Verscheurd vaderland

De in Baskenland geboren schrijver Fernando Aramburu schreef met Vaderland, waarin de ETA-terreur centraal staat, geen politieke roman, maar een roman over politiek.

Guernica, Spanje, 2011 © Vincent West / ANP

Patria, Vaderland, is in Spanje een literaire sensatie. Sinds het boek in 2016 verscheen zijn er meer dan een half miljoen exemplaren van verkocht, en dat is gezien de omvang, bijna zeshonderd dichtbedrukte pagina’s, en de moeilijkheidsgraad – de auteur maakt soepel gebruik van alle technieken van de moderne roman – opmerkelijk. Toch laat de verklaring voor dat succes zich makkelijk raden: het boek werkt als een vergrootglas waardoor de lezer tot in de pijnlijkste details geconfronteerd wordt met de gevolgen van de terreur van de Baskische separatistenbeweging eta, waarover tot dan nauwelijks of niet hardop gesproken kon worden.

Maar het is nadrukkelijk een roman, geen semi-documentaire studie over de eta. De auteur graaft diep in het innerlijk van zijn vele en uiteenlopende personages, hij legt hun verdriet en hun angsten, hun schaamte en hun verbittering met zoveel humane precisie bloot dat die complexe emotionele kluwen ook voor andere dan Baskische lezers herkenbaar moet zijn. En zeker voor Spaanse lezers, voor wie de erfenis van Franco nog altijd traumatische trekken heeft, zoals de verhitte recente Catalaanse afscheidingsrebellie en de botte Madrileense reactie daarop nog maar weer eens duidelijk maakten.

Vaderland is dus geen politieke roman, geen pamflet of strijdschrift, het is een roman over politiek, over de verblinding als gevolg van elk pamflettisme, elk extremisme en elke rigiditeit. En de auteur, Fernando Aramburu (San Sebastian, 1959), weet waar hij het over heeft. Halverwege de jaren tachtig werd Baskenland hem te heet onder de voeten en nam hij de wijk naar Duitsland, waar hij sindsdien leeft als docent Spaans en productief auteur van poëzie, romans en essays. In Duitsland heeft hij ook aanschouwd hoe niets verschonend men daar de eigen oorlogsgruwelen onder ogen heeft leren zien, zij het pas ruim twintig jaar na dato. Dat moest sneller kunnen.

‘Een Shakespeare, een Cervantes in het Baskisch, dat zou pas echt geweldig zijn’

Maar ook Aramburu heeft zich een lange voorbereidingstijd gegund voor hij aan de uitwerking van zijn ervaringen en ideeën durfde te beginnen. En dat is aan het boek te zien: het is een monument van genuanceerd literair pacifisme, hard en nietsontziend in wat het aan domheid en agressie toont, maar ook, en daarin schuilt het onvolprezen meesterschap van de auteur, met het effect van een catharsis. Dat bereikt hij door de consequente weigering resoluut en eenduidig partij te kiezen (voor of tegen een personage, een idee, een opvatting) en aldus de tegenstellingen te verscherpen, maar tegelijk zonder te vervallen in de halfzachte toon van de preekstoelverzoener die van geen tegenstellingen wil weten. De lezer krijgt die in hun onverzoenlijke gewelddadigheid voluit voor de kiezen.

Een van de personages, Gorka, een schrijver – moeilijk te zeggen of het een hoofd- of bijfiguur is, ook tegen die tweedeling lijkt Aramburu zich te verzetten – belichaamt die weigering het duidelijkst. Gorka onttrekt zich al vroeg aan het voortdurende politieke gekrakeel thuis en in het dorp, om zich tot onbegrip van zijn ouders af te zonderen ‘met zijn kloteboeken’. Als hij op zijn 21ste een prijs wint met een gedicht en met een foto in de krant komt is hij de trots van het dorp, zijn ouders worden op straat en in de winkel door iedereen gefeliciteerd; ‘het werd tijd dat anderen een keer jaloers op óns werden’, zegt zijn gefrustreerde moeder, maar evenmin als vrijwel alle anderen heeft zij het prijswinnende gedicht gelezen.

Dat geldt ook voor de pastoor, een volbloed nationalist. Hij vindt dat Gorka zijn door God geschonken vermogens in dienst moet stellen van ‘ons volk. (…) De ziel van de Basken heeft een eigen literatuur nodig waarop het kan steunen. (…) Een Shakespeare, een Cervantes in het Baskisch, dat zou pas echt geweldig zijn.’ De pastoor ziet dat als een heilige opdracht, intussen laten zijn dorpsgenoten zien wat de praktische kant van die missie is: een kroegbaas pepert de jeugdige dichter in dat het de laatste keer moet zijn geweest dat hij met ‘een fascistische krant’ heeft gesproken en geld heeft aangenomen ‘van een bank die arbeiders uitbuit’. Dan staat hij, ‘de kluizenaar’, voor een beslissende keuze: hij moet de revolutionaire weg van zijn broer, Joxe Mari, volgen, of hij moet het dorp verlaten. Hij kiest voor dat laatste, krijgt in Bilbao een baan bij een boekhandel en gaat – veiligheidshalve, op advies van zijn begripvolle zus – kinderboeken schrijven.

