Menno Hurenkamp

Verplicht sinds 1906

Beschavingen zijn te classificeren aan de hand van de manier waarop ze met conflicten omspringen. We kunnen praten en slaan en dat kan allebei hard en zacht. Hoe meer we praten om leed en ergernis weg te werken, hoe beschaafder de beschaving. Soms werkt ook heel hard praten niet meer. Dan wordt het slaan. Liever niet te lang en niet te hard, en bij grote voorkeur in wettelijk verband, maar wat moet dat moet. Een beschaving die dat vergeet, is dom en dus minder beschaafd.

Jammer genoeg zijn er ook conflicten waarbij slaan niet zo’n zin heeft als je uitgepraat bent. Een pvda’er wil afvallig moslim worden, een andere pvda’er wisselt daarover met hem van gedachten en voor je het weet wekt Jan en alleman – alle PVDA’ers incluis – de indruk dat de Oost-Duitse Stasi hier actief is. Wie twee keer luistert naar de kleine verschillen in zo’n titaantjesgevecht, weet dat meer praten en luisteren op de korte termijn niet veel zal uitmaken. Ook een goeie mep voor de ene of voor de andere pvda’er zou niet veel verschil maken, bovendien is niet helemaal duidelijk wie precies het recht zou hebben wie te slaan.

Iets mankeert er aan ons repertoire van praten en slaan. Er moet iets tussen. Iets in de buurt van een zachtaardige klap of een onuitgesproken vloek. Iets dat helpt tegen mensen met wie men liever niet in direct contact komt, maar die onvermijdelijk toch dichtbij komen. U kent ze, de lieden met wie een botsing onvermijdelijk lijkt. U wilt eigenlijk niet tegen ze praten. Niet alleen omdat u hun de intimiteit van uw stem niet gunt. Ook omdat u nagedacht hebt over wat u aan het doen bent, en daarom niet van plan bent uw koers te veranderen. Want uw mond open doen suggereert dialoog en dialoog suggereert onderhandelingsbereidheid. Aanleiding voor slaan als alternatief is er ook nog niet. U wilt iets, maar wat? Naarmate de moderniteit voortschrijdt, doet deze ongemakkelijke situatie zich vaker aan u voor – op uw werk, tijdens uw hobby’s, misschien zelfs aan de keukentafel.

Op dit punt aangekomen breng ik een van de hogere vruchten van onze beschaving nog eens onder de aandacht. Het schermt me vriendelijk af van ongewenst contact én voorkomt vermoedelijk veel ruzies. Het is een verfijnd en erkend kompas in het publieke domein. Het is de enige vorm van interactie waar ik nooit over twijfel. Praten hoeft niet, slaan hoeft niet, en toch begrijpen mensen die zich op mijn pad begeven dat ze even aan de kant moeten.

De fietsbel.

Je wordt begrepen zonder uitleg, gewaardeerd zonder concessies, en komt toch geen moment zeurderig of bedreigend over. Het is het enige verzoek dat ondubbelzinnig vriendelijk maar dringend is. Sekseneutraal ook, en niet discriminerend trouwens. Bellen werkt niet altijd, en niet overal. Maar zodra bijvoorbeeld een god in het spel is, lijkt zo’n altijd opgewekt instrument erg nuttig. Want reken er niet op dat er ooit een moment komt waarop we elkaar met zijn allen begrijpen, wat er ook wordt uitgestort aan maatschappelijke dialogen, referenda en andere experimenten. Het leven is vol en druk, en het zou mooi zijn als we te midden van al dat onbegrip ons engagement met de ander zo nu en dan konden uitdrukken met niet anders dan een krachtige vingerbeweging. Universeel herkenbaar vrolijk getinkel, te interpreteren naar hartelust, maar alsjeblieft wel plaats maken, héél eventjes hoor.