Verschil moet er zijn

Jort Kelder, Yvo van Regteren Altena, Man & Pak: Over de noodzaak van kleren op maat, kasjmier sokken en andere uiterlijkheden, Prometheus, 124 blz., 325,-. Nicolaas Klei, Marieke Cobelens, De man in zijn hemd: Over kleren voor heren, Balans, 224 blz., 334,90
PATSERS en proleten genoeg, maar echte snobs, de ouderwetse soort - die kom je in Nederland niet meer tegen. Het verdwijnen van het klassenverschil heeft ze beroofd van hun natuurlijke leefomgeving, en sinds in 1953 wettelijk vastgesteld werd dat er geen nieuw adeldom meer zal worden verleend, zijn de laatste snobs langzaam uitgestorven.

Het is een soort die alleen gedijt in een maatschappij waar nog een duidelijk klassenonderscheid is, zoals Engeland, Italië en in zekere mate Frankrijk. Alleen daar zijn mensen te vinden met het verlangen en de ambitie om tot een hogere, beschaafdere stand te behoren: de snobs.
Het woord ‘snob’ wordt tegenwoordig vaak als scheldwoord gebruikt waar dat niet op zijn plaats is. Nog kort geleden hoorde ik iemand op de radio Harry Mens een snob noemen, en dat is fout. Harry Mens is een patser, maar geen snob. Mens is ingenomen met zichzelf, met zijn welstand en met wat hij bereikt heeft, hij laat dat graag zien, maar hij heeft niet de aspiratie om iets anders te worden dan de dikke zakenman die hij is. Dat diskwalificeert hem als snob. Snobs streven altijd hogere voorbeelden na.
In Gert-Jan Dröges onvolprezen programma Glamourland komen regelmatig mensen voor die wel iets weg hebben van snobs, maar het niet zijn. De Gooise dame die, in de meest legendarische aflevering van het programma tot nu toe, voor haar verjaardag een plexiglas piano (met gouden binnenwerk) inclusief Richard Clayderman van haar man kado kreeg, was geen snob. Zielig misschien, achterlijk, maar een snob is iets anders.
Etymologisch bezien is het woord 'snob’ afkomstig uit Engeland - waar anders. Op de universiteiten Oxford en Cambridge kregen alle studenten die niet van adel waren het achtervoegsel SN, dat staat voor Sine Nobilitas - Niet Van Adel. Ik weet niet of dat nu nog het geval is, maar het heeft in ieder geval tot op de dag van vandaag zijn sporen nagelaten in de Engelse samenleving.
De Britten zullen de eersten zijn om dat te erkennen. Enkele van de meest succesvolle Britse televisieseries aller tijden zijn gebaseerd op het onderscheid tussen 'commons’ en mensen met 'breeding’. TV10 vertoont momenteel herhalingen van de twintig jaar oude serie To the Manor Born, met in de hoofdrol de weduwe Audrey fforbes-Hamilton, die door de dood van haar echtgenoot gedwongen is het eeuwenoude bezit van haar familie, landhuis en landerijen, te verkopen aan een nouveau-riche die altijd de verkeerde jasjes draagt. In Nederlandse ogen is dat misschien niet een bijzonder spannend gegeven, maar in Engeland wordt de serie tot op de dag van vandaag herhaald op de commerciële netten.
De grootste snob aller tijden, tot voor kort, was Basil Fawlty, de krankzinnige hotelhouder van Fawlty Towers. Zijn tirades tegen het platte volk - al of niet buitenlands - dat zijn hotel bezoekt. zijn legendarisch, evenals zijn lofzang op 'breeding’ als een keer een persoon van standing zijn hotel aandoet. Natuurlijk blijkt deze lord uiteindelijk een oplichter.
Maar Basil Fawlty is sindsdien voorbijgestreefd. Zijn plaats als grootste snob aller tijden is ingenomen door Hyacinth Bucket, de aanbiddelijke hoofdrolspeelster uit de serie Keeping Up Appearances, in Nederland uitgezonden onder de titel De schone schijn. Hyacinth is een creatie van de actrice Patricia Routledge, die haar speelt als een in-en-in Engelse dame met de voorname snibbigheid van Miss Marple en het granieten flegma van admiraal Nelson.
