Beri Shalmashi © Or Goldenberg

In een grachtenpand aan de Amstel, op driehoog, woont filmmaker Beri Shalmashi (39). Bij haar deur staat geen naamplaatje, dat durft ze niet. Als je niet precies weet waar je moet zoeken, zul je haar niet vinden. En dat doet ze bewust, want ja, de lange arm.

‘Willen jullie revolutiemokken?’ vraagt Shalmashi, waarna ze twee bekers met de leus ‘vrouw, leven, vrijheid’ op haar eettafel zet, al zit ze het liefst aan de koffietafel op haar gigantische Perzische tapijt, waar een gouden granaatappel op staat.

In Iraans Koerdistan is een dorp vernoemd naar haar familie, Shalmash, die weer vernoemd is naar een waterval. Het dorp is gelegen in een sprookjesachtig natuurgebied nabij de grens met Irak. Door de zon en waterdruppels weerspiegelt een regenboog, beginnend bij de waterval en eindigend in een horizon vol groen. Althans, op online beelden. Shalmashi is er slechts één keer geweest, bijna twintig jaar geleden.

Haar ouders sloegen met haar als peuter op de vlucht vanuit het kamp Gewredê, het tijdelijke hoofdkwartier van de kdpi, een Koerdische verzetsbeweging tegen de islamitische regering. Een plek waar niks meer van over is. Er is daar niemand. Iedereen met kinderen is gevlucht naar een land ver weg. Een enkeling ging door naar een volgend hoofdkwartier. Het waren de jaren tachtig en blijven was geen optie, alles was kapot. De plek bestaat alleen nog in een collectieve herinnering.

Tot 2017 heeft Shalmashi vijf jaar in de hoofdstad van Iraaks-Koerdistan gewoond, in Erbil. Tot het te gevaarlijk werd. Met haar emotie stond ze aan de andere kant van de grens, in Iraans-Koerdistan, met haar verstand bleef ze meestal uit de buurt van de Iraanse militaire posten. ‘Ik keerde terug naar Nederland en alles wat ik had meegemaakt, bestond hier niet. In de media waren er geen menselijke verhalen over de Koerden, ze werden alleen geportretteerd als grote helden in de strijd tegen IS, en daarna hoorde je er niets meer over’, zegt Shalmashi. Ze voelt zich verantwoordelijk voor het delen van het Koerdische verhaal, omdat het zo lang zo hard wordt onderdrukt. Als zij het niet doet, dan doet bijna niemand het.

Daarom maakte ze een korte film, Shouted from the Rooftops, over de Koerden als wegwerphelden. De korte film is een plaat geworden, die keer op keer met andere protagonisten kan worden afgedraaid. Twee geliefden, de vrouw vertrekt, de man blijft achter.

Nooit gedacht dat we tot dit punt van
zwijgen zouden komen
Je had het over een revolutie
Mijn liefde
Zeg me dan alsjeblieft
Als alles al kapot is, wat is dan het nut
van een revolutie?
Wie vertrekt, wordt iemand die altijd
terug wil komen
Ik blijf liever

‘Als diaspora ben je van nergens’, verzucht de filmmaakster. ‘Wat het personage in de film zegt, is hoe ik mij voel. Nu lijkt het of er iets gaat veranderen, maar tegelijkertijd voel ik me weer die vastgelopen plaat.’

In de film sluimert ook de angst door, voor revoluties. De angst dat de situatie voor iets ergers wordt ingewisseld. Dat de revolutie nu even duurt, vindt ze goed. Iraniërs moeten elkaar ontmoeten, begrijpen en leren kennen, de taboes en vooroordelen doorbreken. Volgens Shalmashi kunnen dan pas nieuwe politieke geluiden door het land heen ontstaan, en niet alleen vanuit de elite in Teheran.

Een goede vriend en filmmaker van haar loopt op dit moment gevaar in Iran, maar vlucht niet, hoewel hij wordt gezocht door het regime. Voorzichtig zegt ze: ‘Als je eenmaal weggaat verlies je je muze. Die strijd en behoefte om te vertellen, die raak je kwijt. Net als je waardigheid en je plek in de wereld. Verplant jezelf niet als het kan, want je weet niet of je gaat aarden.’ Ook hij zou de jongen uit haar film kunnen zijn geweest. Dan lacht ze, de emotie doorbrekend. ‘Goed lang antwoord hè? Zijn we nu klaar, hebben jullie alles?’

