Profiel van Breyten Breytenbach

‘Verraaier’ van zijn bastaardvolk

Breyten Breytenbach, dichter en schilder, is een buitenbeentje in de Zuid-Afrikaanse literaire wereld. Als ‘politiek dichter’ is hij onbegrepen. Maar Breytenbach is meer, veel meer dan dat. ‘Hij doolt rond in wat hij de “middenwereld” noemt, een man zonder vaste woon- of verblijfplaats, die vol machteloze woede en verbijstering de destructie en schoonheid om zich heen gadeslaat.’

VOOR DRIE GENERATIES was het lezen van Breyten Breytenbach een openbaring, een duik in het machtige verbodene.
Zuid-Afrika, jaren zeventig. Fanie de Villiers (1956) is een buitenbeentje, een verloren tiener die graag een vriendinnetje wil. Maar de meisjes zien hem niet staan, dat gedrongen kereltje dat niet van rugby houdt en niet eens die langarm kan dansen. Als hij wiskunde en computerwetenschappen studeert aan de Universiteit van Pretoria is hij de nerd die zijn ogen uit kijkt naar de aantrekkelijke jonge vrouwen van de kunstfaculteiten.
Maar op een dag, hij is net 21, slaat hij in de universiteitsbibliotheek een boek open met de poëzie van Breyten Breytenbach. ‘Het was als een stomp in mijn maag… radicaal anders dan alles wat ik ooit had gelezen. Hij schreef vanuit een andere wereld, over een andere wereld. Niettemin was hij totaal doordrenkt van zijn moedertaal, die hij ontzettend krachtig gebruikte.’
Fanie citeert uit zijn favoriete gedicht Nagmaal uit Die ysterkoei, waarin de dichter een blik werpt op zijn slapende geliefde, die vitaliteit en verval oproept: ‘Jy is ’n vlinder van trillende lug/ en in jou knabbel jou karkas reeds.’
Geïnspireerd door Breyten ging Fanie schrijven. In 2003 kwam zijn bekroonde autobiografische roman Kontrei uit, een curieuze combinatie van harde porno en literatuur, waarin de ongeremdheid, speelsheid en eerlijkheid van Charles Bukowski en Breyten Breytenbach hand in hand gaan. ‘Breytenbach liet zien wat taal vermag’, zegt Fanie, die zijn held een keer ontmoette, op een festival in Oudtshoorn. ‘Hij was relaxed, gebruind na uren van zon. Hoewel er uit zijn schrijven een zekere mate van onzekerheid en vluchtigheid spreekt, is hij in levende lijve charismatisch en zelfverzekerd. Bovendien heeft hij een uitstekend gevoel voor humor.’
Michael Titlestad (1964) woonde in Verwoerdburg, een voorstad van Pretoria, met een grote legerbasis. Zijn leraar Afrikaans, meester Grobbelaar, deed iets ongebruikelijks: hij liet de jongens poëzie van Breytenbach lezen. ‘De schok van die surrealistische teksten in Verwoerdburg! Dat had enorme impact’, zegt Titlestad, die carrière zou maken als professor Engelse literatuur aan de Universiteit van Witwatersrand. ‘Breytenbach is een meester in self-styling, hij is enigmatisch, een estheticus en ongrijpbaar postmodern. Hij is arrogant en zonderling.’
Toen Danie Marais (1971) opgroeide zong de naam Breytenbach overal rond. ‘Volksverrader’, ‘communist’, ‘erger dan Mandela’: dat was de dichter volgens degenen met een onwankelbaar geloof in apartheid. Breytenbach had gevangen gezeten wegens lidmaatschap van een terreurgroep, hij had Taal en Volk belachelijk gemaakt en zijn werk was deels verboden. Zodoende was op de christelijk-nationalistische middelbare school die Danie bezocht alleen zijn gedicht Stukkende gedig verplichte kost, een ongevaarlijk vers over de valkuilen van poëzie. Pas op de universiteit, begin jaren negentig, ontdekte Danie de veelzijdigheid van de dichter. ‘Ik verwachtte de Che Guevara der letteren. In plaats daarvan kreeg ik verbijsterend mooie liefdesgedichten onder ogen. Ik was dol op zijn lyriek, zijn rijke buitenaardse beelden en de donkere romantiek – de bedwelmende mengeling van seksualiteit en een poëtische doodwens.’
