Het bancaire model is door en door verrot

Verslaafd aan geld

Banken verkopen elkaar opgepompte onzin waar niemand wat aan heeft, en doen niet wat ze moeten doen: gewoon krediet verstrekken. Regulering is een lachertje. Er moet iets gebeuren, voordat de bankiers ons weer de grond in drijven.

ALS DE KLUCHT over de bonussen bij ABN Amro, ING en andere banken vorige week iets heeft gedemonstreerd, dan is het wel dat politici nog steeds aan de leiband van bankiers lopen. Want pas na grote druk van pers, werknemers, burgers, cliënten en hun populistische woordvoerders in de Tweede Kamer ging minister Jan Kees de Jager overstag en kondigde hij in het discussieprogramma Buitenhof aan te doen wat de commissie-De Wit hem al in mei 2010 had aanbevolen: banken die staatssteun ontvangen, mogen geen bonussen uitkeren. Pas als hij niet anders kan, verschuilt hij zich niet langer achter juridische rookgordijnen en doet hij een weifelend stapje voorwaarts dat hij vervolgens presenteert als reuzensprong. Zelfs na de grootste financiële crisis die Nederland sinds 1929 heeft gekend en die de Nederlandse belastingbetaler miljarden aan kapitaalinjecties, nationalisaties en garanties heeft gekost, betoont de politieke elite zich nog altijd zeer terughoudend in het temmen van bankiers.
Dat is niet omdat de relatie van oudsher nou zo hecht is. Jarenlang hebben banken met goedkoop geld ongestoord gigantische balansen kunnen bouwen op een zo klein mogelijke eigen vermogensbasis om winsten en bonussen op te blazen: bankieren op anabole steroïden. Toezichthouders stonden erbij en keken ernaar, marktfundamentalisten applaudisseerden terwijl politiek en burgerij zich verveeld afwendden en zich vol overgave stortten op het volgende hoofddoekjesincident. Toen het ondenkbare toch gebeurde en in september 2008 de bancaire droomkastelen met oorverdovend geraas instortten, beseften politici plotsklaps dat de banken in hun val ook de burgerij konden meesleuren. Bankieren mocht dan het exclusieve domein zijn van hoogopgeleide mannen en vrouwen met dure maatpakken en intimiderend jargon, toen het mis ging bleek dat zij doodleuk hadden zitten gokken met onze huizen, onze spaarcenten en onze pensioenen. En dus zagen overheden zich genoopt om alles uit de kast te halen om de banken te redden. Ook al betekende het de ondenkbare nationalisering van banken en ook al zadelde het ons op met honderden miljarden aan staatsschulden.
In de maanden van ontnuchtering die volgden, leek een begin van collectieve bezinning te dagen. Niet eerder immers hadden zo weinigen in zo'n korte tijd zo veel schade toegebracht aan zo velen. Die onthutsende constatering was aanleiding voor grote vragen over de aard van het kapitalisme, de kwetsbaarheid van het Amerikaanse model en de superioriteit van het Europese. En niet weinig later voor kleinere vragen over het maatschappelijk nut van banken en of ze niet te groot, te ingewikkeld, te winstgevend en onderling te veel verbonden waren geworden. Wat voor de crisis ondenkbaar was, gebeurde in de maanden erna: een Britse toezichthouder die in het openbaar twijfelde aan het maatschappelijk nut van een groot financieel centrum; een Amerikaanse oud-minister die namens Obama de uitspraak deed dat de enige nuttige financiële innovatie de uitvinding van de betaalautomaat is geweest - die overigens was gebaseerd op een automaat voor marsrepen.
Even leek de wereld in de gedaante van de G20 bereid om hard in te grijpen in het lucratieve spiegelpaleis dat bankiers voor zichzelf hadden opgetrokken en banken weer net als vroeger dienstbaar te maken aan consument en ondernemer. Even maar. Want toen de politieke aandacht door Grieks gesjoemel met de begroting verschoof naar de gevolgen van de crisis voor de schatkist en alle politieke energie ging zitten in het prepareren van een onschuldig electoraat op megabezuinigingen kwam het temmen van banken al snel weer op het bordje te liggen van dezelfde technocratische toezichthouders die voor de crisis uitblonken in bancaire horigheid. En dus zagen de banken hun kans schoon om sluipenderwijs terug te keren naar de handel en wandel van weleer. Gretig retourneerden zij de staatssteun om weer fluks aan het speculeren, uitbuiten en schrapen te slaan.