In 2019 schrijft Shalmashi in haar essay Het bergdorp met de platte daken, genomineerd voor de Anil Ramdas Essayprijs: ‘Hier zijn wij slechts holle mensen, zonder verleden. Zonder heden. Zonder toekomst zelfs, misschien. En altijd verkeerd begrepen. Verkeerd gelezen. Ik weet hoe zeer dat doet bij jou. Bij mij ook.’

‘Ik vind het belangrijk om te begrijpen waar je vandaan komt, maar waar begin je als je zelf hier bent opgegroeid? Ik heb altijd alles een beetje bij elkaar gepuzzeld’, zegt ze. En dat doet ze nog steeds, in al haar werk en activisme.

Sinds het begin van de demonstraties in Iran, zo’n drie maanden geleden, zijn door het Iraanse regime bijna vijfhonderd demonstranten vermoord en bijna twintigduizend mensen gearresteerd. Ook zijn er meerdere executies uitgevoerd, publiekelijk. De meeste Iraniërs in de diaspora zijn door de decennia heen voor datzelfde regime gevlucht, vaak omdat ze er vanwege hun activiteiten of ideeën niet meer veilig waren. De huidige situatie zorgt voor gemengde gevoelens van wanhoop en machteloosheid aan de ene kant, maar ook voor groeiend activisme en hoop.

Masoud Hamidifar © Or Goldenberg

Tussen de maanden november en december bracht Masoud Hamidifar (38) dagenlang door in de vrieskou. Hij sliep nauwelijks, niet omdat hij geen dak boven zijn hoofd heeft, maar uit protest. Eerst zat hij acht dagen voor de Iraanse ambassade in Den Haag, daarna twintig dagen voor het ministerie van Buitenlandse Zaken. Een dag voor onze afspraak belt hij met de boodschap dat hij zijn zitstaking zal stopzetten. ‘Willen jullie mij dan nog steeds spreken? Anders blijf ik hier nog een nacht slapen.’

Op een troosteloos grijs bedrijventerrein in Zaandam komt Hamidifar goed ingepakt het hoge hek met prikkeldraad van het asielzoekerscentrum uit gelopen. Binnen mogen we hem niet spreken, want de bureaucratie laat geen spontaan bezoek toe. ‘But it’s my home’, probeert hij nog, tevergeefs. Samen rijden we naar Den Haag, wij voor een afspraak, hij voor een protest. Als Hamidifar niet demonstreert, voelt hij zich machteloos.

Vanuit de bijrijdersstoel begint hij te vertellen. Hij komt uit het stadje Saravan, gelegen in het zuidoosten van Iran, dicht bij de Pakistaanse grens. Het is het armste gedeelte van Iran, waar het kwik tijdens de kurkdroge zomers met gemak de vijftig graden Celsius aantikt. En het is een omgeving waar de hidjab al door jonge meisjes moet worden gedragen en de boerka, nikab en chador bij volwassen vrouwen vanzelfsprekend zijn.

Hamidifar vertelt hoe hij erachter kwam niet in Allah te geloven. Opgegroeid in een strenge islamitische gemeenschap in de provincie Balochistan ging hij in 2015 op vakantie met zijn collega’s. Iedereen wilde bidden, hij niet. Al gauw spraken ze over religie en Allah. Het woord atheïsme kende hij niet, het is geen vocabulaire dat je leert in zijn gemeenschap, want daar is het geloof in Allah een gegeven. Zijn werkgever ontsloeg hem, zijn zwangere vrouw scheidde van hem, en hij werd bedreigd door zijn eigen familie.

Steeds meer mensen in zijn omgeving ontdekten het, hij moest tijdelijk het land verlaten. Althans, dat is wat hij dacht. Een jaar na zijn vertrek naar Turkije kreeg hij een berichtje van zijn familie met een duidelijke boodschap: er was een doodvonnis tegen hem uitgesproken. Het is nu zeven jaar later, en hij heeft nauwelijks contact met zijn drie kinderen, zijn jongste zoon heeft hij nooit gezien.

Hierna werd hij activistisch. Dat hij in Turkije voor het eerst het internet zonder vpn kon gebruiken, raakte hem. ‘Wat ik feitelijk deed op Facebook was niet zo belangrijk, maar het gevoel! Het gevoel dat ik zonder angst berichten kon delen en dat niemand mij in de gaten hield, dat gevoel is zo belangrijk. In Iran wist ik niet zoveel over vrijheid. Alsof ik een verdovende injectie had gekregen, om me er niet mee bezig te houden. Ik was me onbewust van de betekenis van vrijheid en onvrijheid. Ik besef nu dat het hele volk zou moeten kunnen genieten van de vrijheid die ik hier heb.’

