De ultieme straf: levenslang

Veroordeeld tot de vergeetput

In Nederland is levenslang ook levenslang, zeggen bewindslieden sinds een jaar of tien. Inhumaan, zeggen andere Europese landen. Mag een samenleving moord vergelden met een straf die neerkomt op opsluiting tot de dood?

Medium 147596

In de roman Open deuren van de Italiaanse schrijver Leonardo Sciascia moet een rechter in de dagen van het Italiaanse fascisme een driedubbele moord berechten. Voor de machthebbers staat vast dat de dader de doodstraf moet krijgen. Maar de rechter, gedreven door zijn opvattingen over recht en rechtsgang, en zijn diepe overtuiging dat in geen enkele samenleving moord met moord mag worden vergolden, verzet zich koppig tegen de druk van het tot hysterie opgezweepte publiek. Ook weerstaat hij de partijbonzen, die de doodstraf willen aangrijpen als bewijs van hun zorg voor een ‘veilige samenleving’.

Vervang de doodstraf door levenslang, en fascisme door zoiets als ‘veiligheidsutopie’, en langzaam komt in zicht met welk dilemma een strafrechter tegenwoordig kan worden geconfronteerd. Aan de ene kant zijn er de verschrikkelijkste daden, aan de andere kant de ultieme straf, die vaker wordt geëist en als eis geen zeldzaamheid meer is. Waar leven is, is hoop, maar zonder reële hoop op vrijlating resteert voor een gevangene de verveling, de tijd die jaar na jaar, decennium na decennium moet worden gedood, tot de eigen dood erop volgt. Hoe lang duurt levenslang, dertig, veertig of vijftig jaar?

Nederland kent geen procedure op grond waarvan na verloop van tijd wordt gekeken hoe het met de veroordeelde staat en of opsluiting nog wel zin heeft, zoals in de meeste Europese landen. Alleen gratie is mogelijk, maar afgezien van een terminaal zieke heeft geen van de na 1980 veroordeelden tot nu toe gratie gekregen, aldus de Groningse strafrechtdeskundige Wiene van Hattum in diverse publicaties. Zij is sinds 2008 voorzitter van het Forum Levenslang, dat als databank en pleitbezorger voor een menselijke benadering fungeert.

Gratie is afhankelijk van de politieke wil. Het heeft er alle schijn van dat na de eeuwwisseling zelfs de geringste politieke welwillendheid voor levenslang gestraften is verdampt. Levenslang is levenslang, zeggen bewindslieden sinds een jaar of tien. Om die reden is er ook geen bereidheid meer om nog iets te doen aan resocialisatie – waardoor de beoordeling of iemand bijvoorbeeld nog een gevaar is in feite onmogelijk wordt.

Mag een samenleving moord vergelden met een straf die neerkomt op opsluiting tot de dood, als stopte men de gevangene in een vergeetput? Den Haag gaat die principiële vraag uit de weg, wijst op de mogelijkheid van gratie – alsof de hypothetische mogelijkheid genoeg is. Nederland beweegt zich in een richting die tegengesteld is aan de Europese. Op Europees niveau ging de menselijke waardigheid een rol spelen, samen met artikel 3 van het Eropees Verdrag voor de Rechten van de Mens (evrm), dat inhumane bestraffing verbiedt. In het Vinter-arrest tegen het Verenigd Koninkrijk (2013) werd geoordeeld dat levenslang onmenselijk is, als de staat geen reële mogelijkheid biedt om in aanmerking te komen voor vrijlating. De straf moet in beginsel verkortbaar zijn, wat ook betekent dat activiteiten voor resocialisatie worden ontplooid. Binnenkort zal het Europese Hof zich in een andere zaak (Hutchinson) uitspreken over het weerwoord dat de Britten gaven. Het zal erom spannen of de ‘Vinter-doctrine’ dan de helderheid behoudt die ze had.

In 2009 en 2011 signaleerde de Hoge Raad al het contrast tussen Nederland en Europa zonder dat het consequenties had, maar die consequenties zijn er intussen wel. Nadat de staat in 2014 door de kortgedingrechter werd bevolen om mee te werken aan resocialisatie van een man die eind jaren tachtig levenslang kreeg, volgde najaar 2015 een opmerkelijk vonnis van de rechtbank Assen. In plaats van voor drie moorden levenslang op te leggen, zoals de officier van justitie wilde, kregen de twee verdachten de maximaal tijdelijke straf van dertig jaar, plus tbs voor degene die het initiatief nam.

