KUNST

Verschuiving

Rijksakademie

Een bezoek aan de eindexamenexposities van Nederlandse kunstacademies is een dubieus genoegen. Het zijn feestelijke gebeurtenissen, de ouders blozend van trots bij het kunstwerk waar zoon- of dochterlief op afgestudeerd is, dat zij dus prachtig vinden, ook al begrijpen ze er geen bal van. Maar een breder overzicht stemt zelden vrolijk. In Nederland gaat ’t in het hoger onderwijs meer om de output dan om de kwaliteit, ook al wordt er nog zo fier met termen als ‘excellence’ en 'honours’ geschermd, en dat is te zien. Elke nieuwe expositie bevat tientallen zeer middelmatige producties van kunstenaars-met-diploma die, lijkt mij, geen schijn van kans hebben op een bevredigende carrière. Het is in deze tijden van kortingen op de kunstpraktijk dé olifant in de kamer: het gulzig onderwijssysteem dat zich onverantwoordelijk uitbreidt en voortplant, gevoed door de illusie dat wij Nederlanders ons permanent zullen ontwikkelen. Door deze obesitas lijkt het uitgesloten dat het systeem briljante of 'excellente’ studenten kan afleveren.
De jaarlijkse presentatie van de Rijksakademie in Amsterdam bewijst dat dat toch gebeurt. De Rijksakademie is geen school; het is een open instelling waar 25 Nederlandse en 25 buitenlandse kunstenaars twee jaar kunnen verblijven om 'achter gesloten deuren’ te kunnen experimenteren. De toevloed is groot en de selectie streng. Vrijwel iedereen komt naderhand goed terecht. Ik noem een paar namen. Harald den Breejen (Dordrecht, 1983): een alleraardigste compilatie van ogenschijnlijk toevallig gevonden documenten en voorwerpen van ene Henri Wolff (1856-1917). Deze Wolff was geobsedeerd door de kubus, en door het idee dat alles wat rijmt ook 'waar’ was. Den Breejens presentatie houdt het midden tussen een museale solo en een rommelig huishouden. Er hangen kamerplanten. Er is een tekstbord met uitleg voor kinderen, waar zij zelf een kubus mogen inkleuren. Her en der ongesorteerde voorwerpen - een stapel dagboeken, bijvoorbeeld, aangetroffen op het Waterlooplein. Er ligt een pijp met een 'ionische’ kop; een tweede ('nr. 100307, pijp 'corintisch’) ontbreekt, want is uitgeleend aan 'Littlemoor Working Men’s Club’ te Pudsey, UK. Het is geestig, het graaft diep, er zitten briljante kleine werken tussen (een stereo-video'tje, waar een kubusje lijkt te zweven).
Even vernuftig als subtiel is de beeldhouwer Maarten Sleeuwits (Enschede, 1982), met heel eenvoudige grote stukken - een lat, gebogen tussen twee blokken marmer - en zeer complexe, kleine. Derk Thijs’ (Amsterdam, 1977) presentatie bestond uit een verbouwing van zijn atelierruimte tot een primitief-Romaans heiligdom, ’t soort elementair christelijke kapel dat reizigers bezoeken in Syrië of Armenië. Een eenvoudig houten gewelf, steunend op houten zuilen met dobbelsteenkapitelen. In het schemerduister zie je christelijke voorwerpen, althans, daar lijken ze op; je moet denken aan Larkins gedicht over zijn bezoek aan een kerk, zich afvragend of iemand over duizend jaar nog zal begrijpen waar die voor diende.
Het meest indrukwekkend vond ik de videoprojectie van Helen Dowling (Windsor UK, 1982). In een donkere ruimte verschijnen op twee schermen close-up beelden van een oudere man. Zijn kop beweegt onrustig, schichtig; net als je iets van zijn persoonlijkheid denkt te bespeuren verschuift hij. Het is alsof je Lucian Freud bent en een parkinsonpatiënt voor je ezel hebt, een wezen dat je grijpen wilt, als kijker, en begrijpen, als mens; in Dowlings visie lijkt dat onmogelijk. Waarmee er iets daagt over de wezenlijke hulpeloosheid van de kunstenaar, om zo'n ongelukkige te kunnen zien, laat staan omarmen.

www.rijksakademie.nl, www.openateliers.info. Info over de kunstenaars is daar te vinden.