In zijn woorden klinkt geen spoor van nuance, want Hamidifar kan het Iraanse regime en de islam niet loskoppelen. De dood van Mahsa Amini veranderde iets in hem. Voor haar dood was zijn activisme met name gericht op de Baloch-gemeenschap, een etnische minderheid in Iran, daarna op de regering. ‘Het drong tot mij door dat wij eerst een seculiere overheid moeten hebben, voordat de maatschappij dat kan zijn. De taboes in de samenleving moeten worden doorbroken en religieuze leiders – vooral in de provincie Balochistan – moeten niet meer als heilig worden beschouwd.’

Volgens de activist zijn de ogen van Nederland te veel op Teheran gericht, daar waar de stem van de burgers altijd al zwaarder klinkt. In zijn provincie vond eind september Bloody Friday plaats, de dag waarop 96 demonstranten in Zahedan door het regime werden vermoord. De etnische minderheden vormen een meerderheid van de ter dood veroordeelde gevangenen in het land.

‘Mijn connectie met Iran is sterker dan ik lange tijd heb willen toegeven. De huidige situatie raakt mij heel diep’

Toch is Hamidifar hoopvol over de toekomst, want de verandering is begonnen. ‘Ik weet dat mijn acties hier het Iraanse regime niet koud laten, want het huis van mijn gezin in Iran is binnengevallen, mijn familieleden worden bedreigd. Daardoor heb ik nu al maanden geen contact met mijn broer en zus gehad, de enigen die ik nog regelmatig sprak’, zegt hij. Het enige wat hij nog bezit uit Iran, zijn drie foto’s.

Farah Karimi © Or Goldenberg

De kerstboom wordt opgetuigd in het tijdelijke gebouw van de Eerste Kamer der Staten-Generaal. Geen zilveren versieringen dit jaar, horen we de werknemers zeggen, maar er moeten wel slingers in. Terwijl Eerste-Kamerlid Farah Karimi (62) ons ophaalt uit de wachtruimte blijkt de piek nog zoek. Al pratend worden we door het doolhof van het gebouw naar de kamer van GroenLinks geleid, waar we vanuit het raam zien hoe de Haagse kerstmarkt wordt opgezet.

Tijdens haar eerste zes jaren in Europa leefde Karimi nog met één been in Iran. Ze maakte deel uit van de Iraanse Volksmoedjahedien, een linkse verzetsbeweging. Na een paar jaar weekte ze zich los van de organisatie. ‘Ik heb me echt van hen moeten bevrijden. De organisatie was enorm hiërarchisch, steeds minder democratisch, en leek steeds meer een sekte, met verheerlijking van de leiders’, zegt Karimi. ‘Daarna is mijn leven in Europa pas echt begonnen. Ik besefte dat ik nu echt in Europa woonde, dat de toekomst van mijn zoon hier lag.’

Volgens Karimi voel je je geborgen in een gemeenschap. Samen sta je voor iets groots, met de wil om dingen te veranderen, met idealen, moed en adrenaline. ‘Daarom kan ik me goed identificeren met de jongeren van nu. Ik was als scholier en student ook bereid mijn leven te geven.’ Bijna al haar medestudenten uit die tijd zijn geëxecuteerd of hebben jarenlang vastgezeten.

‘Het huidige regime in Iran heeft geleerd van de Revolutie in 1979’, zegt ze. ‘Toen ik als student actief was voor de revolutie, was het regime wankel en waren de universiteitscampussen juist vrijplaatsen. Nu lopen er veiligheidsdiensten en regime-aanhangers rond, de jongeren van nu staan oog in oog met diegenen die hen op willen pakken. De bruutheid van het regime is ongekend, net als de onverschrokken moed die de studenten, jongeren en vooral vrouwen laten zien. Ze zijn compromisloos. Dat er nu niet van bovenaf een ideologisch georganiseerde, gestructureerde beweging is, bemoeilijkt het regime juist om de revolutie neer te slaan.’

