David Cannadine

Versierselen van het Empire

In zijn boek ‹Ornamentalism› beschrijft David Cannadine wat hij ziet als «de zichtbare, innerlijke en werkelijke hiërarchie» waarmee het Britse koloniale rijk in stand werd gehouden. Hij gebruikte daarbij het zelfbeeld van de Britten.

In 1881 bracht koning Kalakaua van Hawaii een bezoek aan Engeland. Op een feest van Lady Spencer waren ook de Prince of Wales en de kleinzoon van de Duitse keizer aanwezig. De latere Edward VII stond erop dat bij de tafelschikking de Hawaiiaanse monarch een prominentere plaats zou krijgen dan zijn Duitse neefje. De latere Wilhelm II was furieus, maar Edward bleef bij zijn standpunt: «De woesteling is een koning, of hij is een tuinnikker. En in het laatste geval, wat doet hij hier?»

Dit lijkt, vanuit ons perspectief, een typisch geval van racisme. En dat wekt niet zoveel verbazing, aangezien het inmiddels een algemeen aanvaarde opvatting is dat in de hoogtijdagen van het Europese imperialisme racistische idee en gemeengoed waren. Die enorme expansiedrift ging immers niet alleen gepaard met maar werd vermoedelijk zelfs veroorzaakt door een westers superioriteitsbesef.

In 1978 publiceerde Edward Said zijn befaamde Orientalism, waarin hij de negatieve of in elk geval denigrerende, westerse ideeën over «het Oosten» aan de kaak stelde. Het vooral in de negentiende eeuw fors om zich heen grijpende «oriëntalisme» zou worden gekenmerkt door de overtuiging dat er een fundamentele tegenstelling was tussen het statische, traditionalistische, hiërarchische, irrationele en dus «achterlijke» Oosten, en het dynamische, individualistische, egalitaire, rationele en dus «moderne» Westen. Gezien de sentimenten die na 11 september zijn opgelaaid, heeft dit oriëntalisme blijkbaar diepe sporen achtergelaten. Fundamenteel onbegrip als oorzaak van een conflict dat we niet kunnen overzien.

De ideeën van Said hebben enorme invloed gehad op zowel het wetenschappelijke als populaire denken over de verhouding tussen het Westen en andere culturen, maar onomstreden zijn ze niet. Zo heeft de Britse historicus David Cannadine ernstige bedenkingen tegen de oriëntalisme-these. Zijn nieuwste boek, waarin hij onderzoekt hoe de Britten aankeken tegen hun koloniale rijk, heeft daarom een enigszins provocerende titel: Ornamentalism. Het is eigenlijk een aanvulling op zijn vorige werk, Class in Britain. Daarin keerde hij zich tegen pogingen om de Britse samenleving te analyseren met een of andere variant van het oude klassenstrijdmodel. Veel te vaak zijn volgens Cannadine de tegenstellingen in die maatschappij overdreven. Onvoldoende nadruk werd gelegd op het belang van traditionele, hiërarchische, gelaagde en duurzame banden die de samenleving bij elkaar hielden. Om erachter te komen hoe die banden eruit zagen, en hoe ze werkten, heeft Cannadine het zelfbeeld der Britten onderzocht.

Omdat de geschiedenis van het Verenigd Koninkrijk in de negentiende en twintigste eeuw niet te begrijpen valt als je de geschiedenis van het koloniale rijk er niet bij betrekt, terwijl het omgekeerde ook het geval is, besloot Cannadine een boek te wijden aan de wijze waarop de Britten dachten over hun immense Empire. Dat hij daarbij weinig had aan de oriëntalisme-these, was al snel duidelijk. Said gaat er immers van uit dat de Britten hun eigen samenleving zagen als dynamisch, individualistisch en egalitair. In Class in Britain had Cannadine al geconstateerd dat dit niet klopte. Traditie, hiërarchie, sociale status — dat waren volgens de Britten de kenmerken van hun maatschappij, en zo hoorde het ook. Het waren typisch idealen uit het tijdperk van voor de Verlichting, toen de van god gegeven orde nog was opgebouwd uit een aantal strikt van elkaar gescheiden standen. Dat de werkelijkheid intussen aan het veranderen was, dat de traditionele samenleving als gevolg van de industrialisatie zwaar onder vuur lag, dat was iets wat de meeste Britten niet onder ogen wilden zien. Het was eenvoudig te bedreigend. Vol afschuw werden de gigantische, door onafzienbare sloppenwijken omringde indu strie steden aan het begin van de negentiende eeuw vergeleken met «darkest Africa». De redeloze, barbaarse, in gruwelijke ellende levende arbeidersmassa stond dus op hetzelfde niveau als de «wilden» van Afrika.

Ook dat lijkt een racistische opmerking, net als de reactie van Edward VII op de koning van Hawaii. Cannadine wijst er echter op dat hier iets anders aan de hand is. Het waren geen superioriteitsgevoelens gebaseerd op ras die hier een rol speelden; wat de doorslag gaf was de behoefte aan «social ranking». Voor de Britse kroonprins was een koning, ongeacht zijn huidskleur, hoger dan een prins. En wilden waren wilden, of ze nu blank waren of zwart. Dat is dus uitgesproken niet-racistisch. Het is een pre-Verlichtingsstandpunt, waarbij de Europese superioriteits gevoelens zoals die in de achttiende eeuw manifest waren geworden, een ondergeschikte rol speelden.