In 2006 publiceerde Marais zijn debuutbundel In die buitenste ruimte, die driemaal werd bekroond.

BREYTEN BREYTENBACH (Bonnievale, 1939) is zonder twijfel Zuid-Afrika’s belangrijkste levende dichter. Tevens is hij prozaschrijver, essayist, schilder en activist. Hij is een tijdgenoot van Nadine Gordimer en André Brink, die zich in de jaren zeventig en tachtig eveneens fel tegen apartheid uitspraken. Maar waar Gordimer en Brink met hun moralistische, gestolde proza nauwelijks literaire navolgers hebben, is Breytenbach voor talloze schrijvers en dichters nog immer een grote bron van inspiratie. Denk behalve aan De Villiers en Marais ook aan de veelgeprezen Zuid-Afrikaanse dichter Charl-Pierre Naudé (‘Ik moest hem zo snel mogelijk “vermoorden” om mijn eigen stem te vinden’), de overleden schrijver en begenadigd stilist Henk van Woerden, maar ook aan singer-songwriter Gert Vlok Nel, de punkband Fokofpolisiekar en zelfs industrial rocker Paul Riekert, die Breytenbach elektronisch begeleidde op de cd Mondmusiek.
Breytenbach heeft zich ooit de onmogelijke taak gesteld om met woorden het effect van beeldende kunst en muziek te evenaren, zoniet te overtreffen. Hij begon vijftig jaar geleden als schilder en past die technieken toe op zijn woordbeelden, op zijn ‘diepte-klanken’. ‘Schilderen leerde me over het fysieke belang van textuur, kleuren, stiltes, resonantie, patronen, structuren en perspectief, synchronisme en dissonantie… van woorden. Het maakte me bewust van het stoffelijke van het medium. Bovendien zijn veel van mijn gedichten kleine schilderijtjes. Schilderen blijft van vitaal belang voor mijn aanpak’, verklaart hij per e-mail uit Parijs, de stad die hij begin jaren zestig tot de zijne heeft gemaakt.
Dat is het wonderbaarlijke en unieke van Breytenbach: veeg het politieke laagje weg en er komt zo veel moois, zo veel mooiers, te voorschijn. Hij blijft volgens Charl-Pierre Naudé in zijn eigen land nog altijd grotendeels onbegrepen. ‘Men ziet hem hier liever als “liefdespoëet” of als “politieke dichter” dan als metafysische dichter. Terwijl dat laatste hem, mijns inziens, juist in internationale zin zo belangrijk maakt.’
Dat internationale, die hang naar culturele en geografische verrijking, maakte Breytenbach al snel tot een buitenbeentje in de Zuid-Afrikaanse literaire wereld. De jonge Breyten, opgegroeid op het platteland van de West-Kaap, pakte in 1960 zijn boeltje en vetrok als vierdeklaspassagier op een Portugees schip naar Zuid-Europa. Na wat omzwervingen belandde hij in Parijs.
De Franse hoofdstad, toentertijd een toevluchtsoord voor schrijvers en kunstenaars uit alle windstreken, moet een openbaring zijn geweest voor de jonge aspirant-kunstenaar wiens kennis van la vie bohème zich beperkte tot het destijds dorpse Kaapstad. ‘Openbaring? Wellicht’, e-mailt hij. ‘Jeugd is immers altijd het hoogtepunt van extase. En zeker, ik laafde me aan de algehele atmosfeer van Parijs, als een moveable feast en een laboratorium van vindingrijkheid, experimenteerdrang, transgressie, nieuwe denkwijzen (met Camus uiteindelijk van grotere invloed dan Sartre) – en dit alles verbonden met een avant-gardistische politieke Internationale en theorieën van transformatie. Om Hemingway te citeren: “We waren arm maar gelukkig.” Het was een waar privilege om door dezelfde straten te slenteren en in dezelfde bars te drinken als Beckett, Giacometti en Ionesco, om schrijvers en vluchtelingen uit Argentinië en Rusland en Mexico en Cuba en Marokko en Mali en Holland en Denemarken en Brazilië (…) tot je vrienden te rekenen.’
