Verslaafde kinderen

Een paar maanden geleden verscheen op de kunstpagina van NRC Handelsblad een berichtje: ‘Britse prijs voor kinderboek Junk’. Het is ongebruikelijk dat de Nederlandse dagbladpers belang hecht aan buitenlandse kinderboekenprijzen. Waarschijnlijk lag de nieuwswaarde dan ook niet in de Carnegie Medal zelf, maar in het onderwerp van het bekroonde boek: drugsverslaving. Jongerenromans gaan immers over seks in velerlei vorm, over abortus, zelfdoding, incest en mishandeling, maar drugs? Sinds jaar en dag moeten kinderen, die nog niet aan het genre Trainspotting toe zijn, het doen met het verhaal van de Duitse Christiane F. of met Het onkruid en de bloem, het dagboek van een jonge Amerikaanse verslaafde. Het lijkt er waarachtig op dat we nog een taboe over hebben.

Het boek van Melvin Burgess doorbreekt dat taboe overtuigend. Junkies, luidt de Nederlandse titel. Mocht de lezer nog niet doorhebben wat hem te wachten staat, dan helpt de omslagtekening hem wel op weg: een scharminkelig, aan alle kanten groen uitgeslagen meisje bindt haar bovenarm af en staart leeg de wereld in. Haar verhaal kan niet anders dan hartverscheurend zijn.
Gemma is veertien jaar, egocentrisch, geëxalteerd en altijd op zoek naar iets of iemand tegen de verveling. Haar ouders zijn onhandige opvoeders, die hun tanende autoriteit tot grote hoogten opblazen. Gemma’s vriendje Teer heeft een moeder die drinkt en hem emotioneel in de tang houdt, plus een vader die drinkt en hem mishandelt. Teer loopt weg, van buiten en van binnen gekneusd. Gemma gaat hem achterna, min of meer voor de kick. Volgt hun weg via de neerwaartse spiraal: het zwerversleven, het krakersmilieu, de drugsscene, de kleine misdaad, de prostitutie, de zwangerschap, de contacten met justitie, de mislukte afkickpogingen en de dood door overdosis van een vriend.
Onverbiddelijk voert de auteur zijn lezers langs de hoogte- en dieptepunten van het junkiebestaan. Hij doet dat met de gedrevenheid van iemand die precies lijkt te weten waar hij over praat en wiens uiteindelijke bedoeling het is om te waarschuwen: van de verwoestende relatie met heroïne kom je nooit meer los. Moralistisch is Burgess niet. Door het vertelperspectief voortdurend bij andere verhaalfiguren te leggen, belicht hij de problematiek van alle mogelijke kanten, en zo objectief mogelijk. Je kijkt door de ogen van een anarchistische idealist uit de kraakbeweging, van een mopperige, rechtse sigarenboer met een groot hart of van de voornamelijk met hun eigen sores begane ouders. Het accent ligt op de gedachten en gevoelens van de jonge gebruikers, die een scherp oog hebben voor de puinhoop die de volwassenen van hun leven maken, alsook voor hun onwrikbare oordelen over drugs. Tegelijkertijd beschikken deze kinderen over een onthutsend vermogen om zichzelf een rad voor ogen te draaien over de mate waarin ze hun leven in eigen hand hebben.
De gehanteerde vorm schept afstand. De auteur zet in met een veelbelovend portret van zijn hoofdpersonen, maar raakt allengs van hen verwijderd, omdat hij zichzelf de opdracht gesteld heeft het zo gedifferentieerd mogelijk geanalyseerde probleem zo precies mogelijk op schrift te krijgen. Literair gezien is dat niet sterk, maar soms is het belang van de werkelijkheid misschien groter dan dat van de literatuur.