Sandra Kalniete, Op dansschoenen in de Siberische sneeuw;

Verscheurd Letland

Sandra Kalniete
Op dansschoenen in de Siberische sneeuw
Uit het Frans (En escarpins dans les neiges de Sibérie, 2003) vertaald door Marijke Koekoek
Van Gennep, 376 blz., 19,90

De moeder van Sandra, Ligita Dreifelde, was veertien toen ze van haar broer dansschoentjes kreeg voor haar eerste volwassenenbal, 14 juni 1941. Dezelfde nacht werd zij met haar ouders uit Letland naar Siberië gedeporteerd. Een jaarlang waren de schoentjes het enige schoeisel dat ze had. De titel is een samenvatting van het absurde arrestatiesysteem. En bewijst meteen hoe goed de massale deportatie geheim gehouden was. Het gebeurde een jaar nadat Letland geannexeerd en tot veertiende sovjetrepubliek gepromoveerd was. Toen in 1941 Duitsland het pact met Rusland verbrak, werd Letland andermaal bezet, door de nazi’s, die als bevrijders werden binnengehaald. Eind 1944 werd Letland weer door de Russen bezet en waren alle Letten collaborateurs. Meer dan honderdduizend mensen waren voor het Duitse leger geronseld, maar evenveel zaten er, grotendeels eveneens onvrijwillig, in het Rode Leger. Zo ingewikkeld lagen en liggen de historische en politieke verhoudingen in de Baltische staten.

Nog in 2004 ontstond er tumult op de Leipziger Buchmesse toen Sandra Kalniete, de eerste minister van Buitenlandse Zaken en vertegenwoordigster in de Europese Commissie, het waagde om de bruine en de rode terreur aan elkaar gelijk te stellen. Bovendien moest elke Let z’n mond houden, zo werd in Duitsland gezegd, aangezien het volk collectief schuld aan de jodenmoord had, en dat kennelijk tot in het verre nageslacht. Kalnietes boek, dat toen al in het Frans verschenen was (en in 2001 in het Pools) ging daarover. Het was, zoals gebruikelijk, door de Verontwaardigden niet gelezen. De noodzaak zich te verdedigen werpt een schaduw over het boek, dat al moeilijk genoeg was om te schrijven.

Kalniete is zelf in 1952 in Siberië geboren, waar haar ouders elkaar tijdens hun deportatie leerden kennen. In de eerste plaats vertelt zij de geschiedenis van haar familie: drie van haar grootouders kwamen in Siberië om. Behalve op schaars archiefmateriaal steunde zij op gesprekken met haar moeder en vader. Getuige de bibliografie heeft ze tevens een geschiedenis van de drie bezettingen willen schrijven, en dat is te veel tegelijk. De familiegeschiedenis wordt het doorbladeren van een album, waarbij het je duizelt van de namen. De ooggetuigenverhalen zijn uit de tweede maar ook uit de derde hand, waardoor het soms invuloefeningen worden. Dus is het vooral een geschiedenis van het verscheurde Letland, een inventaris. Misschien helpt het er de recent vertaalde Letse familiekroniek van Modris Eksteins, Op de loop, naast te lezen.

JACQ VOGELAAR

«In onze werkwijze is er op het einde van de vorige eeuw een omwenteling opgetreden», merkt dichter en romanschrijver Mark Insingel op in zijn bijdrage Hoe ik het doe aan de bundel Denken op papier, die onlangs verscheen bij het Antwerpse AMVC-Letterenhuis. Centraal in dit cahier met «tekstgenetische studies» staat de vraag hoe literaire werken tot stand komen en wat dat zegt over hun betekenis.

Die totstandkoming heeft zich sinds een paar jaar losgemaakt van het papier. «Ik zie tot pakweg vijftien jaar geleden brieven en kladjes, getypt of met de hand geschreven», schrijft Insingel. «Daarna volgt een periode van slechts enkele jaren met heel wat materiaal op faxpapier (…). En van dan af mailtjes, haast allemaal mailtjes.»

Wat dat betekent voor de wetenschap van de tekstgenese laat zich nog niet helemaal overzien. Wie bewaart al die mailtjes – en wie bewaart de achtereenvolgende versies van een roman of gedicht wanneer het werk eenmaal af is? Reeds in de papieren tijd vernietigde menige auteur zijn probeersels om – zoals Maurice Gilliams elders in dit cahier mag zeggen – de «aasgieren der filosofie» zo min mogelijk met zijn «afval» te verwennen. Sinds het bestaan van de _delete-_toets gaat dat allemaal nog gemakkelijker en automatischer.

Sombere vooruitzichten voor tekstvorsers en literatuurhistorici dus? De dichter Paul Bogaert getuigt juist van het omgekeerde. Van zijn gedicht Iets refreinerigs bewaarde hij alle versies. Het zijn er meer dan 220 en op een ingesloten cd-rom ziet de lezer hen in een zelfgekozen tempo aan zijn ogen voorbijgaan. Verplaatsingen, schrappingen, toevoegingen vormen op het scherm een bewegend patroon dat nog het meest op een woorddans lijkt.

Daarmee roept deze computerversie van het gedicht een nieuw soort poésie concrète in het leven. Niet de woorden spelen daarbij de hoofdrol, maar hun verdeling over het vlak en de wijze waarop ze zich daarin verplaatsen. Voor de betekenis van het eindgedicht heeft dat minder zeggingskracht dan voor het visuele computerkunstwerk dat daardoor bijna toevalligerwijze ontstaat. Niet het wat maar het hoe van de woorden geeft de doorslag. Dispositie en dynamiek zijn belangrijker geworden dan idee of verwijzing. Ironisch genoeg plaatst Bogaerts «tekstgenetische» materiaal het voltooide gedicht waar het uiteindelijk om te doen was eerder in de schaduw dan er een verhelderend licht op te werpen. Het nieuwe kunstwerk heeft het oude overwoekerd, zonder de band ermee helemaal door te snijden.

Dat zoiets ook in het geschreven essay mogelijk was, bewees Rutger Kopland al zo’n dertig jaar geleden, toen hij in De revisor het ontstaansproces van het gedicht Geen gezicht, geen handen, geen haar beschreef. Dat essay (later opgenomen in de bundel Al die mooie beloften) vertelde als het ware over het vers heen hoe dichten gaat, zo aangrijpend dat het me veel scherper voor de geest is blijven staan dan het vers zelf. Langzaam zag men het opkomen uit de bedachtzaamheid van de dichter/essayist en met dat proces bleef het vanaf die tijd onlosmakelijk verbonden. Voor de autonomie van de poëzie is dat nogal bedenkelijk maar voor de lezer van het essay was daar niets meer aan te doen. Het gedicht, dat vrij kan staan, had voor hem die mogelijkheid verloren.

Dat was het offer waard – maar eist de tekstgenetische wetenschap ook van haar kant niet een dergelijk verlies op? Via het onderzoek naar de ontstaansgeschiedenis keert ongemerkt het biografisme in de literatuur weer terug. En toch, zo schrijft Insingel terecht, «tilt het effet de réel (Roland Barthes) waarmee literatuur de werkelijkheid toont anekdotische voorvallen op een universeel vlak». De dichter mag verliefd zijn en wij mogen – «tekstgenetisch» – kunnen naspeuren op wie hij dat was, maar zijn gedicht boeit pas wanneer we het «kunnen lezen als de beschrijving van onze eigen liefde». Verantwoordelijk daarvoor is en blijft «de kracht van de taal. Als die kracht ontbreekt wordt het lezen vervelend, het is als in de liefde [zelf].»