Breytenbach schudde de Afrikaner ballast van zich af. Voor hem geen Nederduits Gereformeerde Kerk, geen Broederbond en geen raciale superioriteit. In Parijs ontmoette hij de Vietnamese Yolande (echte naam Hoäng Lien Ngo, oftewel Gele Lotus), met wie hij trouwde. In zijn vaderland zou zo’n ‘gemengd’ huwelijk verboden zijn geweest. Hij verdiepte zich in het boeddhisme, dat een onderbelichte maar voorname rol zou spelen in zijn levensbeschouwing en schrijfkunst – het proberen op te lossen van het onoplosbare. Hij werd lid van de groep rond Sensei Deshimaru van de Soto Zen-school in Parijs: ‘Uiteindelijk overleed hij aan leverziekte. Elke ochtend na de meditatie dronk ik een glaasje whisky met hem. Hij sprak me aan vanwege de leer van niet-hechten en zelf de verantwoordelijkheid nemen om de “ik” weg te cijferen. Ik kon me geen grotere vrijheid voorstellen. Het is nog steeds van wezenlijk belang voor mijn kijk op de wereld. Het voelt belangrijker dan ooit, ook al zit ik op het moment niet bij een groep. Ik merk dat mijn dromen en mijn werk een voortdurende verdieping van de meditatie zijn.’

PARIJS EN DE BALLINGSCHAP zorgden voor een toenemende afstand tussen Breytenbach en zijn vaderland, waar de Nationale Partij en het veiligheidsapparaat met sjamboks en legerkisten rondmarcheerden in een bruinrode smurrie van onderdrukking en geweld. Voor progressieve Zuid-Afrikanen was hij een verre vriend, de brug naar Europa. Zijn conservatieve landgenoten beschouwden hem als verraaier, zeker toen hij in 1973 – voor het eerst sinds zijn vertrek weer terug in Zuid-Afrika – in Kaapstad voor een gehoor van achthonderd mensen de bastaardaard van de Afrikaners en het Afrikaans blootlegde, in een poging om Taal en Volk uit de maliënkolder van vermeende superioriteit te bevrijden. ‘Ons is ’n bastervolk met ’n bastertaal’, sprak hij. ‘Ons aard is basterskap. Dis goed en mooi so. Ons moet kompos wees, ontbindend om weer in ander vorme te kan ontbind (…) In daardie gedeelte van ons bloed wat van Europa kom, was die vloek van meerderwaardigheid.’
Twee jaar later werd hij gearresteerd. Hij had de schimmige verzetsgroep Okhela opgericht, een blanke revolutionaire cel die zich zou bezighouden met sabotage en guerrilla-acties. Een onwerkbaar romantisch idee voor een zenboeddhistische dichter natuurlijk, en het wekte dan ook weinig verbazing dat hij eenvoudig kon worden gearresteerd toen hij in 1975 onder een valse naam Zuid-Afrika bezocht. In The Breytenbach File stelt André Brink dat hij zo verstrikt was geraakt in iets waar hij helemaal niet geschikt voor was, iets wat hem in artistiek opzicht verlamde, dat hij de arrestatie bewust uitlokte, de enige uitweg. ‘Hij behoefde niet alleen fysieke ontsnapping, het was een zucht naar de Apocalyps, naar de complete verlossing’, schrijft Brink.
Breytenbach werd tot negen jaar gevangenisstraf veroordeeld, waarvan hij er zeven uitzat. In de gevangenis schreef hij als een bezetene, om ruimte te scheppen in zijn hoofd. Hij werd een internationale beroemdheid. Toen hij in december 1982 na buitenlandse druk vervroegd werd vrijgelaten (en kort daarop het Frans staatsburgerschap kreeg) zat hij vast aan het imago van politiek dichter, ook al bezwoer hij dat ‘dichten niet zoveel uithaalt’, dat het ‘geen werkelijk verzet’ is, en dat je ‘voor deze dichter niet hoeft te vrezen’.