Volgens Farah Karimi verkeert Iran al meer dan honderd jaar in een permanente staat van revolutie, al sinds de constitutionele revolutie van 1905-1911. Iedere twintig tot dertig jaar herhaalt de geschiedenis zich met een nieuwe revolutie. ‘Het stemt me hoopvol, want een autoritaire staat is een fragiele staat en niet toekomstbestendig. De jongere generaties zijn de oude, religieus-conservatieve mannen die met de scepter zwaaien zat. Ze zijn connected met de rest van de wereld, waar ze sociale en individuele maatschappelijke vrijheden zien. Maar de rest van de wereld is ook veranderd. Vroeger was het makkelijker om naar Europa te emigreren of naar de Verenigde Staten en Canada. Ook gevluchte activisten kunnen vandaag de dag legaal geen kant meer op.’

Het houdt Karimi bezig, de vraag wat diaspora eigenlijk inhoudt, en wie daartoe behoort. ‘Ik zie mezelf als iemand in ballingschap, omdat ik niet vrijwillig ben weggegaan. Het is geen vrije keuze geweest, maar een tussen leven en dood. In de praktijk kan ik niet terug. Ik ben betrokken bij Iran, ik ken het land, ik hou van de mensen, de literatuur, de kunst, de geschiedenis, de taal. Het zijn allemaal dingen die iemand…’ even zoekt ze haar woorden, ‘iemand maken. Het zijn mijn wortels. Maar ik heb ook een geschiedenis hier, al veertig jaar. Ik ben al twintig jaar onderdeel van het democratisch bestel in Nederland, ik ben hier. Ik wil niet terug. Door ballingschap is een substantieel deel van het leven mij ontnomen. Ik was er niet bij toen mijn broer ging trouwen, ik heb mijn neefjes en nichtjes niet zien opgroeien, ik was er niet toen mijn ouders overleden. Maar dat kan je niet herstellen, daar kun je niet naar terug. Dat is weg, het is er niet. Een balling zijn betekent voor mij dat ik die vrijheid niet heb gehad.’

Identiteit is volgens Karimi niet statisch. Als Nederlandse volksvertegenwoordiger heeft ze Iran lange tijd gerationaliseerd, ze definieerde het als buitenlands beleid. ‘Maar mijn connectie met Iran is sterker dan ik lange tijd heb willen toegeven’, zegt ze. ‘De huidige situatie raakt mij enorm, echt heel diep. Ik laat dat nu meer toe, dat ik een Nederlandse Iraniër ben. Eigenlijk een wereldburger. Daar ben ik trots op.’

Iran, dat zijn de vrouwen die als helden van 2022 op Time Magazine staan, maar ook de moellahs. Het is een land waarin mensen vrijheid willen, maar waar ook mensen zijn die onderdrukken, martelen en bereid zijn om anderen te vernederen, te vermoorden, te executeren, om onrecht in stand te houden. ‘Beide vormen het land. Vergeet dat niet’, verzucht Karimi. ‘We weten van dictatoriale systemen dat met machtsmiddelen een grote groep mensen kan blijven worden onderdrukt. Ook een meerderheid. Ik hoop dat de onderdrukkende minderheid zich ook gaat afvragen of hun systeem wel de toekomst heeft. En wat kunnen wij hier doen? Het regime een hoge prijs laten betalen, ze uitsluiten, zodat ze merken dat ze een paria zijn. Politieke, diplomatieke en economische druk op het regime moet maximaal. Hopelijk ziet ook de Europese Unie het licht, want de prijs voor de bevolking is al zo hoog.’

Reza Eskandari, Asefeh met Nour en Tahereh Khorrami © Or Goldenberg

In het huis van Reza Eskandari (61) en Tahereh Khorrami (59) is het warm, en niet alleen de temperatuur. Aan de muur hangt een gigantisch geborduurd wandkleed, gemaakt door Tahereh, vlak nadat ze in Iran als politiek gevangene werd vrijgelaten. Op de grond ligt een blauw-wit Perzisch tapijt en overal hangen foto’s van familie, ook achter de roze versierde kerstboom op de open haard. ‘Mijn lievelingskleur!’ roept kleindochter Nour (3), die de ornamenten mocht kiezen.

Dochter Asefeh (35) begint te vertellen. Tijdens de Iran-Irakoorlog zaten ook haar ouders bij de Volksmoedjahedien. Uit veiligheidsoverwegingen werd ze als peuter van tweeënhalf jaar oud voor een half jaar naar een gastgezin in België gestuurd. Tot op de dag van vandaag weet ze niet wie haar gastgezin is geweest. Na haar terugkomst als peuter in Iran namen haar ouders afstand van de organisatie. Ze werden ballingen. Toen Asefeh vier jaar oud was, werd het gezin Nederland in gesmokkeld.