Volgens de rechtbank biedt het gratiebeleid te weinig hoop nog ooit vrij te kunnen komen en staat het daardoor op een te gespannen voet met de Europese rechtspraak – die sinds Vinter ook inhoudt dat een veroordeelde al bij de strafoplegging moet weten waar hij aan toe is. In 2015 werden drie andere verdachten nog wel tot levenslang veroordeeld, maar duidelijk is dat onder rechters de bereidheid om het hard te spelen groeit, en dat de politiek zal moeten reageren, op welke manier dan ook.

Het heeft iets mysterieus, op welk niveau de behoefte van een samenleving aan bestraffing blijft steken. Alsof er golven zijn van wraaklust en vergeldingsdrang, afgewisseld door golven van mildheid, die beide maar ten dele te verklaren zijn. Nederland had een buitengewoon mild strafklimaat in de jaren zeventig (alleen Malta was milder), maar een harde strafcultuur tot de Tweede Wereldoorlog, zoals blijkt uit Twee eeuwen gevangen, waarop de schrijver Herman Franke in 1990 als criminoloog promoveerde. Gevangenen leefden in eenzame afzondering, in kale cellen waar de verwarming niet boven de dertien graden uit mocht komen. Onder hen nam waanzinnigheid significant toe.

François Pauwels, strafpleiter met een haat tegen het systeem, verschaft op een andere manier inzicht. In het interbellum schreef hij grauwe prachtverhalen over de uitzichtloze levens van zijn clientèle, van wie werd verondersteld dat ze zich door de ‘beschavende’ invloed van de bijna volstrekte eenzaamheid zouden openen voor Gods liefde, terwijl ze in werkelijkheid hun besef van zelf verloren. Het vervolmaken van de eenzaamheid ging zo ver als de fantasie van de politieke elite reikte. Er waren cellulaire luchtplaatsen, rijtuigen, wachthokken op stations, treinwagons, alles wat maar tot contact kon leiden, werd in cellen opgedeeld, zelfs de gevangeniskerk. Op een afbeelding uit 1910 ziet zo’n stalleskerk er aan de zijde van de ‘gelovigen’ uit als een enorme staande wand verdeeld in vierkante hokjes, waarin de geestelijke vanaf de kansel met moeite een mens moet hebben kunnen onderscheiden. Zelfs een zijdelingse blik, in het voorbijgaan op een medegevangene, was onmogelijk gemaakt door de verplichte celkap, die ieders gezicht bedekte.

Gevangenen leefden in eenzame afzondering, in kale cellen. Waanzinnigheid nam onder hen significant toe

Na de Tweede Wereldoorlog kreeg het streven naar verbetering van gevangenen langzamerhand een ander karakter. De isolatie had niet geleid tot vermindering van strafbaar kwaad, het nieuwe credo werd resocialisatie. Gevangenissen kregen gemeenschappelijke ruimtes, de bajeskleding verdween en de straffen werden lager. De straffers kregen ‘niet alleen meer oog voor het lichamelijk leed van gevangenen, ook het geestelijk leed begon op hun beschaafde gevoel te drukken’, schrijft Franke. Bij de introductie van een beklagrecht voor gevangenen, in 1976, door hem omschreven als een hoogtepunt in de naoorlogse ontwikkeling, buitelden parlementsleden van alle politieke gezindten over elkaar heen in begrip en medeleven.

In een samenleving waarin het strafrecht de uiterste remedie was, werd levenslang tot de jaren zestig nog dertien maal opgelegd, maar verdween vervolgens vrijwel uit het beeld. De ultieme straf werd iets voor oorlogsmisdadigers, zoals de drie van Breda. In 1957 had minister Samkalden al voorgesteld om bij veroordeling tot levenslang na verloop van tijd een gratieprocedure in gang te zetten, met het oog op omzetting in een tijdelijke straf. Gratie werd dus zonodig ambtshalve verleend, zo blijkt uit een special over levenslang van het tijdschrift Justitiële verkenningen (2013). Tot medio jaren tachtig kwam het gratiebeleid erop neer dat een levenslang gestrafte na gemiddeld zeventien jaar onder voorwaarden vrijkwam, aldus Wiene van Hattum, die er onderzoek naar deed. Dit leidde niet tot grote brokken, schrijft zij, anders zou dat de kranten wel hebben gehaald.

