De private militaire industrie

Verslaafd aan huurlingen

Het Blackwater-bloedbad in Bagdad heeft Amerika wakker geschud. De privatisering van de oorlog is op hol geslagen.

Het is 12 september. We zitten in een pantserwagen, een Patria. De twee bovenluiken staan open. Twee infanteristen staan op hun stoeltjes. Vanaf hun middenrif steken hun lichamen uit het pantser. Ze bedienen minimi’s, lichte machinegeweren, en scannen de omgeving. We bevinden ons op de bazaar van Deh Rawod. Er is hier al eens een zelfmoordaanslag gepleegd. Nu lopen er zes zelfmoordterroristen rond in de omgeving, zeggen de mannen. ‘Ze zijn geprepareerd’, vertelt een korporaal. ‘Klaar om te sterven en uitgerust met explosieven, gereed om toe te slaan.’

De korporaal is 25 jaar, groot, breed en blond. Hij lacht veel. Terwijl we wachten totdat het sein veilig wordt gegeven, of de boel explodeert, maar dat is een gedachte die niemand hier toelaat, raken we in gesprek. We maken het ons gemakkelijk in de gepantserde kist op wielen. Sigaretten gaan rond, gevechtsrantsoenen worden geopend. Het bevalt hem uitstekend bij de krijgsmacht, vertelt de korporaal. Maar bijtekenen is geen optie, want hij heeft gehoord dat hij met zijn vaardigheden elders veel meer kan verdienen. ‘Dit werk ligt me. De spanning, het gevoel dat je het aankunt, omdat je heel goed getraind bent. Ik ben een beetje aan het rondneuzen op internet. Je hebt van die militaire beveiligingsbedrijven, daar verdien je veel beter dan bij Luchtmobiel.’ Een soldaat wijst op zijn voorhoofd. De korporaal geeft hem een stomp. ‘De mannen vinden me gestoord. Maar ik houd van dit werk en ik ben niet gebonden. Ik heb geen vriendin en geen gezin.’ Dus waarom niet nog wat jaartjes afreizen naar oorlogsgebieden en lekker sparen voor een rustiger leven later? Hij lacht maar weer eens. ‘Denk je dat Blackwater iets voor me is?’

Vier dagen later schieten mannen van Blackwater twintig Irakezen dood op een druk plein in Bagdad. Onder hen zijn vrouwen en kinderen. Niemand is gewapend. Ooggetuigen verklaren dat er niet op Blackwater werd geschoten, maar dat op grote afstand een bom explodeerde, die niet voor het Blackwater-konvooi bedoeld kon zijn. De moordpartij is een uitvloeisel van Blackwaters manier van werken. Het beschermt diplomaten, en die moeten hoe dan ook veilig aankomen. Daarbij rijden de Blackwater-mensen regelmatig aan de verkeerde kant van de weg, om verkeer tot stoppen te dwingen. ‘Hun automatische geweren gebruiken ze als claxons’, schreef een journalist. De Iraakse regering, woedend, wilde de licentie van Blackwater intrekken. Maar het bedrijf bleek die niet te hebben. Vijf dagen later scheurden Blackwater-konvooien weer door Bagdad.

In de VS dringt nu langzaam door wat men in Irak al wist. Blackwater en de hele duur betaalde bedrijfstak waartoe het behoort, schaden het Amerikaanse belang. Zij helpen Washington de oorlog te verliezen. De korporaal doet er beter aan zich nader te oriënteren.

Private military contractors, of private militaire firma’s (pmf’s), hebben de afgelopen vijftien jaar een snelle opmars naar het fortuin gemaakt. In de tijd van demobilisatie van de grote Koude Oorlog-legers kwamen veel militairen op straat te staan. Tegelijkertijd nam het aantal conflicten snel toe, net als het geloof in privatisering. Een nieuwe industrie zag het licht. Het aantal pmf’s wordt geschat op enkele honderden, hun totale jaaropbrengst op een slordige honderd miljard dollar.

Niet alle pmf’s bestaan uit zwaar bewapende ex-militairen, zoals bij Blackwater. Het Amerikaanse mpri, bijvoorbeeld, levert vooral hoge ex-officieren die desnoods hele oorlogen plannen en aansturen. Andere pmf’s leveren slechts ongewapend personeel dat zich bekwaamt in het laden van geavanceerde bommenwerpers. Pmf’s ondersteunen militaire operaties. Daaronder vallen uiteenlopende werkzaamheden. Puur logistieke, zoals het bouwen van militaire bases, en het cateren en bevoorraden van die bases. Kellog, Brown & Root (kbr) is een van de grootste pmf’s op dit gebied. Maar ook gevoeliger militaire taken, zoals het verzorgen van trainingen, bewaking (bases, personen, konvooien), het besturen van onbemande vliegtuigjes, het analyseren van inlichtingeninformatie en zelfs het bewaken en ondervragen van (krijgs)gevangenen. In de bewapende tak zijn inmiddels beruchte bedrijven als Executive Outcomes, DynCorps en natuurlijk Blackwater actief.