WAAR Basil Fawlty in zijn frustratie vaak de controle over zichzelf verliest, is Hyacinth Bucket altijd en eeuwig de kalmte zelf. Zelfs in de meest vernederende situaties zal zij geen spier vertrekken. Hoogstens verheft zij één wenkbrauw enkele millimeters, en dan nog alleen als de buren niet kijken. Dat is namelijk haar grootste angst: dat de buren het zullen merken. Dat men te weten komt dat zij getrouwd is met een doodgewone ambtenaar met de ontluisterende achternaam Bucket, en dat zij een doodgewone burgermevrouw is, zonder geld, zonder titel. Haar hele leven staat in het teken van de ontkenning van dit onrecht. Zij wenst enkel aangesproken te worden als mrs. Bouquet (Boeukee), en iedere onnozele die in een moment van onoplettendheid de naam Bucket (Bukket) gebruikt, wordt genageld door haar dodende blikken.
Hyacinths niet aflatende pogingen uit te stijgen boven haar nederige afkomst zijn het basisgegeven van de serie. Haar voortdurende opvrijen van de 'betere standen’, haar pogingen om cultureel en beschaafd over te komen - door het organiseren van zogenaamde candlelight dinners, culturele avondjes en picknicks aan het water, gepresenteerd als 'a waterside supper with riparian entertainment’, oftewel 'een diner aan de rivierzoom met fluviatiele genoegens’ - en het vergeefs wegmoffelen van haar burgerlijke achtergrond vormen een onuitputtelijke bron van pijnlijke situaties. Meer nog dan de eerder genoemde series ontleent Keeping Up Appearances zijn aantrekkingskracht vooral aan het leedvermaak om die pogingen.
De meest schrijnende episoden zijn die waarin Hyacinth wordt geconfronteerd met de overige leden van haar familie: haar lieve maar eenvoudige zusjes Rose en Daisy. De laatste is, tot Hyacinths niet aflatende verdriet en ergernis, getrouwd met Onslow. Deze Onslow is de gruwel van elke rechtgeaarde snob: een boertige arbeider die hele dagen voor de televisie hangt, gekleed in onderhemd, omringd door lege chipszakken en bierblikjes. Hyacinths afschuw van Onslow is bijna pathologisch. De enige momenten dat Hyacinth de controle dreigt te verliezen, zijn die waarop Daisy en Onslow hun aftandse Opel voor haar huis parkeren. Haar eenvoudige komaf staart haar op zulke momenten recht in het gelaat, 'for all of the neighbours to see’.
De ironie van dit soort scènes is natuurlijk dat het overgrote deel van de Britse televisiekijkers erg op Onslow en Daisy lijkt.
HOEWEL SNOBS als Hyacinth Bucket en Basil Fawlty in Nederland niet meer in het wild voorkomen, hebben veel Nederlanders wel de bijbehorende obsessie voor fatsoen en decorum, een soort afgeleid snobisme. Dit heeft minder te maken, denk ik, met het verlangen om precies te weten hoe het hoort, dan met de wens om anderen te kunnen betrappen op flaters.
Het zojuist verschenen Man & Pak, van de Quote- en NRC-journalisten Jort Kelder en Yvo van Regteren Altena, drijft in ieder geval voor een groot deel op dat speciale genoegen. De auteurs ontkennen in hun inleiding dat zij anderen de wet willen voorschrijven ('Wij hebben niet de ambitie om een stijlbijbel te schrijven. (…) Het gaat niet over wat wel en niet hoort’), maar in het boek laten zij weinig kansen liggen om de Nederlandse man erop te wijzen dat hij, qua uiterlijk, ongeveer de erotische uitstraling heeft van een poffertje.
Met een aan wellust grenzende afschuw wijzen de auteurs op de fysieke imperfectie van hun omgeving: op textiele leken, Hollandse bankiers ('snorren, spekzolen en flodderige grijsjes’), kopers van in cellofaan verpakte kant-en-klaar overhemden met bijbehorende das, gesoigneerde typen met snor en suède instappers, Amerikaanse en Arabische nouveaux riches, buschauffeurs met terlenkabroeken, en spelletjesmannen met RTL4-smokings. Met een fanatisme een betere zaak waardig drijven zij de spot met chokers ('nichtenpropje’), horloges met de subtiliteit van een Mercedes Diesel en de overzichtelijkheid van een 747-cockpit, de zwaar gedateerde pilotenbril van Harry Mulisch, en dassen als afgedankte V-snaren.
Ik heb nu zo vaak gezegd dat in Nederland geen snobs meer bestaan dat ik dat niet meer kan terugnemen, maar als we ze wel zouden hebben, zouden Kelder en Van Regteren Altena zeker in aanmerking komen voor de kwalificatie. Niet omdat ze iets pretenderen te zijn wat ze niet zijn, maar omdat ze een fascinatie voor uiterlijkheden delen met, onder anderen, Hyacinth Bucket. Weliswaar lopen de smaken nogal uiteen - Hyacinths hoogste vorm van geluk bestaat uit een dekbed met hetzelfde patroon als het behang in de slaapkamer -, maar ze zijn zeer verwant in hun nauwgezetheid, om niet te zeggen pietluttigheid als het op de kleinste details aankomt. Een gepitte gulp is, aldus Kelder en Van Regteren Altena, zo'n beetje de hoogste vorm van genot. In ieder geval komen ze er zo om de tien pagina’s op terug.