In de Verenigde Staten ligt er nu een drieduizend pagina’s tellende wet die de schijn van toezicht op moet houden. Maar de uitzonderingsbepalingen zijn te omvangrijk en de camouflagetechnieken van zakenbanken te geslepen. In Nederland ligt er een veel minder imponerende code die wederom zwaar leunt op het zelfregulerende vermogen van de bancaire sector dat voor de crisis evenveel waard bleek als de beloftes van een alcoholist. En internationaal ligt er Basel 3 dat banken verplicht meer eigen vermogen aan te houden om klappen als in 2008 te kunnen opvangen. Maar de hoogte ervan is lager dan de acht procent die Basel 1 ooit eiste, terwijl banken net als onder Basel 2 zelf mogen uitrekenen hoeveel kapitaal zij moeten reserveren voor verschillende soorten activa. En in de bancaire wereld komen er dan - rarara - altijd lagere buffers uitrollen, nooit hogere; waarom genoegen nemen met een vinger als je een hand kunt krijgen?

SINDS september 2008 is volgens het Internationaal Monetair Fonds bijna twintig procent van het mondiale bruto product - pakweg twaalf biljoen dollar - in rook opgegaan. Weg. Foetsie. Verschwunden. Gone. En wij burgers zullen daarvan tot in lengte van jaren de schamele vruchten plukken. Zo is het niet denkbeeldig dat het bancaire gesjoemel via de eurocrisis uitmondt in de definitieve geopolitieke marginalisering van Europa. Met alle deprimerende consequenties voor onze kinderen en kleinkinderen van dien. En dan toch zo'n timide politieke respons. Hoe is dat in godsnaam mogelijk?
Angst. Toezichthouders en politiek zijn zich in september 2008 het leplazarus geschrokken. Na het failliet van Lehman Brothers stond de wereld aan de rand van de financiële afgrond. En dat is geen picknick. Stel je Argentinië 2001 voor, maar dan in vijftienvoud en op wereldschaal. Als er geen flappen meer uit de flappentap komen en stadsbewoners naar hun brood en wijn kunnen fluiten, gaan onherroepelijk de stoeptegels door de ruiten. Van dat moment van totale anarchie en wetteloosheid waren we in september 2008 nog maar een fractie verwijderd. Dat is de Wellinks en De Jagers van deze wereld niet in de koude kleren gaan zitten. En als je dan bedenkt dat Amerikaanse en Europese banken drie jaar na dato nog altijd voor honderden miljarden aan afschrijvingen voor de boeg hebben - Europese overigens veel meer dan Amerikaanse - snap je waarom toezichthouders als de dood zijn om banken aan strenge stresstests te onderwerpen, of voor te stellen om de Griekse staatsschuld te herstructureren, Ierse banken over de kop te laten gaan, obligatiehouders te laten meebetalen aan reddingsacties, of banken hogere kapitaaleisen op te leggen. Want laten we wel wezen: we redden niet Griekenland, Ierland of straks Portugal en Spanje, maar Société Générale, ING, KBC en Deutsche Bank.
Angst is maar een deel van het verhaal. Belangenverstrengeling is het andere deel. Banken zijn vaak medeauteurs van wetgeving die is bedoeld om hun eigen handelingsvrijheid te beperken. De consultatierondes voor Basel 1 en 2 zijn vrijwel uitsluitend benut door banken en hun lobbyorganisaties, zo leert onderzoek van onderzoeker Jasper Blom. Europese wetgeving komt al evenzeer in nauwe samenspraak met de financiële sector tot stand. Europarlementariërs belast met financiële portefeuilles hebben vaak bijbaantjes in de financiële sector: als advocaat, consultant of toezichthouder. Een praktijk die in de Verenigde Staten ondenkbaar is. En ook in Nederland blijkt cruciale financiële wetgeving vaak ingefluisterd door banken. Sommige passages komen regelrecht uit het propagandamateriaal van de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB).