Hij schiet een winkelier ‘aan flarden’, maar heeft geen belangstelling voor de geopende kassa

Aldus beschrijft Vaderland het verstikkende klimaat in een Baskisch dorp waar de eta de lakens uitdeelt. Centraal staan twee gezinnen, een relatief arm arbeidersgezin en een welvarender ondernemersgezin. Ooit, vóór de sfeer in het dorp door dreigementen, chantage en paranoia werd vergiftigd, onderhielden die gezinnen veelvormige onderlinge vriendschappelijke betrekkingen. Maar twintig jaar geleden – het vertellersstandpunt ligt omstreeks najaar 2011, als de eta de gewapende strijd heeft afgezworen – werd alles anders: de vader van het tweede gezin, Txato, wordt na een reeks intimiderende dreigementen en afpersingen (‘revolutionaire belastingen’) vermoord, vermoedelijk door Joxe Mari of een van diens vriendjes.

Typerend voor Joxe Mari is overigens dat hij het begrip ‘vrienden’ voor zijn eigen omgangsvormen niet erkent, vriendschap is een burgerlijk begrip, hij kent alleen strijdmakkers. Als hij voor een overvaller wordt gehouden, iemand die uit is op het geld of bezit van een ander, beschouwt hij dat als een belediging. Hij schiet een winkelier ‘aan flarden’, maar heeft geen belangstelling voor de geopende kassa. ‘En dat vormt het bewijs’, zegt hij, ‘dat onze strijd rechtvaardig is’ – ‘wij vermoorden niet, wij executeren’. Als hij uiteindelijk in de gevangenis belandt en hoort dat zijn broer Gorka homoseksueel is en met zijn vriend is getrouwd, beschouwt hij dát als een onuitwisbare schande.

Zo laat Aramburu in talloze goed gekozen scènes zien tot welke excessen nationalisme kan leiden. Toch is dat hoogstens een aspect van zijn inzet. Hij lijkt vooral te speuren naar mogelijkheden tot verzoening, zelfs in deze door en door verziekte verhoudingen. De narratieve draad die het mozaïek van alle in tijd en omstandigheden vaak ver uiteen liggende fragmenten met elkaar verbindt, wordt gevormd door de hardnekkigheid waarmee Txato’s weduwe de precieze toedracht van de moord op haar man probeert te achterhalen. Was Joxe Mari de dader, of toch een ander?

In de persoon van Gorka laat Aramburu zijn eigen houding zien. Tegen het eind van het boek spreekt Gorka – dat is althans de suggestie – op een conferentie in San Sebastian over de slachtoffers van het eta-terrorisme. Hij vertelt hoe hij zich al als tiener verzette tegen de nationalistische propaganda en hoe hij zich later, als schrijver, verzette ‘tegen de misdaden die met een politiek excuus worden gepleegd’, ‘tegen de taal van de haat en tegen de vergetelheid die wordt gepropageerd door degenen die een geschiedenis proberen te verzinnen waarmee ze hun project en hun totalitaire overtuigingen kunnen rechtvaardigen’. Hij wil zonder pathos en sentimentaliteit de waardigheid van de slachtoffers van de eta ‘in hun individuele menselijkheid’ laten zien, dat zij meer zijn dan ‘cijfers in een statistiek waarin de naam van ieder van hen afzonderlijk verloren gaat, net als hun specifieke gelaat en hun onvervreemdbare identiteit’. Maar moeilijker nog is het ook in de daders meer te zien dan, ja, dan daders tout court.

Natuurlijk, niemand is alleen maar zwart of wit, dat is een eenvoudige waarheid, maar literair allerminst eenvoudig waar te maken. Literatuur is het tegendeel van het stoere benoemen – een ‘onthullende’ activiteit die alleen in een pover discussieklimaat als het huidige voor het summum van intellectuele moed en scherpzinnigheid kan doorgaan –, literatuur is het geduldig lospeuteren van etiketten om te zien wat daaronder, god weet hoe lang al aan het oog onttrokken, nog beweegt, spartelt en naar woorden zoekt. Fernando Aramburu doet dat vasthoudend en met groot psychologisch inzicht. Aan het eind van zijn complexe geschiedenis brengt hij zelfs geloofwaardige barsten aan in het schijnbaar ondoordringbare emotionele pantser van de in de gevangenis wegkwijnende terrorist, de volledig gehersenspoelde Joxe Mari, waardoor ook de lezer een begin van zicht krijgt op iets anders dan de geconditioneerde moordmachine, die deze tot dan toe feitelijk, juridisch en tot in het diepst van zijn gedachten was.