Ger Groot

Verrassing

Het grote wonder van de muziek is dat zij zelfs bij de tiende of honderdste maal nog kan verrassen. Dat is vreemd, want na een paar keer luisteren weten we: nu komt een wisseling in het akkoordenschema, nu valt het koor in, nu klinkt plots vanuit de verte een hobo. Zelfs de beruchte paukenslag uit Haydns 94ste symfonie doet ons niet meer rechtop schieten in onze stoel.

Toch noemt Nadia Boulanger de verrassing het wonderbaarlijke van de muziek, waarvoor zij buigt en God dankzegt. En zij heeft recht van spreken. Ze was waarschijnlijk de invloedrijkste docente in compositieleer die de twintigste eeuw gekend heeft. In Parijs vormde zij meerdere generaties – vooral Amerikaanse – musici en componisten, van Aaron Copland tot Philip Glass.

Uit de interviews die de violist en documentairemaker Bruno Monsaingeon gedurende de laatste jaren van haar leven met haar maakte, heeft het jongste nummer van het tijdschrift Nexus (nr. 45) een selectie gemaakt. Ze figureert in een themanummer over schoonheid in de muziek, gedrapeerd rond de dit jaar als Nexus-lezing uitgesproken voordracht van de cellist Janos Starker. ‘Wat is een meesterwerk?’ was de vraag die hem werd voorgelegd. Tot voor kort, zo zegt Starker, zou hij haar op de simpelst mogelijke wijze geantwoord hebben: de cello opnemen en het meesterwerk tonen.

In zijn voordracht moet Starker dat laatste via videofragmenten hebben gedaan. In het tijdschrift is hij veroordeeld tot woorden, die van hun kant allerminst verrassend blijken. Tijdloosheid, eenheid, beheersing in balans en duur, onverwoestbaarheid, zuiverheid en eenvoud zijn enkele van de kenmerken die Starker aanwijst, maar veel is daarmee nog niet gezegd. Karakteristiek voor een meesterwerk zijn al die eigenschappen pas wanneer ze reeds daarin zijn onderkend. Ook een saai deuntje heeft zijn eenheid, zelfs te veel, en juist daardoor wordt het alles minder dan een meesterwerk. Analytisch valt er met Starkers classificatie niet zo veel aan te vangen.

Daarvoor is ze vermoedelijk ook niet bedoeld. Starker gebruikt zijn kenmerken als opstapjes naar veelzeggende voorbeelden en anekdotes. Tóen deed Van Beinum dit, toen gebeurde er in deze maatsoort dat… Als het er op aankomt kan hij alleen maar wijzen naar de gezegende momenten waarover Boulanger het heeft: de gebeurtenissen waarin zich ogenschijnlijk hetzelfde afspeelt als honderden keren eerder en later, en die toch onweerstaanbaar nieuw is. Het werk dat die ervaring incarneert – omdat het dat vermogen tot verrassing tegen alle slijtage in bewaart – mag gelden als een meesterwerk. In de muziek, die inwendig leeft van de herhaling en zich ook uitwendig steeds weer opnieuw beluisteren laat (daaraan danken wij de radio, de grammofoonplaat en het gros van het muziekleven) toont die wet zich in zijn zuiverste gestalte.

Maar ook voor de literatuur geldt zij, zo onderstreept Boulanger met haar eigen inleidende voorbeeld. Ooit zag ze een Turkse voorstelling van Sofocles’ Oedipus. Niets verstond ze ervan, en toch was de gedachte van het stuk stap voor stap te volgen – ook in zijn onwaarschijnlijkheid. Niets doet op zich immers vooraf vermoeden dat Oedipus zijn vader heeft vermoord en moeder beslapen. Zij wist het, dwars door de Turkse onverstaanbaarheid heen, en toch – zo mijmert Boulanger – ‘ontwikkelt het drama, ook al ken je het verloop, zich zo dat je altijd weer opnieuw verrast wordt’.

Daarin zijn weten en niet-weten op bijna paradoxale wijze met elkaar verwikkeld. Het is alsof we, precies wetend hoe het zit, doen alsof we dat niet weten, maar de verrassing die ons overvalt bewijst tegelijk dat die onwetendheid niet alleen maar geveinsd is. In dit dubbele ‘alsof’ schuilt een werkelijkheid waarop de fictie geen vat krijgt, omdat ze raadselachtiger is dan de simpele bevestiging die volgens de logica gelijk staat aan de dubbele ontkenning.

Het voorbehoud van onze onwetendheid valt samen met onze kennis, alsof die laatste inwendig door een oneindig dunne sluier van zichzelf gescheiden wordt. De sluier tussen weten en niet-weten is de ervaring dat ons weten, hoe ver het ook oprukt, door deze incongruentie altijd van zichzelf vervreemd blijft. We weten dat de dingen zó zijn en zó moeten lopen en tegelijk beseffen we dat we – in weerwil van alle redenen die ons weten aanwijst – nog altijd in het duister tasten over het ‘waarom’ daarvan. Aan die oneindigheid raakt het meesterwerk, wanneer het ons weten en niet-weten bijeenbrengt in één sublieme ervaring.

Zou het zo ongeveer in zijn werk gaan wanneer ik bij Haydns symfonie al lang niet meer schrik, maar altijd weer ontsteld ben over zijn onbeschaamdheid? En wanneer de slotstrofe van Achterbergs Thebe mij voor de vijfhonderdste keer even amechtig als droefgeestig overvalt: ‘Maar had geen adem meer genoeg/ en ben gevlucht in dit gedicht:/ noodtrappen naar het morgenlicht,/ vervaald en veel te vroeg’?