Verder zie je vaak het draaideureffect: topbankiers die tijdelijk overstappen naar de politiek, daar de belangen van de sector behartigen en vervolgens terugkeren naar het Luilekkerland van de bancaire sector. In de VS is het een geaccepteerd verschijnsel, maar ook in Nederland komt het voor: Onno Ruding ging van Financiën naar Citigroup, Wim Kok van Financiën naar ING, Alexander Rinnooy Kan van ING naar de SER, Gerrit Zalm van Financiën naar DSB en later ABN Amro, Joop Wijn van Financiën naar Rabobank en later ABN Amro, en de onvermijdelijke Boele Staal combineert zijn baan bij lobbyclub NVB doodleuk met een lidmaatschap van de Eerste Kamer voor D66. Belangenconflicten? Wat zijn dat?
Je zou verwachten dat het na de crisis anders is. Integendeel, banken hebben hun lobbyinspanningen alleen maar vergroot. Basel 3 is wederom het eindproduct van eindeloze consultatierondes met de sector zelf. De internationale bankierslobby onder leiding van Deutsche Bank-president Josef Ackermann, bestookt de G20 en het Baselse Comité voor Bankentoezicht onophoudelijk met doemscenario’s over de gevolgen van strenger toezicht. Terwijl nationale lobbyorganisaties als de NVB de nationale bankiersbelangen behartigen met lezingen, rapporten, congressen, recepties, etentjes en zelfs cheques voor lokale overheden.

MAAR HET schokkendst is nog wel dat banken ook na de crisis niet terugdeinzen voor chantage. Zwitserse en Britse bankiers zijn het zat om te worden neergezet als parasitaire zakkenvullers en dreigen schaamteloos te vertrekken naar gastvrijere oorden (Zuidoost-Azië, Malta, Zwitserland) als de politiek niet stopt met bankiertje pesten. Het is een bekend stijlbloempje dat na de crisis weer welig tiert: als de kapitaaldekkingseisen worden verhoogd, komt de kredietverstrekking aan het midden- en kleinbedrijf in gevaar. Als de markt voor verpakte hypotheken niet snel aantrekt, zullen Nederlandse huizenkopers meer moeten betalen voor hun hypotheek. Als er meer beperkingen komen op het verstrekken van tophypotheken droogt de huizenmarkt op. Als wij strenger zijn met bonussen dan anderen lopen onze beste mensen weg. Als wij strikter toezicht houden dan elders verliest Amsterdam terrein. Of het nu gaat om Fransen, Britten, Amerikanen, Nederlanders of Duitsers, allemaal bedienen ze zich van dezelfde dreigementen.
Dat banken zich zelfs na een crisis van deze omvang bezondigen aan chantage is best te begrijpen - ook al getuigt het van weinig gevoel voor maatschappelijke verhoudingen. Als er aan je bonus wordt getornd zijn alle middelen geoorloofd. Hoe exorbitant en onverdiend die bonus ook is en hoe terecht de ophef erover ook is. Onbegrijpelijk is het waarom politici zich laten chanteren en ook na de crisis banken geen strobreed in de weg durven leggen. Waarschijnlijk komt het door het politieke onvermogen om de bancaire sprookjes door te prikken, het nostalgische verhaal over de nuttige bankier.
Ooit mogen banken nuttig zijn geweest, sinds pakweg vijftien jaar zijn ze dat nauwelijks meer. Grote bedrijven weten steeds vaker zelf de weg naar de geldmarkten te vinden en hebben bankiers steeds minder nodig. De kredietverlening aan consumenten is de laatste jaren radicaal veranderd. Banken doen nog maar mondjesmaat aan goedkoop geld lenen en duur uitlenen. In plaats daarvan zijn ze vooral elkaar lucratief gaan bedienen met gestructureerde producten die een paar basispunten meer opleveren dan het klassieke bankieren.