Ook verfoeien beiden, net als hun Britse geestverwant, alles wat met arbeiders te maken heeft. In hun stukje over bretels schrijven zij: 'De ondergang van de bretel werd ingeluid toen in de hete zomer van 1893 Londenaren hun jasjes uitdeden. Een werkmansaccessoire wordt zichtbaar. De stap naar de evenzeer met arbeiders geassocieerde riem is snel gezet.’ Ten slotte zijn de drie het volkomen eens als het gaat over het fabrikaat: er gaat niets boven handgemaakt. Hyacinth schenkt hooggeplaatste gasten - en alleen zij - thee in haar 'Royal Doulton with the hand-painted perrywinkles’-servies, en Kelder en Van Regteren Altena menen: 'Critici verslijten het maatpak voor ouderwets, maar misschien is het wel het grootste mannelijke privé-genoegen dat resteert in deze gestandaardiseerde wereld.’ Een goed pak, volgens hen, 'zit altijd mooi, ook nadat het in een koffer is gepropt, het met bier is overgoten en de kat erin heeft gejongd.’
Het lijdt geen twijfel dat de auteurs weten waar ze over praten, maar hun boek heeft wel te lijden van hun jolige manier van schrijven. Hun badinerende toontje blijft ongeveer leuk tot op de helft van het boek, en dat is zonde van de andere helft.
HET GEZELLIGE toontje van een ander boek over mannenbedekking, De man in zijn hemd: Over kleren voor heren, blijft veel minder lang draaglijk. Ook dit boek biedt een schat aan informatie voor wie in kleding en accessoires geïnteresseerd is, maar het is moeilijk om een boek in zijn geheel te lezen als men al bij het lezen van de inleiding jeukende kiezen van ergernis krijgt.
Zo mag de lezer al snel vernemen dat beide auteurs 'levensgezellen’ zijn, en aan het slot van hun woord vooraf schrijven deze levensgezellen: 'We hebben dit boek samen gemaakt - maar omdat Marieke weinig mannenkleren draagt schrijft Nicolaas waar het persoonlijke ervaring met bijvoorbeeld blazers of bretellen betreft ik.’
De levensgezellen vonden het namelijk niet genoeg om een uitgebreide kroniek over de geschiedenis van de mannenkleding te schrijven, zij vonden het daarnaast nodig om af en toe - dat wil zeggen: zo om de twee alinea’s - een persoonlijke noot hun relaas toe te voegen. Dat resulteert in geinige tussenwerpsels in de tekst ('Kijk eens hier!’) en filosofische oprispingen als: 'Net als de rest van de levende have van Moeder Natuur voelen wij ons verbonden met onze soortgenoten. Dat is in ons geval niet homo sapiens in het algemeen, want in het algemeen gaat onze liefde niet verder dan de meest directe naaste, maar een weliswaar onbekende doch gelijkgezinde ondersoort zijn we in principe goedgezind. Zo ontdekken we op verjaardagsfeestjes en recepties ineens dat, al kennen we elkaar niet, we allemaal vroeger een nauwe spijkerbroek hebben gedragen. Dat schept een band. Want nu we van elkaar weten dat we allemaal ooit liggend hebben geprobeerd een vijf maten te kleine Levi’s dicht te knopen, komen andere onthullingen snel, van driehoekjes gebloemde stof om de pijpen wijder te maken tot erger; en het wordt toch nog gezellig.’
Ik stel er prijs op om hierbij onder ede te verklaren, edelachtbare, dat ik nooit, maar dan ook nóóit liggend heb geprobeerd een vijf maten te kleine Levi’s dicht te knopen, laat stáán dat ik driehoekjes gebloemde stof in de pijpen heb aangebracht om de pijpen wijder te maken. Ook heb ik nímmer feesten bezocht zoals die in het boek beschreven worden, wat de auteurs ook mogen beweren.
Ik mag graag de zijden vlinderdas strikken - zelf! - en mijn diepblauwe smoking van cool wool aanschieten - geen cummerbund! - om een chique gelegenheid of beschaafd feest te bezoeken, maar daar zullen Nicolaas Klei en zijn levensgezel Marieke Cobelens niet welkom zijn. Niet ons soort mensen.