INTERVIEW: remco campert 

«Verrukkulluk is niet meer het woord»

Van Remco Campert verscheen een nieuwe roman, Het satijnen hart. Toch alweer de tweede in korte tijd, terwijl hij zichzelf eigenlijk niet geschikt acht voor het langere verhaal. «Misschien eindig ik wel eens met een turf.»

Remco Campert (1929) heeft zichzelf hervonden als romancier. Lange tijd leek het erop dat Campert de schrijver van de korte baan was geworden, met zijn columns, verhalen en poëzie. Tot twee jaar geleden toch weer een roman verscheen, Een liefde in Parijs, na vijftien jaar radiostilte op dit gebied. Hoewel Campert zich altijd wat schroomvallig heeft uitgelaten over het schrijven van een roman – hij zou er tot zijn spijt niet geschikt voor zijn, of hij zou het gewoonweg niet kunnen – verscheen onlangs alweer een nieuwe: Het satijnen hart._Zo’n langdurige radiostilte kan betekenen dat een schrijver op zoek is naar een nieuwe vorm en/of toon. Iets dergelijks lijkt bij Campert het geval te zijn. De laatste twee romans verschillen duidelijk van het lichtvoetige werk waarmee hij beroemd is geworden, zoals _Het leven is verrukkulluk en Tjeempie!Het satijnen hart verhaalt over de oude schilder Hendrik van Otterlo. Hij leidt een teruggetrokken bestaan in een appartement, waar hij alleen nog maar af en toe een gouache schildert. Ooit was hij een gevierd kunstenaar, maar zijn laatste belangrijke doek heeft hij al lang geleden geschilderd – op de dag dat hij werd verlaten door zijn grote liefde Cissy («dat rotwijf»). Maar de ouwe brompot probeert te veranderen. Hij probeert het leven opnieuw met open vizier tegemoet te treden.
Hoe ontstaat een personage als Hendrik van Otterlo?

Remco Campert: «De hele roman is eigenlijk ontstaan toen ik de eerste zinnen opschreef. Ik had een vaag idee. Ik wou twee vrienden hebben, dat wel, en het moesten schilders zijn. Maar van de ontwikkeling van het verhaal wist ik eigenlijk nog niet zoveel. Ik ben niet een schrijver die van tevoren precies plant wat hij later gaat invullen. Het ontstaat terwijl ik het doe. Ik wist ook dat ik een oude man wilde beschrijven, in dit geval omdat ik zelf nu ook een oude man ben. Al heb ik hem nog iets ouder gemaakt dan ik nu ben. Maar heel veel van die kwaaltjes die ik beschrijf, die zullen ongetwijfeld nog komen. Dus ik zit mezelf alvast een beetje voor te bereiden – het wordt alleen nog maar erger.»

«Het ontstaat terwijl ik het doe.» Hoe gaat dat in zijn werk?«Ik merkte dat ik tijdens het schrijven van deze roman de balans goed in de gaten hield, misschien vergelijkbaar met hoe een schilder dat doet. Langzaam vult hij het doek, door steeds meer toetsen aan te brengen. Op een gegeven moment denk je: ja, daar moet iets bij, want daar ontbreekt nog iets. Naarmate de roman vorderde had ik bijvoorbeeld behoefte aan de zee. Ik dacht: er moet wat meer blauw bij, bij wijze van spreken. Dus schreef ik een passage waarin Van Otterlo naar zee gaat; hij kon niet alsmaar mopperend thuis blijven zitten. Of ik ben met iets bezig en dan voel ik dat er straks een dialoogje moet komen, of iets dergelijks. Aan het eind hoop ik dan een soort evenwicht bereikt te hebben. Dat is het wikken en wegen dat zich in mijn hoofd afspeelt.»Naar analogie van het schilderen: in welke «periode» van uw schrijverschap zit u nu?«Dit is een kleurige periode. Ik denk dat het vroeger wat grauwer was op de een of andere manier, vooral de tijd waarin ik veel korte verhalen schreef. Je zou dat mijn grijze periode kunnen noemen. Nu laat ik meer kleur toe, heb ik zelf de indruk.»Het valt inderdaad op dat in uw schrijven iets is veranderd. Wat ons betreft is dat vooral de toon, die serieuzer, wat zwaarder en heel gedreven lijkt te zijn. Voelt u dat zelf ook zo?«Misschien ja, maar dat kan ik zelf niet zo goed overzien. Dat gedrevene klopt wel, dat heeft misschien ook te maken met de leeftijd. Ik denk steeds: hoeveel tijd heb ik nog? Kom op, opschieten! Maar wel je kop erbij houden en zeker geen flodderwerk afleveren. Het gaat me er niet om maar weer een boekje uit te geven. Kijk, vroeger, ten tijde van Het leven is verrukkulluk, was ik me er eigenlijk niet van bewust dat je ooit zou sterven. Terwijl dat ook toen iedere dag had kunnen gebeuren. Maar daar dacht ik helemaal niet aan. Nu speelt die gedachte wat vaker door m’n hoofd.»
Bent u beter gaan schrijven?