Kwam rond 1980 nog tussen de zeventig à tachtig procent van de bancaire inkomsten uit het verstrekken van kredieten, in 2007 was dat gedaald tot 35 à 45 procent. In plaats daarvan zijn banken steeds meer afhankelijk geworden van provisies en commissies. Onder de vlag van financiële innovatie is in twintig jaar tijd kredietverstrekking voor de meeste banken een marginale activiteit geworden. In plaats daarvan zijn complexe gestructureerde producten gekomen, die neerkomen op gedwongen winkelnering en koppelverkoop en drie dingen tegelijk doen: het maximaliseren van bancaire provisies, het minimaliseren van fiscale verplichtingen, en het verdoezelen van de kostenstructuur. Zo konden woekerhypotheken, kredietderivaten, aflossingsvrije tophypotheken, synthetische CDO’s en al die andere financiële innovaties ontstaan, waar de sector voor de crisis zo trots op was en die tijdens de crisis zo giftig zijn gebleken.
Het bedrijfsresultaat was ernaar. Zowel in de Verenigde Staten en Groot-Brittannië als Nederland was de bancaire sector in de jaren voor de crisis veruit de meest winstgevende bedrijfstak. Oliemaatschappijen, automatiseerders, autofabrikanten en pillendraaiers konden er niet aan tippen. Bij een vrijwel gelijk blijvend personeelsbestand en een vertwintigvoudiging van de balans wisten banken hun marktwaarde te verviervoudigen en hun winsten te vervijfvoudigen. De cliënt had het nakijken. Europese burgers klagen al jaren steen en been over de abominabele kwaliteit van de pensioenproducten die banken verkopen. Ook in Nederland - ooit de pensioenkampioen van Europa - hebben matige beleggingsresultaten, onderfinanciering en hovaardige dienstverlening een bom gelegd onder de veelgeroemde verplichte deelneming. In Nederland is veel te doen over de hypotheekverstrekking: slecht advies, hoge provisies, ondoorzichtige producten en hogere kosten dan in ons omringende landen.

WAARAAN DANKEN banken hun buitensporige winsten? In ieder geval niet aan de superieure efficiëntie die het sprookje van financiële innovatie suggereert. De rendementen per activa fluctueren al decennia tussen een weinig indrukwekkende 0,5 en 1,5 procent. Dat staat in schril contrast met de rendementen per eigen vermogen. Die fluctueerden voor de crisis tussen een matige vijf en een indrukwekkende twintig procent, met uitschieters van 35 (!) procent voor Barclays, Deutsche Bank, Goldman Sachs. Het verschil tussen de twee maatstaven bevat de sleutel om te begrijpen hoe het bancaire bedrijfsmodel voor de crisis zo succesvol kon lijken en tijdens de crisis zo wankel kon blijken.
In de vijftien jaar voor de crisis hebben banken drie dingen gedaan. Ten eerste hun balansen kunstmatig opgeblazen met impliciete staatsgaranties en goedkope interbancaire leningen. Banken hebben altijd meer uitgeleend dan ze bezaten. Maar waren in de jaren vijftig hefbomen van vijf maal het eigen vermogen normaal, vlak voor de crisis hadden sommige banken hefbomen van meer dan vijftig. Ten tweede hebben banken hun reserveverplichtingen zo veel mogelijk proberen te ontlopen: hoe minder ‘dood kapitaal’, hoe meer winst. En ten derde bezondigden banken zich aan het kopen, doorverkopen en nog eens doorverkopen van elkaars onzinproducten. Sommige hypotheekobligaties figureerden in wel vier of vijf verschillende transacties.
Met kredietverstrekking aan huishoudens en bedrijven had het allemaal niets te maken; met de jacht op bovengemiddeld rendement, het maximaliseren van inkomsten en het ontlopen van verplichtingen des te meer. De beste metafoor is die van drie antiquairs op een onbewoond eilandje die elkaar steeds opnieuw hetzelfde Biedermeierkastje verkopen en er goed van kunnen leven. Want dat is nog het meest onthutsend: bankieren op anabole steroïden komt uitsluitend bankiers ten goede. De consument klaagt over slechte en dure producten en arrogante bankiers. De belastingbetaler moet het doen met loze beloftes van werkgelegenheid en belastingopbrengsten in goede jaren, die niet opwegen tegen de omvang van de staatssteun als het mis gaat. Ook de aandeelhouder deelt alleen maar mee in fraaie beurskoersen en hoge dividenden als het goed gaat. Als de winsten kelderen heeft hij het nakijken. Geen dividend, dalende beurskoersen en in het ergste geval, zoals bij ABN Amro, onteigening door de staat. Zeker zijn alleen de beloningen van de bankiers.

