Het leek even hachelijk te worden voor Hugo de Jonge eerder deze maand. De oud-cda-leider en minister voor Volkshuisvesting stond tegenover een felle Tweede Kamer in het debat over de mondkapjesdeal met Sywert van Lienden en co. Had De Jonge als minister van Volksgezondheid wel genoeg openheid gegeven over zijn bemoeienis bij die deal? Attje Kuiken (pvda) diende een motie van wantrouwen in. De Jonge was ‘niet eerlijk’ geweest en heeft de Kamer ‘niet tijdig en volledig’ ingelicht. De NRC telde maar liefst twintig excuses van De Jonge. De minister overleefde het. ‘Ik was niet betrokken bij de deal, maar ik heb wel betrokkenheid gehad.’ Tja. Een dag later vond De Jonge alweer dat de Kamer wel een toontje lager mocht zingen.

Veel wijzer werden Kamer en burger niet, fraai was het evenmin. Hoe staat het eigenlijk met ons controle- en verantwoordingsstelsel? In juni 2020 bracht de Raad van State een bezorgd ongevraagd advies uit: ‘de rollen’ en ‘spelregels’ in dat controle- en verantwoordingsstelsel zijn ‘verrommeld’. Ministers worden door de Kamer gecontroleerd op basis van het samenspel tussen twee regels: de ministeriële verantwoordelijkheid en de vertrouwensregel. Die twee zijn niet hetzelfde. De minister is verantwoordelijk voor al zijn of haar handelen of niet-handelen in functie. Daarover moet hij of zij de Kamer op verzoek en uit eigen beweging inlichtingen verstrekken. Bij disfunctioneren kan het vertrouwen in de minister opgezegd worden. Maar de vertrouwensregel is breder: de Kamer kan om élke reden het vertrouwen in iedere minister (of het hele kabinet) opzeggen. Tot zover de theorie.

De praktijk is grilliger. Dat leidt volgens de Raad van State tot ‘frustratie’ en ‘kan het vertrouwen van burgers in de politiek en het bestuur duurzaam aantasten’. Rutte’s ontsnapping in het ‘functie-elders’-debat moest toen nog komen. Als we de balans een jaar later opmaken was dat debat eerder de opmaat naar een verdere verrommeling dan een ‘reset’. Rutte’s ‘radicale’ ideeën over een nieuwe bestuurscultuur ten spijt. Daarbij heeft ook de coronacrisis haar uitwerking niet gemist.

Allereerst het mondkapjesdeal-debat. Hugo de Jonge nam de vlucht naar voren en gaf uitleg in de Tweede Kamer. Maar daardoor stond staatsrechtelijk wel de verkeerde minister zich te verantwoorden – het had de huidige verantwoordelijke minister Conny Helder moeten zijn. Niet de minister als persoon, maar het instituut minister legt verantwoording af. ‘Ongebruikelijk’, aldus De Jonge zelf. Dan het evacuatie-debacle in Afghanistan vorig jaar september. Minister van Buitenlandse Zaken Sigrid Kaag trad af. De overrompelde minister van Defensie Ank Bijleveld aanvankelijk niet. Beiden kregen een motie van afkeuring – lichter dan een motie van wantrouwen, maar hun lezing van die motie was in eerste instantie kennelijk anders.

Van Thijn kwam met een oplossing: de vertrouwensregel aan algemene normen binden

Hugo de Jonge werd vorige zomer op een verhitte persconferentie na al te snelle versoepelingen, ‘dansen met Jansen’ en geëxplodeerde besmettingscijfers gevraagd of hij nog kon aanblijven. Hij vond van wel. Rutte ook: ‘Hij gaat niet aftreden.’ Geen: ‘Dat is aan de Kamer.’ Dat was geen incident, het past in de routine tijdens de coronacrisis. Het parlement buiten beeld en – want het is crisis – de ministeriële verantwoordelijkheid en vertrouwensregel feitelijk opgeschort. Dat werd soms ook letterlijk zo gezegd. Gert-Jan Segers had de motie van wantrouwen tegen Rutte in het ‘functie-elders’-debat niet gesteund omdat zoiets ‘onverantwoord’ zou zijn ‘in de coronacrisis’. Voor hun hoekige optreden boden Rutte en De Jonge later excuses aan.

Is het tij te keren? Het tegengaan van verdere verrommeling wordt in ieder geval belemmerd door een cultuur van ‘excuus aanbieden en door’. Evalueren doen we later wel – het nam een hoge vlucht tijdens de coronacrisis. In 1998 waarschuwde de recent overleden pvda-politicus en Den Uyl-hoogleraar Ed van Thijn al voor een ‘sorry-democratie’, in een gelijknamig boek geschreven met zijn studenten. Natuurlijk hoeft er op fouten niet altijd een sanctie te volgen. Een democratie is een lerend, zelfcorrigerend systeem. Maar je kunt ook overdrijven en fouten te makkelijk wegpoetsen met excuses.

Van Thijn kwam met een oplossing: de vertrouwensregel aan bepaalde coalitie-oppositie overstijgende, algemene normen binden. In zijn oratie Politiek en bureaucratie had hij hiertoe al een aanzet gegeven. Dat is onbegonnen werk. De vertrouwensregel laat zich nou eenmaal niet temmen. De minister kan weggestuurd worden om zijn stropdas, maar toch aanblijven als zijn of haar ministerie ernstig uit de bocht vliegt. Het gevoel in de Kamer telt.

Toch kan Van Thijn ons inspireren. Want waar Van Thijn de vertrouwensregel tevergeefs wilde uittillen boven de ‘spelregels’ die worden bepaald door politieke krachtsverhoudingen zouden wij juist daar kunnen beginnen met zoeken. Het meest recente regeerakkoord bevat bijvoorbeeld een verzoek aan het kabinet om de ‘informatievoorziening aan de Kamer te verbeteren’. Waarom spreken de coalitiepartijen niet af om een minister naar huis te sturen bij een evident gebrekkig gebleken informatievoorziening? Of het gebeurt is natuurlijk een tweede, maar het zet de discussie in de Kamer vooraf op scherp. Het transformeert het toezien op een juiste en volledige informatievoorziening tot een politieke afspraak. Een radicaal idee.