In strikte zin zijn pmf’s geen huurlingenlegers. Huurlingen leveren één dienst: vechten voor de hoogst biedende, waarbij ze zich onttrekken aan wetten en controles. Pmf’s leveren alle diensten die te maken hebben met het oorlogvoeren (behalve het fabriceren van wapens) en zijn legale bedrijven. Hoe schoner ze opereren, hoe hoger hun winst. De huidige perikelen rond Blackwater gaan dat bedrijf waarschijnlijk veel geld kosten.

De Amerikaanse regering, verreweg de grootste afnemer van hun diensten, zet officieel geen pmf’s in voor gevechtstaken. Maar in de praktijk functioneren sommige pmf’s wel degelijk als huurlingen. Dat gebeurt doorgaans in gebieden waarvoor de internationale gemeenschap weinig aandacht heeft. Een greep uit de moderne huurlingenactiviteiten van private militaire firma’s: het Britse Sandline International (inmiddels ter ziele) onderdrukte een opstand in Papoea Nieuw-Guinea, het Zuid-Afrikaanse Executive Outcomes vocht in Angola en Congo en bedwong de rebellen in Sierra Leone, het Franse Idas beschermde de Angolese diamantmijnen tegen Unita-strijders, het Russische Soekhoi leverde Ethiopië een volledige luchtmacht inclusief piloten voor de strijd tegen Eritrea, mpri trainde het Kroatische leger voor zijn offensief in de Krajina, waarbij ten minste tweehonderd Servische burgers werden vermoord, het Israëlische Spearhead Ltd. trainde in de jaren tachtig de doodseskaders van de Colombiaanse paramilitairen en de milities van drugskartels, waaronder die van Pablo Escobar. En DynCorp vecht met Amerikaans overheidsgeld, maar zonder controle van het Congres, een contraguerrilla in Colombia.

Blackwater USA begon in 1996 als een bedrijf in North-Carolina dat voorzag in de wapen- en veiligheidstraining van overheidspersoneel. Het werd opgericht door Erik Prince, een ex-lid van de Amerikaanse elite-eenheid Navy SEALs. ‘Erik’ met een ‘k’: zijn familie stamt af van Nederlandse calvinisten die zich in 1846 onder leiding van Albertus van Raalte vestigden in Michigan. De steenrijke familie Prince doneerde miljoenen dollars aan rechtse religieuze groepen en droeg bij aan de overwinning van de Republikeinen in 2000, die George W. Bush aan het bewind bracht. Dat gaf Erik Prince toegang tot de hoogste regionen van de macht, waaronder het Pentagon en de cia-burelen. Blackwater won overheidscontracten en trainde onder andere cia-agenten.

Meteen nadat de Taliban in Afghanistan werden verslagen, kreeg Blackwater middels een telefoontje vanuit het cia-hoofdkwartier zijn eerste Amerikaanse beveiligingscontract in den vreemde. Ook in Irak werd het bedrijf meteen ingehuurd na de vijandelijkheden. Dit keer door het State Department, het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken, dat Blackwater zijn medewerkers liet beveiligen. Erik Prince’s mannen bewaakten Paul Bremer, de Amerikaanse bewindvoerder in Irak, en de opeenvolgende Amerikaanse ambassadeurs. Hij heeft 2300 medewerkers gestationeerd in negen landen en kan beschikken over twintigduizend oproepbare krachten, grotendeels ex-militairen. Blackwater is een van de grootste winnaars in de oorlog tegen het terrorisme. Sinds 11 september 2001 haalde het ongeveer een miljard dollar aan Amerikaanse overheidscontracten binnen.

Blackwater en de gehele private militaire industrie hadden baat bij nog een andere oorlog. Op 10 september 2001, één dag voor de al-Qaeda-aanslagen in de VS, hield Donald Rumsfeld een van zijn eerste grote toespraken als minister van Defensie. Rumsfeld stapte het podium op in het Pentagon, keek de zaal rond en begon aan zijn oorlogsverklaring: ‘Het onderwerp vandaag is een tegenstander die een bedreiging vormt, een serieuze bedreiging, voor de veiligheid van de Verenigde Staten van Amerika.’ Donald Rumsfeld, die later zo roemloos aftrad, richtte zijn geschut op de bureaucratie van het Pentagon en gooide de poorten open voor de commerciële uitbesteding van de Amerikaanse oorlogvoering.