Maar het leed was geschied, er was geen weg terug: Breytenbach en activisme waren een duivels pact aangegaan dat een permanente schaduw over zijn schrijf- en schilderkunst zou werpen. Hij was de outsider met de afstandelijke, cynische blik van de insiders, een vrijdenker die te anarchistisch was om zich bij welke partij dan ook aan te sluiten. Waar Gordimer en Brink lange tijd het ANC de hand boven het hoofd hielden, waarschuwde Breytenbach al in 1993, een jaar voor de eerste democratische verkiezingen in Zuid-Afrika, voor het monster van corruptie en machtswellust.

HIJ KAN HET NOG STEEDS niet laten om af en toe de welbespraakte nar te spelen. In zijn in december 2008 in Harper’s gepubliceerde brief aan Mandela ter gelegenheid van diens negentigste verjaardag trekt hij stevig van leer tegen de Mandela-industrie (‘After all, your aura is for sale, and your entourage is very needy and greedy’) om daarna het land, zijn verloren vaderland, aan de schandpaal te nagelen. Een land met een ‘schijnbaar oneindige optocht van corrupte clowns op alle niveaus’, vol geweld en wreedheid, waar je ‘wordt vermoord voor je mobieltje of een paar centen’.
De buitenwereld lust er wel pap van en drukt Breytenbachs pamfletten gretig af. Maar in Zuid-Afrika is het niet zozeer zijn activisme (die opsommingen van ellende kennen ze daar wel) als wel zijn verhouding tot de Afrikaners en het Afrikaans die steeds weer voor opschudding zorgt. Nog altijd roept hij heftige tegenstrijdige gevoelens op, van vernietigende kritiek tot innige omarming. Haat-liefdeverhouding is een te gemakkelijk etiket. Het gaat dieper. Het heeft te maken met noodlot. Breytenbach is nergens thuis, een Fransman met een raar accent, die steeds dreigt dat hij niet meer in het Afrikaans zal schrijven, maar het ten slotte toch niet kan laten, niet anders kan. Hij zit gevangen in die taal en zijn herinneringen aan dat verfoeide land, dat hij in zijn reisboek Woordvogel ‘Neukland’ noemt.
Als een moderne nomade zwerft hij tussen Parijs, Senegal, New York en Zuid-Afrika, ronddolend in wat hij de ‘middenwereld’ noemt, een man zonder vaste woon- of verblijfplaats, die zich overal en nergens thuis voelt en die vol machteloze woede en verbijstering de destructie en schoonheid om zich heen gadeslaat.
‘Het is de wanhoop van zijn isolement die Breyten dwingt om zo creatief te zijn met zijn scheppingskracht en beelden’, merkte Danie Marais op in een recensie van de recente bundel Die windvanger, een somber boek vol verwijzingen naar de dood van mens en taal. Breytenbachs angst voor het Afrikaans als taal voor grafstenen past vlekkeloos in de donkere krochten van zijn geest. ‘Jy sal ’n wind hoor mopper in die bome van ’n dooie taal’, schrijft hij in Die heildronk.
Gevraagd om zijn houding ten aanzien van het Afrikaans en Zuid-Afrika te verduidelijken, antwoordt Breytenbach: ‘Het is duidelijk dat ik altijd een buitenstaander was en dat altijd zal blijven, hetgeen onvermijdelijk onbegrip, aanvallen van betrokkenheid, bezorgdheid en afstoting met zich meebrengt. Zuid-Afrika is altijd een land geweest van enorme veerkracht, maar ook van voortdurende stront. Het is over het geheel genomen parochiaal en hypocriet – hetgeen voor een groot deel de endemische corruptie verklaart. Het kent ook een vorm van schier onuitputtelijke wreedheid – in zijn waanzinnige constructies als apartheid en het rauwe, hebzuchtige kapitalisme, maar ook in het persoonlijke en inter-persoonlijke geweld. In moreel opzicht is het een gefaalde staat.’