Hans van Z., veroordeeld voor drie moorden, was in 1986 de laatste die onder dit oude gratiebeleid vrijkwam. Hij zat negentien jaar vast. Daarna begonnen ideeën over hardere straffen aan een langzame opmars, en inmiddels is de vroegere mildheid bijna onvoorstelbaar, althans vanuit Nederlands perspectief. De mildere benadering verplaatste zich naar elders, naar Duitsland, Portugal of Noorwegen.

Nieuwe, invloedrijke opvattingen over de levenslange gevangenisstraf kwamen vanaf de jaren zeventig op in Duitsland, blijkt uit een bijdrage aan de eerdergenoemde special van Dirk van Zyl Smit, hoogleraar vergelijkend penitentiair recht. Het Duitse federale constitutionele hof erkende het belang dat een lagere rechter had gegeven aan het meewegen van de menselijke waardigheid. Ook gevangenen zijn mensen en die mogen niet als middel worden gebruikt, bijvoorbeeld voor politieke doeleinden. Zij moeten de kans krijgen een levenslange straf uit te boeten, er moet de mogelijkheid zijn van vrijlating.

Dit leidde tot twee concrete grenspalen: levenslang gestraften moeten toegang hebben tot faciliteiten voor resocialisatie, zoals begeleid of onbegeleid verlof, zodat ze de risico’s kunnen lopen en de kansen kunnen grijpen die horen bij leven in een vrije samenleving. Bovendien was de enkele mogelijkheid van gratie in strijd met de waardigheid van de daders. Een rechter moest voortaan toezien op voortgang in de resocialisatie. De beslissing leidde tot aanpassing van de Duitse wet. Sindsdien moet over de vrijlating onder voorwaarden van eenieder in Duitsland die tot levenslang is veroordeeld en daarvan vijftien jaar heeft uitgezeten door een rechter worden geoordeeld.

Het lijkt erop dat het vroegere strafklimaat in Nederland tot gevolg had dat aan dit soort opvattingen lange tijd nauwelijks aandacht werd besteed. Terwijl in andere Europese landen de straf op haar inhumane kanten werd doorgelicht, en aangepast, was daar in Nederland geen aanleiding voor. Maar toen keerde de Duitse gedachtegang terug in de Europese rechtspraak, eerst voorzichtig, vervolgens met meer helderheid.

Concrete aanknopingspunten voor rechters in Nederland kwamen er pas in 2013 met de zaak-Vinter tegen het Verenigd Koningrijk. In een land dat de doodstraf pas in de jaren zestig afschafte, is levenslang een redelijk vaak opgelegd alternatief. Maar de Britse rechter bepaalt daarbij hoeveel tijd werkelijk in detentie moet worden doorgebracht en deze ‘tariff’ bedraagt meestal tien tot 25 jaar. Slechts bij uitzondering krijgt iemand net als Vinter een levenslange ‘tariff’. Dan is nog wel gratie mogelijk, maar alleen om redenen van compassie, zoals bij terminale ziekte of ernstige handicap. Dit lijkt op de positie van de tot levenslang veroordeelde in Nederland onder het huidige gratiebeleid.

Volgens het Europese Hof in Vinter is deze beperkte gratiemogelijkheid niet voldoende om aan schending van artikel 3 evrm te ontkomen. Iedere veroordeelde moet de hoop kunnen koesteren dat hij op een dag, onder voorwaarden, wordt vrijgelaten, kortom: dat zijn straf is uitgeboet. Die hoop moet geen ijdele hoop zijn, maar een reële kans, die op een bepaald moment wordt geboden, waarbij het Hof denkt aan maximaal 25 jaar na de veroordeling. Het Hof zegt nadrukkelijk dat levenslang niet op zichzelf al onmenselijk is (zoals de doodstraf), en als de veroordeelde een gevaar blijft, is levenslange opsluiting misschien de enige optie, maar zonder mogelijkheden om terug te keren in de samenleving, zoals het toelaten tot faciliteiten voor resocialisatie, wordt de straf wel onmenselijk.

