Vernieuwing

Alle mooie woorden ten spijt over hoe de macht terug moet naar het parlement – als het serieus om geven en nemen gaat, gebeurt dat achter gesloten deuren.

Hebben we de afgelopen weken in Den Haag politieke vernieuwing vol in bedrijf gezien? Is afspraken maken met enkele oppositiepartijen – niet in het openbaar in de Tweede Kamer maar in onderlinge gesprekken – hoe er voortaan in Nederland zal worden geregeerd? Of is dit toch geen houdbare manier om effectief te kunnen regeren en de broodnodige rust in de politiek en daarmee in de samenleving te brengen?

Het zijn veel vragen, maar dat is bewust. Dat Den Haag politiek gezien bijzondere tijden meemaakt, daar is iedereen het namelijk wel zo ongeveer over eens. Maar daarna stokt de eensgezindheid. Want niet iedereen denkt hetzelfde over het antwoord op de onderliggende hamvragen. Hoe om te gaan met verkiezingsuitslagen die sterk fluctueren? Met uitslagen die een meerderheid in de Tweede Kamer maar mogelijk geen meerderheid in de Senaat garanderen? Of die – zoals vóór de laatste verkiezingen werd gevreesd – in de Tweede Kamer tot een coalitie kunnen leiden die uit vijf partijen moet bestaan om alleen daar al een meerderheid te creëren?

Toen minister-president Mark Rutte begin september zijn H.J. Schoo-lezing hield, voorspelde hij dat de nieuwe politieke situatie ‘zich zou gaan zetten’. Zijn kabinet zou kunnen regeren door dan van deze dan van die oppositiepartijen steun te krijgen in – uiteindelijk – de Eerste Kamer. Als je afspraken met drie oppositiepartijen voor de begroting van één jaar en voor een aangepast sociaal akkoord ziet als incidentele steun, dan klopt Rutte’s voorspelling.

Maar als minister van Financiën Dijsselbloem zegt dat met die afspraken tachtig procent van het regeerakkoord is gedekt, kun je je afvragen of hier wel sprake is van incidentele steun. Ook wie dacht dat het kabinet de steun openlijk in de vergaderzaal zou proberen te bereiken, per begrotingsonderdeel of wet, zal beweren dat Rutte’s woorden geen waarheid zijn geworden.

Misschien is het eerste wat, opnieuw, is geleerd in Den Haag dat je echt onderhandelen niet in het openbaar doet. Alle mooie woorden ten spijt over hoe de macht terug moet naar het parlement omdat die daar beknot wordt door (regeer)akkoorden – als het serieus om geven en nemen gaat, gebeurt dat achter gesloten deuren. Waarbij je in dit geval kunt zeggen dat in die Guldenkamer op het ministerie van Financiën, waar nachtenlang is onderhandeld, drie oppositiepartijen uit het parlement, d66, ChristenUnie en sgp, wel degelijk macht hadden.

Het waren overigens begin dit jaar deze zelfde drie partijen die met het kabinet van vvd en pvda overeenstemming bereikten over het Woonakkoord. Zou het dan toeval zijn dat ook nu weer met deze partijen afspraken te maken waren? Oftewel, gaat dat van die wisselende meerderheden waar Rutte over sprak wel kloppen als het over grotere onderwerpen gaat?

Het zou kunnen, denk bijvoorbeeld aan de aanschaf van het gevechtsvliegtuig de jsf. Maar over de pensioenperikelen? Of over de verdere decentralisatie van zorgtaken aan gemeenten? En hoe staat het met de begroting van 2015, waarvoor komend voorjaar al weer de aanzet moet worden gegeven? Hoe zouden de huidige drie meest geliefde oppositiepartijen het vinden als dan ineens zaken zouden worden gedaan met het cda? Als die partij dat al zou willen? Dat de nieuwe politieke situatie zich al gezet zou hebben volgens het plan van Rutte vind ik daarom nog maar de vraag.

Dat wordt helemaal onzeker als je naar de nog verdere toekomst kijkt. Want tegenover degenen die denken dat ook na nieuwe verkiezingen incidentele meerderheden de praktijk zullen zijn, staan zij die daar niks in zien en fundamentele veranderingen willen om te vermijden wat zij bestempelen als politiek gemodder.

Het zal interessant zijn om te zien of na nieuwe verkiezingen voor de Tweede Kamer politieke partijen het aandurven om met alle ervaring die nu wordt opgedaan heel bewust te kiezen voor een coalitie die geen meerderheid heeft in de Senaat. Dan pas zouden Rutte’s woorden echt voorspellende waarde hebben.

Of er opnieuw zo’n coalitie komt, hangt echter niet alleen af van de vraag of politieke partijen het opnieuw zouden aandurven om met incidentele meerderheden te gaan regeren, maar allereerst van de nieuwe verkiezingsuitslag en van de samenstelling van de Eerste Kamer op dat moment. Misschien is na nieuwe verkiezingen ineens wel een ‘ouderwets’ meerderhedenkabinet samen te stellen. Maar juist omdat dit allemaal zo onzeker is én omdat ook dan tussentijds de samenstelling van de Senaat kan veranderen en een meerderheid alsnog kan wegvallen, gaan er stemmen op om wezenlijk iets te veranderen aan ons democratisch bestel. Zodat de kiezer niet maar hoeft af te wachten of hij een meerderheidskabinet, gedoogkabinet of een incidentele-meerderheden-kabinet krijgt.

Vorige week schreef ik over het idee van David Van Reybrouck om een deel van de volksvertegenwoordigers te benoemen via loting. In de Eerste Kamer pleitte een senator in die week bij mij voor een kiesdrempel. Het nadeel dat een deel van de Nederlandse kiezers zich dan niet vertegenwoordigd weet in het parlement wimpelde hij weg met de opmerking: dat deel heeft er dan bewust voor gekozen op een kleine partij te stemmen. Voordeel van de kiesdrempel, behalve minder en grotere Kamerfracties, zou volgens hem zijn dat binnen politieke partijen dan weer discussie moet komen over deelbelangen: ouderen versus jongeren, vast versus flexibel contract, enzovoort.

Een voormalige hoge ambtenaar drukte me de volgende dag op het hart dat Nederland naar een systeem moet van één keer in de vier jaar verkiezingen waarna de politiek het vier jaar met die uitslag moet doen. Het zou zowel de politici als de kiezers aan banden leggen. En afgelopen weekend verzuchtte een oud-minister tegen mij dat Nederland echt een ander kiesstelsel moet krijgen. Ook daarom denk ik dat de politieke vernieuwing zich nog niet heeft gezet.