Joost Smiers, Arts under Pressure

Verschraling van de cultuur op de vrije markt

Joost Smiers

Arts under Pressure: Promoting Cultural

Diversity in the Age of Globalization

Zed Books, 275 blz., £ 15,95

Vandaag de dag is het moeilijk om niet onder de indruk te zijn van de voordelen van de «vrije» markt. Enerzijds komt dit doordat we ons niet kunnen onttrekken aan de eindeloze lofzang op de markt, die niet alleen afkomstig is van economen, captains of industry en wereldleiders als George Bush, maar die in toenemende mate ook uit sociaal-democratische hoek komt. Anderzijds zijn, in ieder geval in het rijke Westen, veel concrete voordelen van de «vrije» markt alom waarneembaar.

Toch knaagt het geweten. In hoeverre worden anderen de dupe? Verschraalt onze cultuur niet? En als het om meer gelijke kansen voor arme landen en om de democratie in die landen gaat, zouden dan bepaalde vormen van regulering of protectionisme juist ook van cultuurproducten niet te verkiezen zijn? Voor iedereen die deze tweestrijd kent, is het boek van Joost Smiers Arts under Pressure: Promoting Cultural Diversity in the Age of Globalization een belangrijk boek.

De grote verdienste van Smiers is dat hij de nadruk legt op machtsverschillen. Waar veel economen en vrije-marktadepten doen alsof machtsverschillen niet bestaan en veel westerse intellectuelen ze bagatelliseren, omdat ze niet passen bij hun diep gewortelde behoefte om bovenal harmonie te zien, stelt Smiers de verschillen in macht juist centraal.

Zo besteedt hij veel aandacht aan de macht van de grote mediaconglomeraten die hun basis voor het overgrote deel in de Ver enigde Staten hebben, zoals bijvoorbeeld AOL/Time Warner en EMI. In de praktijk wordt de macht van dit soort bedrijven nog veel groter door steun van de Amerikaanse overheid, een ondersteuning die als een vorm van protectionisme kan worden gezien. Terzijde kan daarom worden opgemerkt dat protectionisme en een «vrije» markt goed samen kunnen gaan. Of ze volgen elkaar op al naar gelang het de grootmacht het best uitkomt. De geschiedenis van Engeland is daar een voorbeeld van.

Amerika wendt zijn machtsoverwicht vooral aan om andere landen te dwingen hun markten open te stellen voor de eigen producten, waaronder culturele producten. Door de voorsprong van Amerika zijn deze producten zowel in prijs als kwaliteit «superieur» en daardoor makkelijk te exporteren. Smiers toont overtuigend aan dat deze export buitengewoon belangrijk is, niet alleen voor de verspreiding van de Amerikaanse cultuur, maar vooral ook voor de Amerikaanse handelsbalans. De Amerikaanse rijkdom wordt door de globalisering niet alleen veiliggesteld maar ook vermeerderd. Zo neemt het machtsverschil alleen maar verder toe.

De prijs die de armere landen betalen is gehele of gedeeltelijke vernietiging van de eigen cultuur. De prijs die de wereld betaalt is verschraling van de cultuur. Dat komt onder meer door de schaalvoordelen van cultuurproducten die voor steeds grotere groepen pruimbaar moeten zijn, maar ook door de invloed en censuur van de mediamagnaten, en door de toenemende vermenging van reclame en kunstproductie.

In het kader van de afnemende diversiteit op cultureel gebied wijst Smiers op een parallel met de ecologie: zoals er miljoenen jaren soorten zijn afgevallen, maar ook bij gekomen, en de balans pas onlangs is doorgeslagen naar een netto afname en wel in hoog tempo, zo zou dat ook met de cultuur het geval kunnen zijn. Het succes van de westerse wereld leidt tot een monocultuur.

Smiers laat het niet bij een analyse van deze en zeer veel andere, verwante verschijnselen; hij komt ook met oplossingen. Gelukkig presenteert hij geen blauwdruk, maar wijst op kleine concrete stappen die met name supranationale organisaties zouden kunnen zetten. Maar over een hoeksteen in zijn benadering blijft hij helaas vaag. Dat is de afschaffing van het auteursrecht. Smiers heeft gelijk als hij schrijft dat het fundament van de grote culturele conglomeraten in toenemende mate ligt in het eigendom van zo veel mogelijk auteursrechten, die een eindeloze stroom aan inkomsten opleveren, inkomsten waarvan de kunstenaars bijna niets in handen krijgen.