Deze gedachtegang werd een soort van vaste rechtspraak. Maar de politieke gevoeligheid is zo groot, en de Britten waren zo geërgerd, dat er mogelijk een stap terug wordt gedaan. In de met Vinter vergelijkbare zaak-Hutchinson gaven gezaghebbende Britse rechters als weerwoord dat ook bij gratieverlening acht moet worden geslagen op artikel 3 evrm. Dat laat in het midden of de politiek zich daadwerkelijk iets aan de mensenrechten gelegen laat liggen, maar feit is dat het Europese Hof in kleine samenstelling deze verklaring onverwacht accepteerde. Binnenkort zal de volle kamer van zeventien Europese rechters zich opnieuw over Hutchinson uitspreken. Tot die tijd hangt nog enigszins in de lucht in hoeverre er recht op hoop is voor levenslang gestraften.

Aan slachtoffers van de schiet­partij werd gevraagd wat ze van het verlof vonden. Ze reageerden negatief

Hoe dan ook is Nederland volgens deskundigen in Europa in een betrekkelijke uitzonderingspositie terechtgekomen. Sommige landen, zoals Portugal en Noorwegen, kennen niet eens de ultieme straf, in andere landen is wat levenslang heet geen levenslang: daar gaat het vooral om de symbolische kant van het strafrecht, die in levenslang op magische wijze wordt uitgedrukt. Zo dacht men er in Nederland ook over, tot men overging tot letterlijke interpretatie.

Omdat de verharding pas echt begon op te komen in de jaren negentig zitten de meeste tot levenslang veroordeelden nog geen twintig jaar vast. Maar drie van hen zijn al meer dan dertig jaar gedetineerd, terwijl zij aan de politieke houding geen hoop kunnen ontlenen. Volgens Van Zyl Smit behoort de hele groep van inmiddels bijna veertig gevangenen vanwege de onzekerheid nog ooit vrij te komen tot de zwaarst gestraften in Europa. Hij schat dat er minder dan tweehonderd levenslang gestraften in Europa zijn, van wie de mogelijke vrijlating niet op een toekomstige vaststaande datum door een rechterlijk orgaan zal worden beoordeeld. Dit kan allemaal gaan meespelen, als het gaat om de vraag of Nederland artikel 3 evrm schendt.

De geschiedenis van Cevdet Y. illustreert het huidige beleid. Y. werd in 1983 opgepakt voor een schietpartij in het Delftse café ’t Koetsiertje. Daar doodde hij in enkele seconden zes mensen en verwondde er veel. Alleen het eerste schot is gekwalificeerd als moord en maakte een levenslange straf mogelijk. In de gevangenis bleek dat er sprake was van een stoornis. Y. werd na achttien jaar overgeplaatst naar een tbs-kliniek en, in die tijd nog niet ongewoon, met de staat werden afspraken gemaakt over zijn perspectief op resocialisatie. Vanaf 2002 kwam hij zodoende in aanmerking voor begeleid verlof en in 2006 achtte de kliniek de resocialisatie succesvol genoeg voor onbegeleid verlof. Y zat toen 23 jaar vast.

Maar de politieke wind was uit een andere richting gaan waaien en de minister liet weten dat levenslang gestraften in principe geen gratie kregen. Y. moest terug naar de gevangenis. In 2013 werd van staatswege als nieuwigheid geïntroduceerd dat aan slachtoffers van de schietpartij werd gevraagd wat ze van het verlof vonden. Ze reageerden negatief. Uiteindelijk beval de kortgedingrechter in 2014, na 31 jaar detentie, om Y. de gelegenheid te geven op onbegeleid verlof te gaan, vanwege de verwachtingen die bij hem in 2001 waren gewekt. De staat legde zich hierbij neer, onder protest.

Slachtoffers zijn een belangrijk politiek subject geworden, dat is een motor achter het huidige beleid. Fred Teeven (vvd) bouwde er zijn politieke carrière op en gebruikte zijn functie als staatssecretaris om een ongekende hoeveelheid maatregelen ten behoeve van slachtoffers tot wet te maken. Maar hoe belangrijk het ook is hen goed te behandelen, het strafrecht is bedoeld om de inbreuken op de rechtsorde te herstellen en die rechtsorde betreft ons allemaal, niet alleen de slachtoffers.

