Europese Literatuurprijs

Versleten bourgeoisie

Het begint met een wereld die verloren is. Om preciezer te zijn: met een villa in een chique buurt in Londen, waar mevrouw Wray en haar ongetrouwde dochter Frances in wonen.

Het is 1922 en het comfortabele huis staat half leeg – bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog is meneer Wray overleden en de twee zonen hebben hun leven gelaten op de slagvelden. Comfortabel is het huis trouwens ook niet meer; nu er geen geld is om personeel te houden is het leven een permanent gevecht tegen vuil, stof en het verval. En dat gevecht moet geleverd worden door Frances, die alle dromen van een eigen leven ziet verkruimelen tot de sisyfusarbeid met dweil, bezem en stofdoek.

Het eerste deel van De huisgenoten, de zesde roman van de Britse schrijfster Sarah Waters, is magistraal. Met haast sadistische precisie beschrijft ze hoeveel inspanning het huishouden een kleine honderd jaar geleden vergde, en hoeveel groter die inspanning nog is als er iets moet worden verbloemd. Het huis is de metafoor voor een maatschappij die in verandering is. De schone schijn wordt nog opgehouden, slijtage is weggemoffeld of eigenhandig gerepareerd, als je goed kijkt zie je de lege plekken van de staande klok en andere kostbaarheden die vanwege geldgebrek zijn verkocht, de glimmend gepoetste gong is in geen jaren geluid. Het staat allemaal voor een oude wereld – met een geruststellende scheiding tussen de klassen, met een nauw omschreven rol voor vrouwen – die niet meer te handhaven is.

Een nieuwe wereld kondigt zich aan, een van sociale mobiliteit en vrouwenbevrijding en dat krijgt in de roman de vorm van de huurders die hun intrek nemen in de villa. In de term ‘paying guests’, de Engelse titel van de roman, is het ongemak mooi vervat. Huurders, dat klinkt te onomwonden voor het ‘keeping up appearances’ van de Wray’s, die alles doen om hun stand op te houden. Maar om echte gasten gaat het ook niet, want ze vertrekken niet.

Het echtpaar Barber is working class. Hij heeft een nette betrekking op een verzekeringskantoor, maar straalt een zekere grove brutaliteit uit. En zij heeft, hoe verzorgd ze ook is, iets zwoels en misschien wel ordinairs, met de rouge op haar wangen en de kimono die ze binnenshuis draagt. Maar onmiskenbaar biedt haar leven als getrouwde vrouw haar vrijheid. Het contrast met de nerveuze ‘spinster’ Frances kan niet groter zijn. In de oorlog heeft zij nog meegedaan aan acties van de suffragettes, leek het even of ze zich zou bevrijden, maar nu is duidelijk dat ze geen echtgenoot aan de haak zal slaan. Ze zit, in haar onmodieuze kleren en met de sloverige zorg voor het huis en haar moeder, gevangen in een vooroorlogs bourgeoisbestaan. Grappig is dat je pas na pagina’s lezen door hebt dat de verdorde Frances niet tegen de veertig loopt, maar ergens begin twintig is.

Medium waters
Frances ziet alle dromen van een eigen leven verkruimelen tot de sisyfusarbeid met dweil, bezem en stofdoek

De huisgenoten begint kortom als een ‘domestic novel’, zoals Elizabeth Bowen die schreef. Waters bewees in haar eerdere romans al dat ze een meester is in het oproepen van een historische periode en het portretteren van vrouwen die zich uit hun beknelde rol wurmen. Zoals het huis niet meer hetzelfde is door de intrek van de huurders – het gerommel dat klinkt vanuit hun kamers, het kraken van de trap, de onhandige ontmoetingen op de gang – zo verandert ook het leven van Frances.

Waters beschrijft heel mooi de delicate spanning die ontstaat tussen Frances en Lilian Barber, de voorzichtige uitjes die ze samen maken, hoe Lilian het haar van Francis in een eigentijdse coupe knipt, hoe ze samen met meneer Barber een dronken avond doorbrengen en opwindende spelletjes spelen.

En dan verandert de roman, slaat het subtiele realisme om in melodrama. Er ontstaat een hartstochtelijke liefdesrelatie tussen Frances en Lilian Barber, waarbij de erotiek zinderend beschreven wordt. Frances leeft op, ze voelt opeens dat ze een huid heeft, ze wordt zelfs mooi. Waters deed dat eerder, de lesbische liefde vrijmoedig en onproblematisch beschrijven in een historische setting, maar in De huisgenoten heeft dat seksuele perspectief ook iets ongeloofwaardigs, alsof je opeens in zo’n kostuumdrama belandt waar de Britten dol op zijn. Als er dan ook nog een moord plaatsvindt en de roman in een thriller verandert, is het alsof je een ander boek leest.

Niet dat De huisgenoten geen ‘good read’ is – Waters bedacht een vernuftige plot, de thriller gaat over in een rechtbankdrama, het is verschrikkelijk spannend, de spanning gaat gepaard met de nodige morele kwesties, je wordt voortgestuwd naar de ontknoping, maar je vraagt je af wat voor roman het was geweest als er minder was gekozen voor amusement. Als Sarah Waters erop had vertrouwd dat het subtiele portret van de twee vrouwen en de geladenheid tussen hen, die de geladenheid van een veranderend tijperk weerspiegelt, voldoende stof was geweest voor een groots boek.

Sarah Waters, De huisgenoten, Vertaling Nico Groen, Sjaak de Jong en Marijke Versluys, Nijgh Van Ditmar, 557 blz., € 22,50

Beeld: (1) Wat als er minder was gekozen voor amusement? (Charlie Hopkinson)