Smiers heeft in dit verband hoge verwachtingen van internet, waar het copyright bijna niet te contoleren valt en daardoor zijn betekenis verliest. Althans, dat dachten we. Want binnen het kapitalisme, dat immers is gebaseerd op particulier eigendom, worden onvermijdelijk alle zeilen technisch, juridisch en moreel bijgezet om de controle op het auteursrecht te herstellen. Daarbij krijgen de grote conglomeraten weliswaar keer op keer te maken met tegenslagen, maar vervolgens boeken ze ook steeds weer successen, en te verwachten is dat ze er op lange termijn ook op internet in zullen slagen hun controle op het auteursrecht te behouden.

Dat brengt mij bij enkele andere kanttekeningen. De belangrijkste betreft de vorm van Smiers betoog. Het boek bevat een opeenstapeling van argumenten en voorbeelden die moeten aangeven hoezeer de diversiteit van de cultuur wordt bedreigd in het tijdperk van de globalisering. Alles wat ook maar een beetje kwalijk zou kunnen zijn, zoals bijvoorbeeld toenemende gehoorbeschadigingen onder jongeren, wordt er bijgesleept. Voor de mensen die toch al «geloven», kan dit nuttig zijn, maar voor de meerderheid die, zoals ik, moeite heeft met het afwegen van de voor- en nadelen van de «vrije» markt tegen die van vormen van regulering, werkt dit als een overkill. Die kan ertoe leiden dat Smiers’ relaas te snel opzij wordt gelegd. Een korter boek zou daarom beter zijn geweest.

Daar komt bij dat Smiers niet ingaat op de argumenten van de voorstanders van de vrije markt. Als we ons niet in één keer gewonnen geven — en dat is altijd af te raden — moeten we nu zelf zijn argumenten gaan confronteren met die van de tegenpartij. In deze materie is dat niet makkelijk. Smiers had er beter aan gedaan zijn tegenstanders aan het woord te laten om vervolgens leiding te geven aan het proces van afweging. Het lijkt erop dat Smiers deze voorstanders ook niet allemaal kent. Dat blijkt onder meer uit het ontbreken van enige verwijzing naar Tyler Cowen, die een veel geciteerd boek schreef met de veelzeggende titel In Praise of Commercial Culture.

Cowen benadrukt juist de toenemende diversiteit van de culturele productie in de rijke westerse landen. Natuurlijk hangt dat oordeel enigszins af van de wijze waarop deze diversiteit wordt gemeten, maar ook ik heb de indruk dat in weinig gereguleerde sectoren zoals de popmuziek de diversiteit en de innovatie groter zijn dan in min of meer gereguleerde sectoren. Tegelijk vraag ik me in alle eerlijkheid af of de extreme subsidiëring van de klassieke muziek geen uiting is van machtsmisbruik door een sociale elite die telkens weer onder allerlei voorwendselen zijn toevlucht neemt tot protectionisme.

De meeste innovatie, in de popmuziek en elders, begint niet binnen de markt, noch onder de vleugels van de overheid, maar op straat of in de achterkamers van gedreven kunstenaars die ander inkomen opofferen voor hun kunst. Maar vervolgens is het wel de markt die een eerste perspectief biedt aan deze kunstenaars, en niet de overheid, omdat de overheid immers altijd selecteert. Daarbij vergeleken is de markt tamelijk blind.

Als er ook maar een klein beetje financieel perspectief is, wordt er met een kunstenaar in zee gegaan. Dat geldt bovenal voor kleine lokale producenten, maar op een hoger niveau geldt het ook voor de lokale filialen van grote concerns. Waar Smiers de bewuste selectie en censuur van deze concerns benadrukt, ben ik juist verbaasd over hun professionele blindheid.

In dit verband is het ook goed om te wijzen op de emancipatorische werking van de moderne markt. In toenemende wordt er verkocht zonder aanzien des persoons. Iedereen kan bij het Kruidvat probleemloos cd’s met muziek van Bach kopen, terwijl dezelfde persoon niet graag zou binnengaan in een speciaalzaak voor klassieke muziek. Mede daardoor hebben ook lagere sociale groepen in toenemende mate toegang tot cultuurproducten die tot voor kort door hogere sociale groepen werden gemono poliseerd. Ook dat is een toename in diversiteit.

Natuurlijk is de situatie anders in arme landen, waar het machtsverschil met de rijke, cultuurproducten exporterende landen zoveel groter is. Maar juist hier zie je ook de schaduwkanten van regulering waarbij een elite bepaalt welke cultuur de bevolking al dan niet mag consumeren, zoals dat in de voormalige Oostbloklanden het geval was. Terecht is de bevolking dan opgelucht als er een «vrije» markt voor cultuurproducten wordt ingevoerd. In ieder geval op dat moment wegen de voordelen van de «vrije» markt ruimschoots op tegen de nadelen.