Dat naast de doodstraf ook de levenslange straf een kwestie van internationaal gewicht is geworden, blijkt uit de zaak van de Duitse diplomatenzoon Jens Söring, die in Amerika vastzit. Zijn levensverhaal, in november beschreven in The New Yorker samen met dat van zijn studiegenoot Elizabeth Haysom, staat centraal in de documentaire The Promise van de Duitse journalist Karin Steinberger en filmer Marcus Vetter. Haysom en Söring, beiden briljante studenten, ontmoetten elkaar in de jaren tachtig tijdens hun studie en kregen een hartstochtelijke relatie. Niet lang daarna werden de ouders van Haysom in hun eigen huis vermoord. Het stel werd ervoor opgepakt en veroordeeld, Haysom kreeg voor medeplichtigheid negentig jaar, Söring voor de dubbele moord twee maal levenslang. Dat hij niet de doodstraf kreeg, was te danken aan het Europese Hof. Söring verbleef indertijd in het Verenigd Koninkrijk en zou moeten worden uitgeleverd aan de staat Virginia. Dat was alleen toelaatbaar als niet de doodstraf werd opgelegd, vonden de Europese rechters in 1989.

Söring zit inmiddels bijna dertig jaar vast. Aan zijn schuld wordt getwijfeld, evenals aan die van Haysom. Beiden werden in de cel schrijvers, Söring schreef studies over het gevangenissysteem en zijn levensverhaal Nicht schuldig verscheen in 2012 in Duitsland. Hij vroeg de staat Virginia om hem over te dragen aan Duitsland, zodat hij zijn straf daar kon uitzitten, maar Virginia aarzelde omdat men vermoedde dat hij in Duitsland meteen zou vrijkomen – hij zit al langer vast dan in Duitsland gebruikelijk is. Desondanks was het na langdurige onderhandeling in 2010 bijna zo ver, maar toen kwam er een nieuwe gouverneur, die alles terugdraaide.

Ter rechterzijde laat de Nederlandse politiek zich liever door Amerika dan door Europa beïnvloeden. De softheid van de Nederlandse rechters, zo vindt men, is te ver doorgeschoten. Naast vergelding, met het oog op de slachtoffers, wordt opsluiting op zich als doel gezien: zolang daders vastzitten is de samenleving een veiliger plaats. Deze gedachten zijn in de kern een kopie van wat in Amerika leidde tot een zo massale opsluiting dat zelfs onder Republikeinen, vanouds voorstander van harde strafrechtelijke reacties, het besef is doorgedrongen dat het beleid om moet. Het is namelijk veel te duur.

In Nederland is men nog niet zo ver. In 2006 werd de maximaal tijdelijke straf verhoogd tot dertig jaar. De vvd heeft verhoging naar veertig jaar voorgesteld, mocht levenslang niet meer levenslang zijn. De staatssecretaris van Justitie, vvd’er Klaas Dijkhoff, beraadt zich sinds de zomer over deze aanpassing. De pvda wil zo’n aanpassing, maar de standpunten van vvd en pvda lijken nauwelijks met elkaar te verenigen. De noodzaak iets te doen, is niet alleen het gevolg van Europese of nationale rechtspraak. Deskundigen verwachten bij ongewijzigd politiek beleid ook een zodanige aarzeling van andere landen om verdachten aan Nederland uit te leveren dat dit alleen nog zal gebeuren onder de voorwaarde dat geen levenslang wordt opgelegd.

Onder rechters groeit het verzet. In het televisieprogramma Kijken in de ziel, waarin rechters werden geïnterviewd, verklaarden verschillende van hen moeite te hebben met levenslang zoals het nu wordt uitgevoerd. Afgelopen najaar bekritiseerden twee rechters en een raadsheer in het Nederlands Juristenblad collega-strafrechters die na ‘Vinter’ tussen 2013 en 2015 in totaal vijf maal levenslang oplegden zonder op het probleem van artikel 3 evrm echt in te gaan. Volgens hen is ten minste nodig dat indien levenslang wordt overwogen de zaak wordt aangehouden voor nader onderzoek naar concrete feiten en omstandigheden van het Nederlandse gratiebeleid. De rechtbank in Assen ging nog een stap verder door de volstrekte onzekerheid over eventuele gratie in de toekomst tot maatstaf van haar afwijzing van die straf te nemen. Het wachten is op de volgende zaak waarin levenslang wordt geëist.


Annerie Smolders was rechter en is publicist en gastonderzoeker bij het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (nscr)

Beeld: De zaak-Kromhout van der Meer. De verdachte hoort het vonnis: levenslang. Hij vermoordde de Haagse mevrouw Odem, 1930 (SPAARNESTAD PHOTO / HH)