Media

Vernedering en leedvermaak

De - volkenrechtelijk betwistbare - overval op de schuilplaats van Osama bin Laden was nog maar nauwelijks bekend of er klonk een luide roep om foto’s en filmbeelden die de dood van de jihadistische leider konden bewijzen. De dagen daarna groeide de kritiek op de Amerikaanse regering. Met het achterhouden van deze beelden zou zij voedsel geven aan mythevorming, aan wilde speculaties en allerhande complottheorieën, niet alleen in islamistische kringen, maar ook elders, te beginnen in eigen land.
De Amerikaanse regering gaf niet toe aan deze druk - en kón zich dat ook permitteren, vanuit de wetenschap dat de waarheid toch wel aan het licht zou komen. Zo waren er in de woning voldoende getuigen achtergebleven om de Pakistani en de rest van de wereld verslag te doen van de gebeurtenissen. En zo is het uiteindelijk ook gegaan. Afgelopen weekend bevestigde al-Qaeda zelf de dood van haar leider.
De meeste commentatoren hebben de weigering van de Amerikaanse regering om de beelden van de verminkte leider vrij te geven, verklaard uit haar beduchtheid dat daaruit een martelaarscultus zou kunnen groeien. Nu zal die vrees ongetwijfeld een rol hebben gespeeld, maar alles wijst erop dat ook andere motieven de Amerikaanse regering tot haar houding hebben gebracht, te beginnen met haar streven iedere vorm van triomfalisme te vermijden. Dat was precies wat Obama de volgende dagen leek te willen uitstralen: zijn toespraken waren sober in toon en woordkeuze, zo goed als zijn bezoek aan Ground Zero afgelopen vrijdag gespeend was van iedere associatie met ‘een overwinning’.
Hoewel deze gedragslijn naadloos past in de stijl die Obama en zijn regering de laatste jaren hebben ontwikkeld, zal zij ook zijn ingegeven door politiek-strategische overwegingen. Daarbij moeten ze hebben teruggedacht aan de beelden die hun minder fijngevoelige voorgangers de wereld instuurden, zoals de gepimpte reportages van het neerhalen van affiches en standbeelden, en, bovenal, de arrestatie van Saddam Hoessein in 2003. Wie herinnert zich niet de pijnlijke opnamen waarin de verwilderd uitziende dictator, direct nadat hij uit zijn schuilplaats was gehaald, publiekelijk werd onderworpen aan een lichamelijke 'inspectie’?
Zulke beelden laten niemand onberoerd. Integendeel, ze staan symbool voor de ultieme vernedering, waarvan de ervaring, vergeleken bij andere kwetsuren - geweld, angst en honger - misschien wel de diepste krassen in de menselijke ziel kerft, niet alleen individueel, maar ook op het niveau van sociale groepen of zelfs volkeren. Niet alleen de film en de literatuur, ook de geschiedenis staat bol van rampen die daaruit zijn voortgekomen.
Met het achterhouden van de beelden van het bebloede, met kogels doorzeefde gezicht van Bin Laden lijkt de Amerikaanse regering te hebben willen voorkomen dat de berichtgeving over zijn eliminatie zou ontaarden in een uitzichtloze, mondiale clash van triomfalisme en vernedering. Tegelijk dempte ze daarmee de mogelijke effecten van de revanchistische euforie die zich onmiddellijk na de bekendmaking in de media en op straat aftekende: zonder twijfel hadden de juichende mensen op Times Square in New York en de universitaire campus in Washington met afbeeldingen van de verminkte al-Qaeda-leider staan zwaaien, als die er op dat moment waren geweest. En dan hebben we het nog niet over de affiches en bumperstickers die vervolgens het straatbeeld in sommige streken zouden gaan bepalen.
Zo bezien is Obama’s weigering de beelden prijs te geven evenzeer op te vatten als een aansporing aan zijn eigen bevolking zich terughoudend op te stellen. In dit tijdsgewricht van populistische agitatie is zo'n matigende houding niet alleen een morele verademing, maar ook een uitdrukking van politieke wijsheid. Zo goed als we allemaal weten welke diepe sporen vernederingen achterlaten, zo hoeven we weinig moeite te doen ons voor te stellen welke emoties worden opgeroepen door beelden van demonstranten die luidruchtig juichen om de dood van mensen waar anderen op de een of andere manier om geven: gevoelens van verbijstering, die gemakkelijk overgaan in diepe afkeer en vijandigheid.
Ook in Nederland weten we inmiddels hoe dat gaat. Er is geen twijfel over mogelijk dat de - deels foutieve - berichtgeving over een twintigtal 'feestende’ Marokkaanse jongeren in Ede, onmiddellijk na de aanslag op het WTC in september 2001, en de daarop volgende reportages, een belangrijke bijdrage hebben geleverd aan de groei van een virulente islamofobie van eigen bodem in de daarop volgende jaren.
Vernedering en leedvermaak - het zijn ervaringen waaruit, overal ter wereld, in een handomdraai gevoelens van haat kunnen worden gedistilleerd. Het valt in Obama te prijzen dat hij die vicieuze cirkel probeert te doorbreken.