Film-Nordwand

Verschrikkelijke grandeur

Met de Alpenfilm Das Blaue Licht brak Leni Riefenstahl in 1932 door; Hitler en Goebbels zagen haar debuut en waren meteen verkocht. Ten grondslag hieraan zou het spannende verhaal hebben kunnen liggen over een mystieke, vrouwelijke bergbeklimmer die met argwaan wordt bejegend door plaatselijke bewoners. Maar meer nog moet de krachtige visuele metaforiek inherent aan dit genre, de Bergfilme, de vormgevers van het Derde Rijk hebben aangesproken: het bestijgen van een schijnbaar onoverkomelijk obstakel door een rasechte Ariër met een gloed op haar wangen (erbij denken, want zwart-witfilm) waarna ze fier op het toppunt zou kunnen staan om over de uitgestrekte wereld, klaar voor annexatie, te kunnen turen. Vier jaar later keerde precies dit idee terug in een poging van twee Duitse beklimmers om de noordwand van de Eiger, een van de gevaarlijkste bergen ter wereld, te bestijgen. Hun verhaal vormt nu de basis van een nieuwe bergbeklimmersfilm, Nordwand van Philipp Stölzl. Waarbij de vraag rijst: vormde de Alpenfilm in de jaren twintig en dertig een voorbode op het nationaal-socialisme, en wat betekent het genre tegenwoordig?
In de ontwikkeling van de Bergfilme stond Leni Riefenstahl centraal als kerngezonde, hoogblonde actrice in de Alpenfilms van Arnold Fanck, vooral Die weiße Hölle vom Piz Palü (1929) dat recent actueel werd door een referentie ernaar in Quentin Tarantino’s Inglourious Basterds. Het blijft een merkwaardige film door de spectaculaire setting en geloofwaardige actiescènes. Riefenstahl vond het draaien een beproeving en beschuldigde Fanck ervan haar ‘sadistisch’ te behandelen, zeker toen de regisseur tijdens een echte lawine niets deed behalve zijn camera te laten draaien. Riefenstahls irritatie over Fancks obsessie met realisme illustreert wel de aantrekkingskracht van dit soort films, verwoord door de Hongaarse filmtheoreticus Béla Balázs: het is 'kunst’ wanneer natuurverschijnselen als gletsjers, lawines en stormen uitgroeien tot dramatische elementen in een verhaal.
Toch is er meer dan spektakel nodig, zo blijkt uit de nieuwe Alpenfilm Nordwand. Hoewel de feiten slechts zijdelings een rol in het werk spelen, blijven de historische betekenis van het waar gebeurde incident intact. In de film zijn de beklimmers Toni Kurz (Benno Fürmann) en Andi Hinterstoisser (Florian Lukas), twee soldaten die het leger verlaten om de Eiger te beklimmen. Hierin krijgen ze tegenstand van een Oostenrijks team dat heimelijk de hoop lijkt te hebben gevestigd op een Duitse annexatie van hun land. In de tweede verhaallijn speelt Johanna Wokalek de rol van Luise Fellner, een jonge fotografe die verliefd is op Toni en die samen met haar baas, de journalist Henry Arau (Ulrich Tukur), het Duitse team naar Zwitserland volgt om de heroïsche daad in woord en beeld te verslaan. Arau steekt de propagandawaarde van de beklimming niet onder stoelen of banken: het bedwingen van de mystieke Eiger zou de volmaakte voorbereiding zijn op de Olympische Spelen van Berlijn die later in hetzelfde jaar zullen plaatsvinden.
Nordwand werkt niet helemaal. De actiescènes sluiten onvoldoende aan bij de romantische verhaallijn en de onderliggende thematiek van de nationaal-socialistische propaganda, waardoor de hele film uit balans raakt en er nooit een duidelijk thema of rode draad ontstaat. Wel illustreert het werk de duivelse dichotomie van de Bergfilme: de kracht van het visuele aan cinema in combinatie met het oude genre, uitgevonden en vervolmaakt door de actrice Riefenstahl en haar regisseurs en bewonderd door Hitler en Goebbels. In Nordwand is de strijd van de Duitsers op de berg fenomenaal om naar te kijken, waardoor de verschrikkelijke grandeur van de Alpenfilm duidelijk blijkt. Nog altijd creëert dit soort film een nauwelijks accuraat te omschrijven, unheimisch gevoel. Ook Nordwand. Misschien komt dat door de aanwezigheid van de geest van Arnold Fanck. En Leni Riefenstahl.