‘Ik ben opgegroeid in Groningen en was altijd gewoon een Nederlander. Zo kaas als maar kon. Maar na 9/11 had ik een identiteitscrisis.’ Asefeh knipt met haar vingers. ‘Zo, van de ene op de andere dag was ik een buitenlander. Ik wilde weten waar ik dan vandaan kwam, of ik me daar wel thuis zou voelen.’

Ze vertrok richting Iran, naar de zuidoostelijke stad Ilam. Ze was de taxi nog niet ingestapt of de chauffeur vroeg al waar ze vandaan kwam. Want de mensen in het dorp stappen eerst met hun hoofd in, Asefeh met haar derrière. Een jaar later ging ze weer naar Iran, maar ditmaal kreeg ze een duidelijke boodschap mee van de Iraanse inlichtingendiensten: ‘Kom niet terug.’

‘We zijn een succesvol gezin’, zegt Tahereh, ‘we hebben een huis, we hebben gestudeerd, we leven al dertig jaar in Nederland. We zijn Nederland dankbaar. Maar je hebt altijd een innerlijke strijd, een innerlijk gemis.’ Asefeh valt haar bij: ‘Orbat, in het Farsi. Als je het land van herkomst mist, dan leef je in orbat. In ballingschap.’ Reza: ‘Je moet je iedere dag bewijzen, dat heeft te maken met je geschiedenis. Dat je hier niet bent geboren en getogen.’

Gemis is onvervangbaar, niet door een huis, niet door financiële stabiliteit. ‘De emotie in mij brult’, zegt Tahereh. Die emoties verzamelde ze bijna twintig jaar geleden in een gedichtenbundel.

Sommigen noemen me een vreemdeling,
Anderen zeggen vluchteling,
Paar roepen buitenlanders,
Vaak hoor ik ook allochtoon.
Er wordt een duidelijke grens getrokken.
Allochtonen en autochtonen
een etiket en een stempel
Ik ben een jonge verwarde allochtone,
buitenlandse, vreemdelinge vluchteling.

In Iran werd Tahereh op haar zestiende gearresteerd voor het lezen van verboden boeken en omdat ze lid was van een politieke organisatie. Ze zat drie jaar vast in de gevangenis, waar ze werd gemarteld, en net zo erg, moest toezien hoe haar kameraden hetzelfde lot ondergingen. ‘Wat nu in Iran heerst, heerste dertig jaar geleden ook al. We vechten nog steeds voor dezelfde basale rechten. Het recht te mogen kiezen, het recht op ademen.’

Als medeoprichter van Women Life Freedom Nederland organiseert Asefeh solidariteitsprotesten en brengt ze jonge generaties Iraniërs samen. Terwijl in Iran alle inwoners gelijke rechten eisen, zijn de stemmen van Nederlandse Iraniërs volgens haar nog te vaak verdeeld. Er werd bijvoorbeeld geruzied over welke foto’s en welke vlaggen omhoog mogen worden gehouden tijdens de demonstraties. Als ze daar kritiek op uit, wordt de pijnlijke kaart getrokken: maar jij bent niet in Iran opgegroeid. ‘Je woont in een democratisch land en je staat met z’n allen in de kou om te vechten voor democratie in een ander land, en dit zijn de ruzies’, zegt Asefeh.

Verdeel en heers, het is jarenlang een tactiek van het islamitische regime. In de gebieden met de grootste armoede zijn de rijkste grondstoffen. Dezelfde provincies waar de demonstranten meedogenloos kogels door het hoofd krijgen en waar de wreedheden moeilijker de media bereiken. ‘Al veertig jaar worden door minderheden in Iran leuzen geroepen, door de Baluchi, de Koerden, de Arabieren en de Azari. Maar nu, nu zeggen ze voor het eerst allemaal Iraniër te zijn. Ze willen eigen rechten, en vooral dezelfde rechten.’

Ondertussen zitten we allemaal met een bord kabsa op schoot, gekruide saffraanrijst met groenten en lamsgehakt. Zodra het gaat over de toekomst en hoe een democratisch Iran eruit moet zien, duurt het niet lang voordat het gesprek uitloopt in een opgewonden discussie met inbreng van alle kanten, als een stereo-muzieksysteem.

‘Dit was vroeger mijn vrijdagavond, jongens’, grapt Asefeh. ‘Er werd gekaart, er werd gepraat, er werd flink gediscussieerd. We hadden een heel hechte gemeenschap waar we dat mee deden. Maar op dit moment zijn we binnen onze kern eindelijk united.’