Versailles

Het is winter, het is koud. Nog geen sneeuwklokje of winterakonietje gezien. Veel ontmoetingen met dieren heb ik niet, vrijwel geen. Ik was in Parijs, daar was het eveneens heel erg koud. Mijn moeder was er ook. Ze vond Parijs erg mooi, maar zij had het nog kouder dan ik. We waren ook even in Nanterre, in een grijze omgeving, al hadden ze op het dakterras van de bibliotheek geprobeerd er iets van te maken voor wat betreft beplanting. Maar, zoals gezegd, het is winter, alles stond vrijwel levenloos roerloos, als het al niet dood was. In Versailles lag alles er strak bij, aan zo'n baroktuin beleef je zelfs hartje winter iets. Maar, zoals gezegd, het was erg koud en het waaide er ook nog venijnig en we liepen te midden van duizenden andere mensen, nogal wat schreeuwerige Fransen ook. Misschien slaan die de kou met overmatig praten en gesticuleren van zich af. Het water in de vele vijvers was bevroren, ik nam mijn moeder bij de arm als we een trap op of af moesten. Het enige lichtpuntje waren de hazelaars, die lieten hun geelgroene katjes zien. De zon scheen wazig, de vlaktes rondom het paleis lagen in een heiig licht, enorm uitgestrekt, goud blonk overal en overal waar je keek lag een zichtlijn.
Geen planten, eind januari. Geen dieren. Verdomd. Ik heb de afgelopen weken geen hond geaaid, geen paard in zijn fluwelen neusgaten gekroeld, geen kip opgejaagd. Geen kat bepoteld, geen hand in de bek van een kalf gestoken, geen vis gevoerd. Ik moet in een grote tuin een lange elzensingel opkronen, ik laat dat nog even uit mijn hoofd. Een zaag, laat staan een kettingzaag, in koude handen is onverdraaglijk en gevaarlijk bovendien. Als ik niet in Parijs ben, zit ik binnen en eet twee bollen knoflook in de week en drink daar twee netten perssinaasappelen bij. Elke dag rode wijn. Nog geen dag ziek geweest deze winter. Het is maandag, deze column is bijna te laat, maar nog net niet helemaal. Ik probeer op de valreep een boom- en dierenloze periode te beschrijven.