DE TOPBANKIERS krijgen net als de topspelers een gefixeerd percentage van de rendementen van hun desk; de aandeelhouder krijgt wat na aftrek van de kosten resteert. Zo heeft bankieren op anabole steroïden geleid tot de excessieve beloningen van voor de crisis die in 2010 zijn teruggekeerd. In welke sector vind je bedrijven die hun werknemers gemiddeld - dus van postkamer tot aan raad van bestuur - tussen de 400.000 en 450.000 euro uitkeren? In welke sector vind je bestuursvoorzitters die zeventig miljoen euro beuren, zoals Lloyd Blankfein van Goldman Sachs in crisisjaar 2007? En waar in het egalitaire Nederland kun je als werknemer 2,6 miljoen euro verdienen, zoals Jan Hommen van ING tot vorige week op zijn rekening dacht te kunnen bijschrijven? Als je vroeger serieus rijk wilde worden, moest je voor jezelf beginnen. Tegenwoordig trekt iedereen naar de City of Wall Street, waar de aanvangssalarissen voor beginnende analisten rond de 75.000 dollar bedragen. Met alle consequenties van dien.
Het bancaire bedrijfsmodel is door en door verrot. Banken doen niet wat ze moeten doen - huishoudens en bedrijven degelijke kredieten verstrekken - en doen wél wat ze moeten laten: elkaar opgepompte onzin verkopen waar niemand wat aan heeft. Dat was voor de crisis zo en is - helaas - nog steeds zo. De voorgestelde regulering is een lachertje.
De anabole steroïden waaraan de bancaire sector verslaafd is geraakt, moeten definitief de wereld uit. Dat betekent allereerst kapitaalbuffers van vijftien procent of hoger. Al was het maar om het relatieve rendement op nuttige investeringen - midden- en kleinbedrijf, infrastructuur, alternatieve energie, opkomende markten, armoedebestrijding - te vergroten. Het moet, ten tweede, banken worden verboden om hun eigen buffers te bepalen. Zolang ze dat mogen, houden ze een prikkel om risico te vermommen, rendementen te verdoezelen en verplichtingen te verhullen. Ten derde moet er een wettelijk plafond komen op salarissen en bonussen. In 2010 is dat bij een aantal zakenbanken weer opgelopen tot de vijftig à zestig procent van de omzet die het voor de crisis was. Een wettelijk maximum van twintig procent voor nutsbanken, dertig procent voor luxebanken en iets ertussenin voor universele banken als ING en ABN Amro dwingt bankiers meer reserves aan te houden dan zij uit vrije wil zouden doen. Alleen zo kan een einde worden gemaakt aan de perverse logica van private winsten en publieke verliezen.
Ten slotte moeten politici hun argwaan gaan oefenen. Pas wanneer zij inzien dat het intimiderende jargon van de bankier bestaat uit een mengsel van potjeslatijn, halfbegrepen economische theorieën, wereldvreemde mathematica en regelrechte bullshit kunnen zij de wereld bevrijden van de roofzuchtige bankiers die ons in 2008 naar de rand van de financiële afgrond hebben gebracht en dat bij ongewijzigd beleid weer zullen doen. De bonusmotie van de PVV is flauwekul - want niet uitvoerbaar en bovendien laat zij het structurele probleem ongemoeid. Maar er is wel een streep in het zand getrokken; de burger is het zat. Bankiers moeten daar nota van nemen. Hun mandaat staat op het spel. Dat is de winst van de bonusklucht van vorige week.

Ewald Engelen is hoogleraar financiële geografie aan de Universiteit van Amsterdam