Tijdens de Golfoorlog in 1991 werkte één contractor op elke tien Amerikaanse militairen. Volgens de laatste tellingen bevinden zich momenteel 160.000 contractors in Irak, tegenover 135.000 Amerikaanse militairen. 48.000 contractors doen beveiligingswerk à la Blackwater en zijn minstens zo zwaar bewapend als militairen. Volgens P.W. Singer is de moordpartij door Blackwater in Irak geen incident, maar een teken dat het misgaat met de privatisering van de oorlog. ‘Onze militaire privatisering is een verslaving geworden die nu snel afstevent op een totale ineenstorting’, schrijft hij in de recente rapportage Can’t win with ’em, can’t go to war without ’em. Singer, werkzaam bij het Brookings Institute, doet al tien jaar onderzoek naar pmf’s. In 2003 publiceerde hij de studie Corporate Warriors: The Rise of the Privatized Military Industry. Wat hij daarin voorspelde is waarheid geworden: het uitbesteden van de oorlogvoering is een oncontroleerbaar, levensgevaarlijk proces geworden.

Op het politieke vlak is dat reeds gebleken met de Irak-oorlog. Die was niet mogelijk zonder de private militaire firma’s. Zonder hen zou Rumsfeld veel meer troepen hebben moeten inzetten. De Nationale Garde zou gemobiliseerd zijn, of er zou zelfs een tijdelijke dienstplicht zijn afgekondigd. Dat zou de oorlog op het bordje van een groot deel van de Amerikaanse huishoudens hebben gebracht, en dat was politiek volstrekt onhaalbaar. Ook het politieke risico van de prijs in mensenlevens wordt door de pmf’s verkleind. In de dodenlijsten van het Pentagon zijn geen contractors opgenomen. Meer dan duizend van hen zijn al gedood en dertienduizend gewond. De laatste maanden sterven gemiddeld negen van hen per week. Veel contractors zijn afkomstig van buiten de VS. Pmf’s stellen regeringen dus in staat oorlogen te voeren die te weinig steun vinden in de eigen publieke opinie, en dat maakt het grofste machtsmiddel van de politiek onbeheersbaar.

Colombia is eveneens een voorbeeld. Het Congres heeft een limiet gesteld aan het aantal Amerikaanse militairen op Colombiaanse bodem, om te voorkomen dat de VS in een oorlog tegen de farc-guerrilla worden gezogen, zoals destijds gebeurde in Vietnam. Toen bleek dat Amerikaanse contractors werden ingezet om het tekort aan militairen op te vangen, werd ook hun aantal door het Congres aan een limiet gebonden. Het Pentagon vulde hun rangen vervolgens aan met buitenlandse contractors en liet hen betalen door Colombia, dat daarvoor via hulpgelden werd gecompenseerd.

Een ander punt is de wetgeving. Het Amerikaanse militaire recht is niet van toepassing op de contractors en het rechtssysteem van Irak, Afghanistan of andere landen waar zij optreden, is doorgaans te zwak ontwikkeld om hen te controleren. In Irak vaardigde Paul Bremer bovendien vlak voor zijn vertrek Order 17 uit, waarmee contractors van vervolging door de Iraakse overheid werden vrijgesteld. Hoewel Irak nu een grondwet heeft, is nog nooit een contractor vervolgd. Dat zal ook niet gebeuren met de Blackwater-medewerkers die het recente bloedbad veroorzaakten. Zij zijn op vrije voeten buiten Irak. Het internationale recht is slechts van toepassing op individuele huurlingen, niet op bedrijven.

In de VS worden nu pogingen gedaan het wettelijke toezicht op pmf’s te verscherpen. Dat gebeurde na de apartheid ook in Zuid-Afrika. Het resultaat was dat de Zuid-Afrikaanse pmf’s uitweken naar het buitenland en hun werkzaamheden voortzetten. In het Huis van Afgevaardigden is een wet aangenomen die Amerikaans recht van toepassing verklaart op alle contractors die voor de Amerikaanse overheid werken. Maar het Witte Huis ligt dwars en ook de Senaat moet nog worden gewonnen. Bovendien is onduidelijk wie gaat controleren of de pmf’s zich aan de wet houden. Zelfregulering is evenmin een optie. Blackwater beroept zich op zijn eigen gedragscodes en boetesysteem. Het bedrijf was aangesloten bij een pmf-belangenorganisatie die luistert naar de eufemistische naam International Peace Operations Association. Toen die een onderzoek aankondigde naar Blackwaters interne procedures, stapte Erik Prince uit de organisatie.