Volgens Cannadine zag de Engelse elite meer overeenkomsten tussen zichzelf en bijvoorbeeld de Indiase elite, dan tussen zichzelf en de Britse middenklasse, om over het proletariaat maar te zwijgen. Een uiterst stand bewuste edelman als Lord Curzon, rond 1900 onderkoning van India, ging bijvoorbeeld op tijgerjacht met de maharadja van Gwalior, en behandelde hem als gelijke. Het was uitgesloten dat hij op dezelfde manier zou omgaan met een Britse onderwijzer of handelaar in koloniale waren. Zij mochten dan wel blank zijn, zij waren in de ogen van Curzon en de zijnen beslist inferieur aan de Indiase adel. Sociale status prevaleerde boven huidskleur, in deze vorm van «aristocratisch internationalisme».

In Engeland was het bestuur altijd onverbrekelijk verbonden geweest met status. Bestuurlijke functies werden uitgeoefend door de adel. Toen Wales, Schotland en Ierland deel gingen uitmaken van het Verenigd Koninkrijk, werd bij het bestuur van deze aanvankelijk nogal vijandige gebieden zoveel mogelijk gebruik gemaakt van de locale elites. In de Noord-Amerikaanse koloniën was dat niet mogelijk. Vandaar dat werd geprobeerd een lokale elite te creëren, compleet met titels en erfelijke functies. Als reactie hierop werden, na het verdrijven van de Engelsen, in de Verenigde Staten titels en privileges afgeschaft.

In India troffen de Britten echter wel een zeer hiërarchische, traditionele samenleving aan, die bovendien nog stabieler leek dan die in het moederland, waar de dreiging van de Franse Revolutie en haar egalitaire ideeën sterk werd gevoeld. Daarom werd zoveel mogelijk gebruik gemaakt van de oude structuren. Ongeveer een derde van India werd indirect, door middel van de Indiase adel, geregeerd. De rest stond onder direct Brits gezag, de Raj, maar hier werd wel een heel sterke hiërarchie gecreëerd, met aan de top de Britse onderkoning. Ook in de overige delen van het Empire werd het Britse elitesysteem gekopieerd. Er ontstond een typisch koloniale elite, met eigen adelboekjes, een eigen decoratiestelsel en een geheel eigen hiërarchie. Bovendien leefde deze elite op veel grotere voet, had ze veel meer prestige dan ze in eigen land zou hebben gehad.

Het is deze kijk op het koloniale rijk, deze imperialistische ideologie, die Cannadine typeert als «ornamentalisme». Ornamentalisme is volgens hem «hierarchy made visible, immanent and actual». Het speelde een heel belangrijke rol bij het organiseren en in stand houden van het Empire. Voor dit doel werden het Indiase kastenstelsel en de schilderachtige vorstendommen enorm geïdealiseerd en werden er talloze «tradities» uitgevonden. Dit ornamentalisme had grote voordelen voor de Britse bestuursambtenaren en militairen. Velen die in eigen land niet veel voorstelden, bereikten in de koloniën een status die thuis onbereikbaar was. Aangezien het grootste deel van hun ondergeschikten een donkere huidskleur had, kwam in deze kringen racisme wel veel meer voor. In tegenstelling tot wat Said beweert, lag het racisme volgens Cannadine dus echter niet ten grondslag aan het koloniale systeem.

Het is jammer dat Cannadine zich beperkt tot de Britse koloniën, omdat hierdoor niet duidelijk wordt in welke mate racisme in bijvoorbeeld de Franse, Duitse, Belgische en Nederlandse koloniën wel een grote rol speelde. Wat daarentegen een verdienste van Ornamentalism is, is dat Cannadine laat zien dat de Britse koloniale ideologie een van de oorzaken van de Decline and Fall of the British Empire was. Door de atavistische denkbeelden over een geïdealiseerde, statische en hiërarchische samenleving, zagen de Britten niet dat zowel India als Groot-Brittannië, vooral door eigen toedoen, razendsnel aan het veranderen was. De koloniën genereerden ongelooflijk veel kapitaal, waarmee Engeland in hoog tempo gemoderniseerd kon worden. Bovendien werden ook de koloniën, en vooral India, gemoderniseerd. Door hun voorkeur voor de traditionele elites en de sprookjes achtige rituelen zagen de Britten niet dat er in India een stedelijke, hoogopgeleide middenklasse ontstond, waarin radicale nationalistische denkbeelden wortel schoten. Achter de uitbundig versierde façade werd een geheel nieuw gebouw opgetrokken. Ook in de overige delen van het Empire bleek de spanning tussen de traditionalistische denkbeelden en de moderne werkelijkheid steeds verder op te lopen. In de Dominions — Canada, Australië en Nieuw-Zeeland — leidde dit tot vergaande autonomie en het ontstaan van samenlevingen die steeds meer op de Verenigde Staten begonnen te lijken. In de «echte» kolo niën leidde dit tot de onvermijdelijke onafhankelijkheid.

Voor de Britse samenleving had dit hele proces ook vergaande gevolgen. Met het wegvallen van het Empire had het ornamentalisme ook thuis zijn functie verloren. De koninklijke familie, de adel, de op lintjes en status beluste civil servants; ze werden steeds vaker een bron van spot en satire. Ook verdween de aristocratie uit de «corridors of power», aangezien met de ondergang van het koloniale rijk zijn arbeidsmarkt grotendeels was verdwenen. Het was volgens Cannadine dan ook geen toeval dat binnen twee jaar na de overdracht aan China van Hong Kong, de laatste substantiële kolonie, het erfelijke lidmaatschap van de House of Lords werd afgeschaft. Het feest was voorbij, de versiering kon naar zolder.

David Cannadine, Ornamentalism: How the British Saw their Empire

Uitg. Penguin, 264 blz., £13.99