Verrotte belgische werkelijkheid

HET GODDELIJKE MONSTER, de nieuwste roman van Tom Lanoye, begint verraderlijk. Al in de eerste alinea wordt beschreven hoe Katrien Deschrijver haar man per ongeluk doodschoot. Typisch iets voor jou, zou hij hebben gebruld als hij nog had geleefd. Hierna wordt Katrien uitgebreid getypeerd: ze is een ‘allemansprinses’, een ‘engel klaar om haar vleugels te ontvouwen’, een heks en een fee, een femme fatale, ze is, kortom het goddelijke monster uit de titel. Ze is, zo wordt de lezer ingewreven, een spiegel waarop iedereen projecteerde wat hij het meest begeerde of verachtte, een lege plek die zich modelleerde naar ieders verwachtingen. Ze is zogezegd een wandelend cliché.

Wie denkt dat de hele roman om Katrien draait en alle doden die ze - per ongeluk - op haar geweten heeft, komt bedrogen uit. Na een bladzijde of zestig blijkt dat Lanoye het op haar hele familie heeft gemunt, zo'n typisch Belgische familie die even notabel is als corrupt. Nog weer verder wordt duidelijk dat hij met de ondergang van de familie de pervertering van België heeft willen schilderen. Zoals hij ergens schrijft, behandelt het boek ‘de rottenis in de kaste, de politiek én het systeem’. Je zou dan ook kunnen zeggen dat beerput België de werkelijke hoofdpersoon is van de roman. En niet alleen Katrien is clichématig, haar hele familie en heel België worden te boek gesteld als één groot cliché.
HET GAAT IN Het goddelijke monster allemaal van dik hout zaagt men planken. Tom Lanoye doet dat met opzet, op verschillende plaatsen in de roman schrijft hij expliciet over kitsch, melodrama en soap. De schrijver is de hofnar, zijn boek is grand guignol. Neem alleen al de familie Deschrijver. Behalve de beeldschone Katrien bestaat die uit haar vader Herman, bankier en ooit rechterhand van de sjoemelende minister-president. Haar 'nonkel’ Leo, handelaar in kamerbreed tapijt, is de ploert van de clan. 'In hem komen alle kwalen van ons volk tot bloei’, laat Lanoye nog weten. De twee broers van Katrien zijn homoseksuelen, de een openlijk en de ander in het geniep, die elkaar in het zwart van de dark room uitgebreid bevredigen. Dan zijn er nog een aan pillen en soaps verslaafde moeder, een slaafs maar doortrapt zusje, en drie kogelronde tantes die als een kwetterend koor de daden van Katrien van commentaar voorzien.
Of kijk naar de groteske ontwikkelingen in de roman. De ongelukkige moord van Katrien op haar man gaat zo: het paar is uit jagen en krijgt een knallende ruzie. De echtelieden gaan ieder huns weegs, Katrien verdwaalt en hoort in de struiken het bronstige geknor van een opgewonden zwijnebeer. Ze schiet, maar het mannetjeszwijn blijkt haar man te zijn die een vrouwtje probeert te lokken. 'Hij had’, schrijft Lanoye, 'zijn beste imitatie van de bronstkreet in de strijd gegooid, hartstochtelijk hopend dat het varken zich door hem zou laten verleiden. Dat was gelukt.’
Het scheelde maar een haar of hij had zijn vrouw omgelegd.
Als nonkel Leo zijn gram wil halen op zijn broer Herman, die onder alle omstandigheden even keurig en onaantastbaar blijft, gaat dat als volgt: hij brengt zijn broer het slechte nieuws van de moord op diens zwager en de arrestatie van oogappel Katrien telefonerend vanaf de toiletpot. 'Hij was op de wc gaan zitten om te schijten. Schijten, ja. Andere mensen mochten zich ontlasten zo veel ze wilden, Leo Deschrijver scheet en hij scheet graag. (…) Hij zat als in een betegelde cockpit, naar beneden duikend in een gevechtsvliegtuig. Op de begane grond wist men al dat er een bom op komst was maar wanneer die zou vallen en met welke kracht, daarover besliste Leo en Leo alleen.’
Ach, beerput België, als daar geen anale metaforen bij passen.
NATUURLIJK IS DE hofnar, zoals het een hofnar betaamt, ook een moralist. In Het goddelijke monster bedrijft Lanoye onvervalste satire en daarin hoort dat personages en gebeurtenissen bigger than life zijn. Maar de vraag is of de satire, met al zijn gelonk naar kitsch en melodrama, ook verrast, bijt en schuurt. Het antwoord is, helaas, nee. Hoofdpersoon België heeft de afgelopen tijd zo veel aandacht gekregen in de krant, dat veel in de roman overbekend is. Sterker nog: al lezend bekruipt je het gevoel dat de roman slechts een zwakke afspiegeling van de verrotte Belgische werkelijkheid is.
De corruptie van de familie Deschrijver en de machinaties die moeten worden ondernomen om zwart geld en belastend materiaal in de veilige safe van een Zwitserse bank te plaatsen zijn nauwelijks onthutsend. De cynische onderzoeksrechter Willy De Decker die het virus in het geoliede computersysteem van het geperverteerde België wil zijn, lijkt gewoon sprekend op de fanatieke onderzoeksrechter die we kennen uit de krant.
Het pijnlijkste zijn nog de alinea’s die regelrecht verwijzen naar de affaire-Dutroux. 'Tsják, tsják, tsják!’ laat Lanoye een van de broers denken. 'Dinsdag, woensdag, donder, vrij - moest je die kranten zien. Hij had ze reeds in ’t vliegtuig en de bar van De Corridor kunnen lezen. De losers, provincialen, amateurs. Ze hadden eindelijk ook hun seriemoordenaar. Een echte Belg (hoera) had in gezinsverband (typisch) een half dozijn maagden om zeep geholpen, keurig federaal verdeeld (twee Vlaamse en twee Waalse, één uit Brussel en één uit Marokko). Beng! Voorpaginanieuws, al drie, vier dagen lang.’
HET GROOTSTE probleem van Lanoyes satire is dat je alle burleske ontwikkelingen met erg veel distantie beziet. Nergens word je bij je nekvel gegrepen, want over alle pagina’s ligt de dikke saus van Lanoyes ironische stijl. Je ziet hoe de personages zich in onmogelijke bochten wringen en raakt niet geïnteresseerd, laat staan dat je je met hen kunt identificeren. Er worden in de roman verschillende registers bespeeld, maar op veel plaatsen struikel je over de overdadig ingezette metaforen en adjectieven. 'Mayonaise der verrukking’, lees je, en een bladzijde verder staat er alweer 'slasaus der aanvaarding’. Wat te denken van: 'Mijn libido verdroogde als een rochel in de zon’ en: 'Zij (…) gleed nu als een slak achterwaarts haar kurkentrekkershuisje in’. Aan de volgende passage valt geen touw meer vast te knopen: 'Maar uit het eelt van hun verwijten stak reeds een stekeltje de kop op. Een averechtse likdoorn die smeekte om verzoening. (…) De brute beschuldigingen waren als een stuk zeep van Katrien afgegleden. Maar het stekeltje schramde haar huid. Meer had ze niet nodig. Ze barstte uit als een bergrivier.’
Wat is in godsnaam een averechtse likdoorn? Sinds wanneer kan een likdoorn smeken? Zeep kan van iemand af glijden, maar een stuk zeep?