Verschoppelingen

Bij het doorbladeren van 2083, het meer dan 1500 pagina’s dikke pamflet van de Noorse terrorist Breivik, overkomt me soms iets ongemakkelijks. Ik merk dat ik het onwillekeurig vanuit een literaire blik lees, waardoor ik, tegen mijn zin in, over Breivik lees met dezelfde fascinatie als over, bijvoorbeeld, Raskolnikov. Die praatte immers ook zijn moord goed met een bijeengeharkt ideologisch alibi'tje.

Andere passages van Breivik doen me denken aan het ‘sinister dagboek’ van Abel Tiffauges, de geschifte maar o zo intelligente garagehouder uit Michel Tourniers De elzenkoning, die ook een eigenzinnig wereldbeeld creëert, net als dat van Breivik doordesemd van jongetjesromantiek (geheime clubs, schedels, handtekeningen met bloed). Soms denk ik aan Humbert Humbert, de intellectuele pedo met z'n nimfijnen-mythe. Soms (uiteraard) aan Patrick Bateman. Maar ook aan Pessoa, door het optreden van alter ego’s van Breivik die zelf weer auteur zijn van een eigen genre, zoals eerder gepubliceerde blogberichten, of zelf-interviews.

Allemaal verklaarbare associaties, maar vanwaar het ongemak? Is het omdat ik met die manier van lezen toch nog waardering heb voor een product van iemand die het meest weerzinwekkende heeft verricht? Welnee, ik beaam zonder gewetensbezwaren de kwaliteiten van de poëzie van Osama bin Laden. Ik geniet van Louis-Ferdinand Céline en soms ook van Wagner: allebei antisemieten. Ik lees oneindig veel liever Gerrit Achterberg dan Jacob Cats. Dat is allemaal niet het probleem. Misdaad staat literatuur niet in de weg. Integendeel, je kunt zelfs onderbouwen dat veel geslaagde romans over misdaad gaan. Meestal is er een personage dat in een dilemma raakt tussen twee morele systemen. Moet Antigone haar broer begraven en dus haar eigen geweten trouw zijn, of de staatswetten gehoorzamen, die de begrafenis juist verbieden? Moet Emma Bovary trouw zijn aan de wetten van de burgerij of die van de hartstochten? Moet Hamlet of Bert Alberegt… enfin, u snapt het.

Vanaf het moment dat ik met literatuur in aanraking kwam, hield ik al van onverzoenlijke auteurs, van nee-zeggers, van outcasts, van opstandelingen en zelfbenoemde verschoppelingen. Met instemming citeerde ik uit Arthur Rimbauds Une saison en enfer: 'Als kind al hield ik van de onverbeterlijke boef die steeds weer belandt in de lik.’ Na veel drank komt nog wel eens het zinnetje bij me bovendrijven dat Rimbaud aan zijn leraar schreef in een van zijn 'Zienersbrieven’: 'Maintenant, je m'encrapule le plus possible.’ Op het moment leef ik er zo veel mogelijk op los. Wat moet het heerlijk zijn om radicaal nee te zeggen. De tyfus kunnen ze krijgen.

Terug naar Breivik en mijn ongemak over zijn pamflet. Zijn roman, schreef ik hier eerst, verving het, en nu staat het er toch. Want laten we eerlijk zijn: 2083 is niet heel beroerd geschreven. Je hoeft er alleen nog een goede redacteur op te zetten. Misschien is dat het onuitstaanbare: dat zo'n terrorist onmiskenbaar verwant is aan een schrijver. Kunstenaar Damien Hirst en componist Karlheinz Stockhausen kwalificeerden de aanslagen op de Twin Towers als magistrale kunstwerken, waar ze ergens wel jaloers op waren. Dat standpunt hebben ze later publiekelijk moeten terugnemen, maar dat doet niets af aan de waarachtigheid van hun spontane observaties.

Zowel een terreuraanslag als een kunstwerk is een eenzijdige boodschap aan de wereld, na jaren van voorbereiding tot stand gekomen, in één keer gelanceerd.

Terroristen begeleiden hun acties bijna altijd met brieven, of videofilms. Je zou aanslagen kunnen zien als een extreme vorm van het veroveren van een lezerspubliek, een hoogst opvallende, afgedwongen perspresentatie van een pamflet. Ook Osama bin Laden beschouwde terrorisme naar eigen zeggen als een manier om 'redevoeringen te verspreiden’. Niemand zal ontkennen dat die methode effectiever is dan het lokken van journalisten met gratis bier op een boekpresentatie. Hoeveel had Breivik niet verdiend kunnen hebben aan z'n boek als hij het in de verkoop had gedaan?

Misschien is het genre een belangrijk verschil: redevoeringen, pamfletten, manifesten. Terroristische stellingen tegenover literaire dilemma’s. Bij Breivik is er geen spoor van een dilemma tussen morele systemen. Hij poneert en onderbouwt domweg een particulier, radicaal en eenduidig moreel systeem. Dat doen personages soms ook, maar daar zijn het ficties, literaire constructies die lezers juist uitnodigen om ze te toetsen aan hun eigen wereldbeeld, waarmee ze indirect alsnog een dilemma uitbeelden. Waar de terrorist een verandering in de fysieke realiteit wil afdwingen, is voor de schrijver het domein van de fictie afdoende: een roman ondervraagt de constructies waarmee we de wereld bezien; de fysieke werkelijkheid en de samenleving gaan vervolgens hun gang maar. De terrorist neemt de werkelijkheid zelf als decor voor zijn schouwspel, dat zo extreem is dat je het impulsief door dezelfde afdeling van je hersenen laat verwerken als fictie. 'Net een film!’ riepen we na 9/11. Net literatuur, roep ik bij 2083.

Net. En spijtig genoeg ook net niet.