Ook het maatschappelijke midden vervreemdt van de burgers

Vernield middenveld

Net als de politiek vervreemdt ook het maatschappelijk middenveld van zijn achterban. Meer referenda? Dat kan, maar: «Laten we alsjeblieft niet gaan zeggen dat de burger altijd gelijk heeft.»

Een stemadvies mocht het niet heten, maar de vakcentrale FNV stond positief tegenover de Europese grondwet. De onlangs vertrokken voorman Lodewijk de Waal liet zich zelfs fotograferen voor de ja-campagne. Weliswaar was dat op persoonlijke titel, maar toch.

Ook de Nederlandse Vereniging van Huisvrouwen gaf officieel geen stemadvies, maar was wel voor de grondwet. Zo ook de rooms-katholieke kerk. Vertegenwoordigers van de bisschoppen hadden druk gelobbyd in Brussel in de aanloop naar de grondwet en waren daar in blijkbaar succesvol geweest, want ze za gen veel van de katholieke agenda in het constitutionele verdrag terug.

De Vereniging Natuurmonumenten, met een dikke negenhonderdduizend leden de grootste natuurorganisatie in het land, was eveneens voorstander. Net als de onderne mers centrale voor het midden- en kleinbedrijf MKB, die zo’n 165.000 ondernemers vertegenwoordigt. En ook de Turkse belangengroepering Milli Görüs vond de grondwet een verbetering.

Dit is slechts een greep uit het brede en bonte maatschappelijk middenveld dat zich in de aanloop naar het landelijke referendum achter de Europese grondwet had geschaard. Samen vertegenwoordigen de groeperingen een groot deel van de Nederlandse burgers. Of moeten we zeggen: lijken die te vertegenwoordigen? Want ondanks hun positieve houding stemde vorige week woensdag toch bijna 62 procent van de Nederlanders die naar de stembus waren gekomen tegen diezelfde grondwet. Niet alleen het gros van de politieke partijen had een ander oordeel dan de kiezers, ook het officiële maatschappelijk middenveld is losgezongen van zijn achterban. Als er in de nasleep van het referendum weer druk wordt gediscussieerd en gesproken over de legitimiteitscrisis in de politiek, dan moet daar in één adem door ook dat maatschappelijk middenveld bij worden be trokken.

Volgens de Tilburgse hoogleraar Paul Frissen heerst in het systeem van representatie alom verwarring. Hij ziet daarvoor een duidelijke oorzaak: «De politiek en het middenveld zijn zo verknoopt geraakt dat de opinie vorming in dat middenveld hetzelfde verloopt als in de politiek.» Voor hem was het dus geen wonder dat ze merendeels hetzelfde dachten over de grondwet.

Ook professor Wim Derksen, directeur van het Ruimtelijk Plan Bureau, vindt dat de vertegenwoordigers van het middenveld te veel in dezelfde wereld leven en hetzelfde jargon spreken als Den Haag. Dat is volgens hem zorgelijk, omdat de overheid nog steeds denkt dat dit middenveld voor de samenleving praat: «We hebben het tegenwoordig veel over de kloof tussen de overheid en bijvoorbeeld de artsen, maar de echte kloof ligt tussen de artsen en hun belangenvereniging. Of tussen de onderwijzers en hun bonden. Die laatste spreken niet meer namens het veld.» Derksen hekelt de manier waarop de overheid wel eens pogingen doet om wél direct met «het veld» in gesprek te raken: «Dan gaat het departement naar een ziekenhuis. Maar daar spreken ze weer alleen de directeur en die wil vooral meer geld. Ze moeten eens een hele dag op de poli gaan zitten.»

Maar zelfs dan is nog niet zeker dat de signalen worden opgepikt, weet Derksen uit ervaring. Midden jaren negentig zat hij op verzoek van de Rotterdamse wethouder Hans Simons een groepje mensen voor dat de wethouder advies gaf over werkgelegenheidsvraagstukken. Si mons wilde vanuit de samenleving ideeën opdoen en daarvoor niet de gebruikelijke vertegenwoordigers van de vakbonden, werk geversorganisaties of Kamer van Koophandel aan het woord laten. Derksen: «We waren allemaal mensen die op persoonlijke titel in dat adviesgroepje zaten, we wilden graag meepraten en meedenken over actuele vraagstukken in de stad. Maar we zagen dat de ambtenaren moeite hadden met onze adviezen. Hun manier van denken was te anders. We stuitten op een talige kloof.»

De vraag of het middenveld nog wel een achterban vertegenwoordigt, werd vorige week bij het referendum weliswaar actueel, nieuw is hij niet. Op lokaal niveau weet menige wethouder dat hij er niet op kan vertrouwen dat de vertegenwoordiger van de buurt ook namens de buurt spreekt. Zo stuitten de sloopplannen voor het Haagse Duindorp enige jaren geleden tot grote verrassing van toenmalig wethouder Peter Noordanus op fel verzet, terwijl hij had gedacht dat te kunnen vermijden door bewonersorganisaties bij de plannen te betrekken. Maar wat bleek: de bewoners die met de gemeente rond de tafel zaten, spraken binnen de kortste keren hetzelfde jargon als de ambtenaren. Bovendien hadden deze bewoners begrip gekregen voor de moeilijke afwegingen die gemaakt moesten worden. De andere bewoners kenden die afwegingen niet in dezelfde mate en hadden vooral oog voor hun directe eigenbelang.

Voor Derksen is zo’n voorbeeld het bewijs dat de talige kloof tussen middenveld en overheid enerzijds en «gewone» burger anderzijds zich altijd wel weer ergens zal voordoen. Wat voor hem overigens niet betekent dat we overal referenda over moeten gaan houden: «Dat kan toch niet de bedoeling zijn. Wel zullen we steeds opnieuw de betrokkenheid van de burger moeten organiseren, door te luisteren en te praten.»

