film

Vernieuwing in de hoofdstroom

Kick-Ass

Kick-Ass komt in deze tijd van hi-techfilms zo low tech over dat het wel antiek lijkt, als een langspeelplaat uit een stoffige winkel of meer gepast een tekening door Steve Ditko, vader van Spider-Man, in een van die dikke, onweerstaanbare comicsalbums gemaakt van slechte kwaliteit papier en ook nog eens niet ingekleurd. Deze ‘analoge’ kwaliteit is evenwel misleidend, want als er één film is die vernieuwing brengt in de cinematografische hoofdstroom, dan is dat wel Kick-Ass.

De innovatie zit ’m in de verbluffende mix van genres en stijlen en vooral in de rauwe energie en zwarte humor waarmee de verschillende elementen worden samengesmeed tot een geheel. En dat is: een extreem gewelddadige en daardoor subversieve hervertelling van de superheldmythe die desalniettemin een eerbetoon aan de vorm is. Hier komt bij dat Kick-Ass heel goed te lezen valt als een John Hughes-achtige tienerkomedie of -drama.
Even eenvoudig als geniaal is het verhaal: een slungelige aan comics verslaafde tiener, Dave Lizewksi (Aaron Johnston), vraagt zich af waarom hij eigenlijk zelf geen superheld kan zijn. Hoe deze vraag in zijn hoofd vorm krijgt, raakt de kern: moeder overleden, vader nauwelijks geïnteresseerd, op school bijna onzichtbaar, zeker voor de meisjes, en twee vrienden die een kopie van hem zijn, en daardoor evenmin inspirerend. Het leven, inderdaad in de woorden van de onsterfelijke Ferris Bueller (een John Hughes-personage uit de jaren tachtig), gaat zo snel dat het dreigt Dave Lizewski voorbij te gaan. Comics bieden uitkomst, comics beloven een leven waarin macht geen droombeeld is. En Dave wordt een beroemde superheld, en wel dankzij wat filmpjes op YouTube waarin hij probeert wat schurken af te tuigen, wat overigens maar matig lukt. Een naam? Kick-Ass. Waarom niet.
Serieuzer zijn Big Daddy (een verrukkelijke Nicolas Cage) en Hitgirl (Chloe Moretz), respectievelijk een vader die vuurwapenfanaat is en zijn dochtertje van een jaar of tien. Ook bepaald geen Bruce Wayne of Peter Parker, maar toch: superhelden in hart en nieren doordat ze echt kunnen vechten. Tegenover Big Daddy en Hitgirl staat een drugsgang, en op een gegeven moment komt de kersverse held Kick-Ass ook met hen in aanraking. Het verhaal ontwikkelt zich vervolgens als een klassieke strijd tussen goed en kwaad.
In Kick-Ass borduurt de vrij onbekende regisseur Matthew Vaughn vooral voort op Watchmen, de postmodernistische comic van Alan Moore, vorig jaar verfilmd door Zack Snyder. Het prachtige aan beide films is dat de fantastische werelden van de vaders van comics, Jack Kirby of Steve Ditko of Stan Lee, volledig intact blijven, maar nu wel verrijkt met een meer echte, complexe thematiek: eenzaamheid en melancholie gekoppeld aan een anarchistische instelling die in de comics wel aanwezig was, en is, maar in cinema toch een meer dwingende kwaliteit krijgt. Daar komt bij dat het nu pas mogelijk is, dankzij special effects, de setting van comics overtuigend in film te verbeelden.
Maar waar Snyders Watchmen een toonbeeld is van de huidige, technologische cinema met verbluffende effecten, daar is Vaughns film meer traditioneel, met superhelden die het niet van hun krachten moeten hebben, maar het moeten doen met 'alledaagse’ voorwerpen zoals machinegeweren en gummiknuppels. Veel wordt dan ook gewoon online besteld, wat hilarische scènes oplevert, zoals Hitgirl die weer eens iets bruikbaars denkt te hebben gevonden waarna Big Daddy zegt: 'Add to cart, baby girl…’ Deze helden hebben het maar moeilijk in de moderne wereld, zoals ook blijkt ook uit de visuele stijl van de film: warme, verzadigde kleuren, die in alles doen denken aan een gescheurd comic book waarvan de pagina’s vermolmd en vergeeld zijn - een vorm van fictie en van kunst die nog altijd springlevend is, getuige Kick-Ass.

Te zien vanaf 15 april