunnen door de rede «bestimmt» worden, letterlijk een stem krijgen, zodat moeder aarde en alle zaken die in haar schoot verborgen liggen aan het woord kunnen komen in het menselijk werkoverleg. Beeldschoon allemaal, maar Kant was er zich ook scherp van bewust dat elk overleg moet uitmonden in een beslissing. Zonder Urteilskraft verzandt overleg licht in besluiteloosheid en besluiteloosheid verwordt tot onverschilligheid.
Die onverschilligheid is de beste voedingsbodem voor een ondoordacht besluit, waarbij God of een andere autoriteit het voortouw neemt en de menigte erachteraan zwermt in een vernietigende roes. Als die roes is uitgewerkt, ontstaat er tussen de rokende puinhopen doorgaans behoefte aan enig overleg, maar als dat overleg leidt tot besluiteloosheid, dan begint het hele zooitje weer van voren af aan.
De ongeneeslijke misère is dat de mens zich er niet bij kan neerleggen dat de rede slechts tijdelijke besluiten oplevert. Vanwege de diep ingebakken zucht naar definitieve antwoorden zijn er twee hardnekkige kortsluitingen in het eeuwige werkoverleg waartoe de mensheid gedoemd is.
De eerste is fundamentalisme of dogmatisme. Deze kortsluiting bestaat erin dat je het tijdelijke toch eeuwigheidswaarde toekent, bijvoorbeeld door één mens, een traditie of een bovenmens aan te wijzen die het laatste woord zou hebben gesproken. Einde discussie, heerlijk.
De andere kortsluiting is opzettelijke besluiteloosheid ofwel scepticisme. Aanhangers van deze stroming verwerpen zelfs elk tijdelijk antwoord omdat er geen eeuwige zijn. Zij brengen hun dagen door met het vroegtijdig naar de schroothoop helpen van elk idee, iedere theorie, elk plan, iedere pretentie van deskundigheid op welk gebied dan ook. Leuk om te doen, sceptici zijn vaak erg grappig, maar de prijs is hoog. Professionele pretentieloosheid en beroepsmatige nietszeggendheid worden door de geschiedenis doorgaans genadeloos afgestraft. Zo is nog onlangs is in deze krant de erfenis van Karel van het Reve (in De Groene Amsterdammer van 10 januari) zonder veel omhaal en op zeer goede gronden bij het oud papier gezet.

Kant vergeleek dogmatici met types die torens tot in de hemel bouwen en noemde sceptici «een soort nomaden die iedere duurzame bouwactiviteit schuwen». Kant zelf meende dat je uit het kromme hout waarvan de mens gemaakt is, nooit iets recht kunt timmeren. Maar het is ook niet helemaal niets. Om in de bouwmetafoor te blijven: «De voorraad aan materiaal [is] juist voldoende voor een woonhuis, net hoog en ruim genoeg om onze bezigheden op de begane grond te overzien.»
Kants oplossing voor het heen en weer zwalken tussen dogmatisme en scepticisme heet kriticisme. Kriticisme is een grens stellende activiteit waarin vastgesteld wordt in welk domein er wel degelijk iets te weten valt en waar we er beter het zwijgen toe kunnen doen. De oplossing voor het probleem is kinderlijk eenvoudig: gematigd dogmatisme, dankzij gematigde scepsis. Het komt er dus feitelijk op neer dat je de verbinding tussen beide strijdende partijen legt. Je stopt de overtreders en veelplegers samen in een cel en laat ze elkaar bewaken. Dat is het uiteindelijke vonnis dat door de rechtbank van de zuivere rede wordt geveld.
De basisfout van iedere vorm van dogmatisme is de aanname dat wij de wereld zouden kunnen kennen zoals die werkelijk is. Dat is een vorm van zelfoverschatting die ten grondslag ligt aan alle religieuze en filosofische systemen die pretendeerden de sleutel tot de geheimenissen van het universum gevonden te hebben.
Bij religieuze systemen — jodendom, christendom, islam of hindoeïsme — is dat eenvoudig in te zien. Zelfs als er een vriendelijke god zou zijn die ons zo nu en dan openbaart hoe de zaken er werkelijk voorstaan, dan nog zullen wij in het reproduceren van de blijde boodschap zo gebrekkig te werk gaan dat de aanhangers van een andere versie van het verhaal zullen menen dat wij alles zelf hebben verzonnen.
Bij filosofische systemen — empirisme of rationalisme — is het nog makkelijker. Onze zintuigen en ons verstand grijpen er zo vaak naast dat je toch moeilijk kunt volhouden dat je met zulke gebrekkige werktuigen een natuurgetrouw beeld van de wereld kunt boetseren. Ieder verstandig mens die de zinnen bij elkaar heeft, geeft het idee op dat je de «dingen-zoals-ze-op-zichzelf-zouden-zijn» zou kunnen kennen. Wij kennen de dingen alleen zoals ze zich aan ons voordoen. De ergste vormen van dogmatisme zijn nu onschadelijk gemaakt: we blijken er gewoon te stom voor.
Maar nu loert meteen de vijand van relativisme en scepsis, alleen kan die met dezelfde wapens worden bestreden. Wij zijn domweg niet creatief genoeg om er totaal naast te zitten in ons beeld van de wereld. Wij verklungelen wel alle informatie die binnenkomt, maar als er niets binnenkomt gebeurt er helemaal niets. Wij doen passief allerlei informatie op en maken daarbij systematisch dezelfde gebrekkige bewerkingen. Bijvoorbeeld: als we iets waarnemen, plaatsen we het altijd in ruimte en tijd, we kunnen niet anders. Maar als iemand ons vraagt wat die ruimte en die tijd nu eigenlijk zijn, dan blijven we het antwoord schuldig.