Professor Annemieke Roobeek, destijds hoogleraar op de Wibautleerstoel aan de Universiteit van Amsterdam en nu verbonden aan Nijenrode, bepleitte in de jaren negentig in steden fora samen te stellen van bewoners die met het gemeentebestuur meedenken over grootstedelijke problemen. De leden van zo’n forum hoefden niet gekozen te worden en zaten er ook niet namens een organisatie of achterban. Roobeek hoopte op verfrissende ideeën waarvoor een breed draagvlak zou blijken te zijn. Ze vond dat de gemeenteraad voorstellen uit zo’n forum moest overnemen. Als raadsleden in vloed op de plannen wilden hebben, moesten ze maar meepraten tijdens de bijeenkomsten van het forum. Haar plannen stuitten op veel verzet, want hoe stond het met de democratische legitimatie?

Of de vakcentrales FNV en CNV nog wel een achterban vertegenwoordigden, werd de afgelopen jaren vaak betwijfeld. Afgelopen najaar, bij hun verzet tegen de sociale hervormingsplannen van het kabinet-Balkenende, was het voor die centrales erop of eronder. Toen ze hun protestmanifestatie op het Museum plein aankondigden, geloofde menigeen dat het ze niet meer zou lukken een grote massa op de been te brengen. Maar ze slaagden daar op 2 oktober wél in. Ook tot hun eigen grote opluchting.

Om beter te weten wat de eigen achterban wil, heeft de FNV het referendum ingevoerd. Drie keer is het instrument inmiddels ge bruikt, elke keer ging het over de hervormingsvoorstellen van het kabinet voor onder meer prepensioen en vut. Daarnaast werkt de centrale sinds ruim een jaar met een leden panel dat een zo representatief mogelijke afspiegeling van het totale ledenbestand moet zijn.

Hoogleraar Frissen vindt referenda en panels wel «verfrissend», maar hij ziet ze niet als oplossing: «Je hoort de laatste jaren vaak de term ‹kloof› vallen, maar het is de vraag of die term wel de goede metafoor is. Door die term suggereer je dat de afstand tussen politiek en burger of middenveld en burger overbrugd moet worden, maar dat hoeft niet per definitie. In een gezonde, representatieve democratie houd je enige afstand. Je moet niet blind gaan volgen wat de meerderheid vindt. De vraag is ook of er zoiets bestaat als een door de meerderheid gedeelde mening. Achter het nee, maar ook het ja tegen de grondwet gingen veel redenen en emoties schuil.»

Voor Frissen is het maar helemaal de vraag of de legitimiteitscrisis in Nederland alleen als een probleem moet worden gezien: «Er zit ook een positieve kant aan. Ik vind het wel gezond dat Nederland eindelijk ziet dat het een normale samenleving is, waar ook een politieke moord kan gebeuren, waar ook corruptie is. We hebben lang gedacht dat wij superieur en beter zijn.» Volgens Frissen kan deze verandering in het zelfbeeld op den duur louterend werken.

Maar hij ziet ook de negatieve kanten: «Zo wel bevolking als politici of andere vertegenwoordigers vertonen extreem hysterische trekken. Bij de bevolking zie je telkens weer al die emotie en die behoefte aan drama. Na de moord op Theo van Gogh zag je juist veel geschreeuw en gedoe bij politici. We vertonen ongedurig pubergedrag.»

In antropologische termen samengevat: vol gens Frissen is er in Nederland sprake van een forse culturele crisis. Het doet hem denken aan de jaren zestig. Met dit verschil dat het toen toch vooral de hoger opgeleiden waren die in verzet kwamen tegen de regenten. De revolutie van toen is een dalend cultuurgoed gebleken. Het verzet van nu gaat alleen niet gepaard met rookbommen en rellen, maar uit zich vooral in sterk wisselend stemgedrag, waar de politieke elite en het middenveld geen greep meer op hebben.

Meer referenda of panels zijn volgens Frissen niet de oplossing om uit de crisis te geraken omdat ze gericht zijn op controle, beheersing en uniformiteit: «Hier op de faculteit noemen we dat de paradox van de sturing. Er zijn vele politieke, maatschappelijke problemen die heel complex en groot zijn. We roepen met z’n allen om sturing daarin. Maar juist omdat die problemen zo complex en groot zijn, kunnen ze onmogelijk nog gestuurd en volledig beheerst worden.»

Een CDA-politicus verzuchtte onlangs dat degene die een oplossing had voor de legitimiteitscrisis stinkend rijk zou kunnen worden. Volgens Frissen bestaat er geen blauwdruk voor een oplossing: «Die zijn er nooit voor dit soort veranderingsprocessen.» Wat hemzelf betreft moeten we ook niet terug willen naar een samenleving waarin we alles willen controleren en beheersen: «We zouden iets meer anarchie moeten toestaan en moeten durven vertrouwen op het zelfoplossend vermogen van de burger.»

Wim Derksen herkent die dwangmatige be hoefte aan sturing op het terrein waar hij nu werkzaam is, de ruimtelijke ordening: «Iedereen die zich er professioneel mee bemoeit, overheid en middenveld, wil bijvoorbeeld weten hoeveel huizen er nodig zijn in 2030. Maar daar hebben we geen enkel zicht op. Dat kan ook niet. We moeten leren ruimte te laten voor het niet-weten. Dat ook durven te zeggen: we weten het niet en daarom leggen we verschillende opties voor. Maar dat vereist een heel andere houding, een houding die veel tijd vraagt.»

Er is één houding die volgens Derksen in ieder geval vermeden moet worden: «Laten we alsjeblieft niet gaan zeggen dat de burger altijd gelijk heeft.»