Onder de Afrikaanstalige schrijvers beschouwt hij zichzelf als een vreemde eend in de bijt: ‘Ik ben die gedetribaliseerde en waarschijnlijk decadente oom wie het soms een beetje naar zijn zin moet worden gemaakt als hij opzichtig uitgedost ongepaste cadeautjes komt uitdelen, zonder onderdeel te zijn van het dagelijkse discours. En ik heb werkelijk weinig voeling met wat er nu in de schrijfwereld gebeurt. Niets begrijp ik bijvoorbeeld van de obsessie met God en religie en kerk en homoseksualiteit en de schijnheilige schuldgevoelens en de kinderlijke seksuele fantasieën en de politieke kruiperigheid. De Afrikaners bestaan niet langer als een herkenbare, autonome eenheid. Ik ben van de generatie die het overlijden van een volk meemaakte en nu, onvermijdelijk, ook de doodstrijd van een taal.’

OPVALLEND GENOEG hebben de Engelstalige Zuid-Afrikanen nooit veel voeling gehad met Breytenbach. Volgens Michael Titlestad hadden die zich vooral gestoord aan zijn revolutionaire periode: ‘Die had alle schijn van een simulatie van verzet, een waanbeeld.’ The True Confessions of an Albino Terrorist werd weliswaar goed ontvangen, maar daarna ontstond er vooral begripsverwarring. Breytenbachs poëzie laat zich erg moeilijk vertalen. Een woord als ‘Woordfoël’ is typisch breyteniaans, een drielagig woord dat verwijst naar vogel (voël in het Afrikaans), pik (eveneens voël in het Afrikaans) en het Engelse fool.
Regelmatig probeert Breytenbach het in het Engels. Maar zijn laatste prozaboek, het surrealistische, semi-autobiografische A Veil of Footsteps (Memoir of a Nomadic Fictional Character) werd in de Engelstalige pers neergesabeld. ‘Misschien komt het omdat hij in het Engels schrijft dat zoveel uitdrukkingen doodslaan en blijven steken’, sneerde de Mail&Guardian. ‘Dichters hebben geen enkel verstand van proza schrijven’, schamperde de Sunday Independent. En in de Sunday Times werd Breytenbach in een reportage afgeschilderd als een hooghartige, vieze oude man die net iets te graag naar vrouwenbillen en -borsten koekeloert.
Breytenbach zelf wond zich op zijn beurt daar weer over op. Hij schreef een repliek, in het Engels, waarin hij de Anglo-Boerenoorlog van 1899 nog eens dunnetjes overdeed. In zijn e-mail is hij iets milder: ‘Ik bewonder J.M. Coetzee en ik heb het genoegen gehad om flink wat goede Engelstalige Zuid-Afrikaanse auteurs te ontmoeten: Zakes Mda, Njabulo Ndebele, Jo-Anne Richards, Gus Ferguson, en laten we de oudgedienden als Roy Campbell en Bosman niet vergeten. Maar over het algemeen is de Engelstalige Zuid-Afrikaanse literatuur een uitdrukking van gemarginaliseerde imperialistische onderdanen, van koloniale snobs en uilskuikens.’

OP 16 SEPTEMBER wordt hij zeventig. Onveranderd hard werkt hij door aan zijn oeuvre, dat inmiddels vele duizenden pagina’s beslaat en als een huid van woorden en beelden over zijn leven kan worden gelegd, als uitdrukking van zijn pogingen om het onoplosbare op te lossen en het ‘ik’ en het ‘ander’ met elkaar te verbinden.
Nog altijd schrijft en schildert hij, vaak over de dood, immer onbevreesd. ‘Ik weet zeker dat ik al jarenlang een karikatuur van mezelf ben, en van hoe (vermoed ik) mensen zoals ik behoren te zijn. Gelukkig ben ik te oud om te weten wanneer ik mezelf herhaal. Laten we het erop houden dat ik en de muze samen oud zijn geworden, maar in mijn vertroebelde blik is zij nog even sexy als vroeger. Tevens heb ik (wie die ik ook moge zijn of geweest is) schrijven en schilderen altijd als een proces ervaren, als uitingen van ademhalen. Je kunt zeggen dat ik als de worm ben die meent dat hij de wereld heeft geschapen alleen omdat hij zijn eigen omgeving heeft opgepeuzeld en nog steeds verder oppeuzelt.’