Er lopen nu vier onderzoeken naar Blackwater, waaronder één van de fbi. Ook het Amerikaanse Congres is een onderzoek gestart. Niet naar strafbare feiten, maar naar de vraag of de privatisering van oorlog in het belang is van de belastingbetaler, de militairen en de nationale belangen. Erik Prince werd door de commissie gehoord. Hij beriep zich op vaderlandsliefde en de onmisbaarheid van private militaire firma’s voor de oorlogvoering in Irak en Afghanistan. Ook wees hij er fijntjes op dat zijn mensen Congresleden hadden beveiligd in Irak. Maar voorzitter Waxman was niet onder de indruk. Hij rekende voor dat een sergeant de belastingbetaler jaarlijks tussen de 40.000 en 70.000 dollar kost, terwijl Blackwater 400.000 dollar per contractor in rekening brengt. Bovendien bleek tijdens de zitting dat Blackwater sinds 2005 schuldig was aan 195 ‘geweldsescalatie-incidenten’ (1,4 per week), waarbij in 160 gevallen Blackwater als eerste het vuur opende. ‘En u zegt dat uw mensen defensief werk doen?’ vroeg Waxman.

Tijdens de hoorzitting bleek de ware aard van het bedrijf. Een zevende van de werknemers in Irak bleek door Blackwater ontslagen wegens ernstige misdragingen. Eén zaak betrof een dronken Blackwater-beveiliger die op kerstavond een lijfwacht van de Iraakse vice-president doodschoot. De man werd ontslagen, maar niet dan nadat hij Irak was uitgeleid. Daarna werd hem niets ten laste gelegd. In 2004 stortte een Blackwater-vliegtuig neer in Afghanistan. Daarbij kwamen de drie Blackwater-medewerkers en drie Amerikaanse militairen om. Blackwater deed er alles aan om maar geen schadevergoeding aan de nabestaanden te hoeven betalen. Tijdens de hoorzitting werd bekend dat het vliegtuig laag door een ravijn had gevlogen. De laatste conversatie op de black box luidde: (co-piloot) ‘Je bent een X-wing fighter Star Wars-man’. (piloot) ‘I swear to God, ze zouden me niet betalen als ze wisten wat een fun dit was.’ De weduwe van een van de omgekomen militairen zat in de zaal.

Een andere zaak die door het comité uitvoerig werd behandeld, schokte destijds de wereld. Eind maart 2004 werden vier Blackwater-medewerkers in Fallujah overmeesterd door woedende Irakezen die hen uit hun jeeps sleurden en aan stukken scheurden. Hun verminkte lijken werden opgehangen aan een brug. De nabestaanden kregen van Blackwater nul op rekest toen ze wilden weten onder welke omstandigheden hun geliefden aan hun eind waren gekomen. Inmiddels is gebleken dat Blackwater hen onverantwoord de stad in stuurde. Ze hadden geen gepantserde wagens, hadden niet de juiste bewapening, waren met twee man te weinig en hadden nog nooit met elkaar getraind. Wat Blackwater in de media een ‘uiterst belangrijke missie’ noemde, bleek in werkelijkheid het transporteren van keukenapparatuur. Meteen na de moordpartij buitte Erik Prince de nieuwe naamsbekendheid van zijn firma flink uit en sloeg aan het lobbyen. Twee maanden later had hij een overheidscontract ter waarde van 300 miljoen dollar binnen en leidde Blackwater een sucesvolle lobby van de private militaire sector tegen pogingen de contractors onder het militair recht te brengen.

Fallujah toonde nog iets aan: de hardhandige handelwijze van pmf’s druist regelrecht in tegen het Amerikaanse belang. P.W. Singer wijst er keer op keer op. De oorlogen in Irak en Afghanistan zijn counter-insurgencies, die slechts gewonnen kunnen worden als de bevolking zonder enige twijfel ziet ‘dat de Amerikanen en hun bondgenoten meer geven om de noden, de belangen en rechten dan de opstandelingen’. Het Blackwater-bloedbad in Fallujah schopte de counter-insurgency planning van de Amerikaanse mariniers rond de stad in de war. Zij kregen nu de opdracht om de stad te aan te vallen. Het was afgelopen met het winnen van hearts and minds. Na twee offensieven was de stad zwaar gehavend en leeg. Meer dan duizend Irakezen (een lage schatting) werden gedood. Het was een keerpunt in de oorlog, die niet meer te winnen bleek. Zelfs niet zonder Blackwater.