Kant heeft in de Kritiek van de zuivere rede al die systematische vertekeningen in kaart gebracht. Zijn conclusie was dat we inderdaad klungelaars zijn, maar dat we onze fouten allemaal, altijd, systematisch op dezelfde manier maken. Het beeld van de wereld zoals dat zich aan ons voordoet, is dus niet het resultaat van volstrekte willekeur (zoals de scepticus zou beweren), maar in ieder geval ten dele het resultaat van eigenschappen die algemeen, door ieder mens in alle tijden zijn toegepast en toegepast zullen worden.
De Kritiek van de zuivere rede staat terecht hoog op de IJzeren Lijst van Filosofie Magazine. Het is een fantastische handleiding voor vermogensbeheer. Het kenvermogen wordt uiteengelegd in passiva en activa. De zintuigen doen passief indrukken op. Het verstand ordent die indrukken actief en geeft er namen aan. Het oordeelsvermogen (Urteilskraft klinkt slagvaardiger) combi neert vervolgens verscheidene van die namen, die ieder de samenvatting (concept) van talloze indrukken zijn, tot zinvolle uitspraken.
Het lullige zinnetje «De bollen moeten de grond nog in!» is al een oordeel waarin een storm aan geordende ervaring is samengebald. Alleen al daaruit blijkt ons verbijsterende vermogen tot denkeconomie, om over het oordeel E=mc2 maar te zwijgen.
Als we willen dat de oordelen een zekere objectieve geldigheid hebben, dan zijn er strakke regels. De belangrijkste is dat verstand en zintuigen het met elkaar moeten zien uit te houden: zinlijke aanschouwingen zonder verstand zijn blind, verstandelijke begrippen zonder aanschouwing zijn leeg. Zinnen en verstand dienen elkaar te disciplineren als we andere mensen willen overtuigen. Een verstandig verhaal kan in laatste instantie altijd teruggrijpen naar de «herr liche Probierstein der Erfahrung», de verrukkelijke toetssteen van de ervaring. Als je die beperkingen inziet, mag je met je boerenverstand de grenzen van de directe ervaring best eens overstijgen. Zolang je maar weet waar je vandaan komt en de terugtocht hebt gedekt.

In de Kritiek van de praktische rede staat nog een vermogen van de mens centraal. Wij kunnen ons niet alleen een voorstelling maken van de wereld zoals die zich aan ons voordoet. Wij kunnen ons ook een voorstelling maken van hoe de wereld mogelijk zou kunnen zijn.
Het ongelooflijke is dat wij ons daarbij niet hoeven te houden aan wat de natuur ons leert. Wij kunnen in relatieve vrijheid stelregels in praktijk brengen. De stelregel «je moet oude dametjes de straat helpen oversteken» is bijvoorbeeld niet aan de natuur ontleend. De natuur is ronduit wreed voor oude dametjes. Dat wij ons dus enigermate los van de natuur kunnen bewegen is mooi, maar ook hier gelden beperkingen. Kant heeft liever dat je jouw maximes (gedragsregels) voor jezelf laat gelden dan dat je ze aan anderen oplegt. Bij Kant is respect altijd iets wat je voor anderen hebt, nooit iets wat anderen voor jou moeten hebben.
De andere enorm disciplinerende maatregel is de categorische imperatief. Je mag jezelf vrijheden permitteren in je handelswijze. Je moet zelfs, anders ben je geen mens. Maar je moet altijd zo handelen dat jouw gedrag als leefregel voor de hele mensheid zou kunnen gelden. Wat u wilt dat u geschiedt, gun dat ook een ander.

De filosofie van Kant is op het eerste gezicht niet zo sexy. Dogmatisme gaat sneller en scepticisme is lolliger. Het kriticisme is bewerkelijk en lijkt — als het bovenstaande een beetje klopt — toch verdacht veel op het vergaren van een burgermanskapitaaltje om een villaatje te kopen. Nu ben ik precies zo’n burgerman en klopt Kants filosofie dus uitstekend bij mij. Maar voor alle bohémiens die zich hier ver boven verheven voelen, wil ik tot slot nog even het beeld corrigeren dat Kant een treurige, gortdroge precisiepoeper zou zijn geweest. Immanuel Kant is inderdaad nooit verder dan 24 kilometer buiten zijn geboortestad geweest, maar toch was hij bepaald niet onbereisd.
Königsberg, tegenwoordig het Russische Kaliningrad, ligt in een gebied waar de landsgrenzen zo snel wijzigden dat iemand die veel culturen wilde leren kennen juist buitengewoon honkvast moest zijn. Als Kant een zuivere, onbezoedelde edel-Pruis had willen blijven, zou hij hotsebotsend in koetsjes met zijn vaderland mee hebben moeten reizen. Hij bleef echter hardnekkig op zijn plaats en heeft op die manier vele jaren in het buitenland gewoond. In Polen natuurlijk, maar ook in het Rusland van Catharina de Grote. Via de Russen kwam hij in aanraking met de sfeer van Parijse salons en bals en niets heeft hem ervan weerhouden zich daar vol in te storten.
De meeste biografen maken van Kant het toonbeeld van saaie deugdzaamheid en punctualiteit, maar er zijn ook Kant-biografieën met verrukkelijke roddels over dronkenschap en onkuise betrekkingen met aardige jonge dames. Ik haast mij dat allemaal te geloven. De kritiek van de zuivere rede is in mijn ogen een veel avontuurlijker onderneming sinds ik er vast van overtuigd ben dat Kant een zinnelijke, heetgebakerde figuur was.

In april verschijnt Kritiek van de zuivere rede bij uitgeverij Boom. De ISVW organiseert een inleiding en leescursus .[www.isvw.nl](http:// www.isvw.nl)