Remco Campert: «Ik heb meer inzicht in mijn schrijven gekregen, zou je kunnen zeggen. Ik denk dat ik iets beter weet hoe het moet dan vroeger. En ik heb meer discipline. Voor een deel komt dat door de column die ik drie keer per week voor de Volkskrant schrijf, die moet er altijd zijn. Ik ben ook nooit ziek geweest – dat kan gewoon niet. En tegenwoordig moet ik veel dingen op afstand houden, de dingen die ik altijd met grote liefde beoefende. Ik zit niet meer zo vaak in cafés bijvoorbeeld. Zo min mogelijk althans. Mijn lichaam dwingt me daar ook toe, ik raak sneller moe. Vroeger kon ik de hele nacht, tot het ochtendkrieken, doorwerken. Wat dat betreft heeft het leven zich omgedraaid. Maar ik voel me niet vervelend daardoor. Integendeel, juist erg prettig. Of het leven nog steeds verrukkulluk is? Jazeker, maar verrukkulluk is misschien niet helemaal het woord. In wezen ben ik wel gelukkig. En verder is het aangenaam.»

U heeft met dit boek de binnenwereld van een oude kunstenaar beschreven die op het einde van zijn leven wroeging voelt. Hij moet zo langzamerhand erkennen dat hij zich, door zijn ijdelheid, nooit heeft kunnen binden aan een vrouw.«Nou, ik zou het niet direct ijdelheid noemen, het is eerder een zekere hoogmoed. Die heeft hij niet tegenover zichzelf overigens; tot zijn grote ontstemming stelt hij het verval van zijn lichaam genadeloos vast, en hij beklaagt zich daarover. Maar die hoogmoed zit vooral in de houding die hij altijd heeft ingenomen tegenover anderen. Hij meet zich een positie aan die mensen op een afstand houdt, ter bescherming van zichzelf.»Hij heeft zijn leven altijd in dienst gesteld van de kunst; al het andere, inclusief de liefde, maakte hij daaraan ondergeschikt. Is dat een noodzakelijke houding voor een kunstenaar, wil hij slagen in wat hij doet?«Ach, kunstenaars zijn er natuurlijk in alle soorten. Maar je moet je wel kunnen afzonderen. Je moet sommige dingen in het leven kunnen overslaan. Dan laat je wel eens dingen slippen. Zoals Van Otterlo die vrouw heeft laten slippen.»
U moet ook periodes hebben gehad waarin u te veel met uw werk bezig was.

Remco Campert: «Jawel, het overkomt je wel dat je toch meer geïnteresseerd bent in wat je zelf doet dan in wat anderen in je leven doen. Dat is soms lastig. Je moet ook aandacht aan je kinderen geven, bijvoorbeeld. Daarom heeft Van Otterlo nooit kinderen gewild. Ik heb wel altijd geprobeerd leven en werk te combineren. Maar kijk, het is je werk. Je moet het doen. En als je het serieus neemt, kun je het niet tijdelijk even overslaan. Ik kan dat in ieder geval niet, ik moet er steeds bij blijven.»Hoe komt het dat u de laatste tijd «in de romans» bent?«Eigenlijk dacht ik na de vorige: dit is niet genoeg, ik moet er nog een schrijven. Ik was ook niet helemaal tevreden met het einde van Een liefde in Parijs. Een tijd geleden, nog vóór die roman, was ik wel aan een novelle bezig, maar die kwam alsmaar niet af. Toen dacht ik, nou dat proza zal er wel niet meer van komen. Zo’n soort moedeloze gedachte. Tot opeens… ik heb me er niet bij neergelegd, blijkbaar.»Voelt u zich completer nu u twee romans achter elkaar heeft geschreven?«Ja, en het kan nog iets completer, daarom komt er nóg een. Maar dat is een goede beschrijving van wat ik voelde. Ik dacht, dat miste nog. Ik heb vroeger natuurlijk wel een paar romans geschreven, kleine romans en korte verhalen, maar er moest toch meer body komen in het geheel. Ik kan me een leven zonder schrijven niet voorstellen. Schrijven geeft me een prettig gevoel. Er zijn eigenlijk twee prettige momenten. Eerst is er het voornemen om weer aan iets nieuws te beginnen. En dan is er het moment van beginnen, het schrijven zelf, en dat is het leukste natuurlijk. Het schrijven zelf is de grote vreugde. Ik ben altijd op weg naar het volgende. Niet uit dwang, maar gewoon, uit pure zin d’r in. Ik heb het romanschrijven nu in de vingers zitten. De volgende wordt weer iets dikker, zodat ik misschien wel eens eindig met een turf.»

Remco Campert_Het satijnen hart_De Bezige Bij, 176 blz., e 16,50_Zoem_Luisterboek met vijf cd’s, ca. 350 min., e 17,50