Versnipperde geschiedenis

Tegen alle voorschriften en beloften in blijkt het archief van de Nederlandse CIA, de IDB, grotendeels door de papierversnipperaar te zijn gehaald. Eerder gebeurde hetzelfde met het BVD-archief. Wat mogen wij toch absoluut niet weten?
DE MODERNE geschiedenis van het Koninkrijk der Nederlanden kent een schaduwzijde waarover maar zeer mondjesmaat wordt gerapporteerd. Het is de geschiedenis van geheime diensten, old boys networks, spionage, ondergrondse politieke verbanden en intriges, te zamen het mysterie vormend dat als het uiterst gevoelige centrale zenuwstelsel van deze geheimzinnige natie kan worden beschouwd. Het is een beerput die in schrille tegenstelling staat met het imago van een verlichte democratie zoals dat intern en extern nog altijd van Nederland wordt gekoesterd.

Er zijn tal van onderwerpen waar historici en journalisten ten onzent systematisch op stuklopen, van de ware machinaties achter het troebele Englandspiel in de Tweede Wereldoorlog (recente publikaties daarover leidden onmiddellijk tot doodsbedreigingen aan het adres van de auteur, die wijselijk van beroep veranderde), de daaraan verwante King Kong-affaire, de activiteiten van Nederlandse spionnen in post-koloniaal Indonesie, tot de coup-achtige scenario’s die werden uitgedokterd onder de vlag van de pan-Europese militaire ondergrondse Gladio. Wie zich over dergelijke zaken buigt, waagt zich op glad ijs en riskeert isolement en beschuldigingen van een paranoide inslag. Het resultaat is dat het Nederlandse publiek af en toe met verhalen wordt geconfronteerd die zo spectaculair ogen dat het er eenvoudigweg geen raad mee weet.
Zo verging het bijvoorbeeld Joseph Luns, die enkele jaren geleden tegenover zijn biograaf J. G. Kikkert op de proppen kwam met het relaas over enkele Nederlandse kolonels die in een grijs verleden hadden geprobeerd hem warm te maken voor een regelrechte staatsgreep om de natie te verlossen van het rooms-rode kabinet-Cals. Luns’ anekdote maakte een ware estafette los van bekentenissen over soortgelijke intitiatieven in andere perioden, onder meer bij PvdA'er Bram Stemerdink. Daar er echter geen enkele ‘historische bedding’ voorhanden was voor dit soort anekdoten, overheerste al snel een sfeer van lacherigheid. De confessie van Luns werd naar het rijk der dementerende fabels verwezen en er werd nimmer meer iets van vernomen.
DEZELFDE LACHERIGHEID wordt aan de dag gelegd tegenover de activiteiten van het Nederlandse spionagewezen, zowel in binnen- als buitenland. Alleen al het uitspreken van de naam van onze 'klompengestapo’ BVD wekt bij veel mensen associaties met knullige persiflages op het spionnenwerk. Terwijl de gemiddelde Nederlander met een bevredigd rechtvaardigheidsgevoel toekijkt hoe de archieven van de Oostduitse Stasi worden opengebroken en de kwelduivels van weleer aan de schandpaal gaan wordt het belang van onze eigen Stasi doorgaans als te verwaarlozen beschouwd.
Ten aanzien van de vorig jaar na een reeks schandalen opgeheven Inlichtingendienst Buitenland (IDB) is het dedain zo mogelijk nog groter. Nu bieden de bekende wapenfeiten van die dienst, opererend vanuit villa Maarheze te Wassenaar, inderdaad aanleiding tot leedvermaak. IDB-chef K. M. Meulmeester bleek vooral geneigd zijn eigen personeel af te luisteren, terwijl hij in ongenade gevallen medewerkers placht te verbannen naar oorden als Bagdad en Teheran, waar zij als undercover-spion een wisse dood tegemoet zouden treden; zij weigerden wijselijk en werden op non-actief gesteld. Dit soort anekdoten versterkte het beeld van het Nederlandse spionagewezen als een verzamelhok van geflipte zielen, van wie geen enkel reeel gevaar was te duchten.
De vraag is of dat tot hilariteit stemmende imago niet kunstmatig in stand wordt gehouden, zo stelt onderzoeker Frans Kluiters, auteur van het in 1993 verschenen wetenschappelijke standaardwerk De Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Kluiters brengt de bijna totale lacune aan kennis over het Nederlandse geheime-dienstwezen juist in verband met een opzettelijk gewekte schijn van amateuristische werkwijzen. 'Daardoor werd bij een deel van de Nederlandse bevolking eenzelfde neerbuigende welwillendheid bereikt die, eveneens ten onrechte, ook de padvinderij ten deel viel’, aldus Kluiters in zijn boek, waarop eind deze maand een vervolg verschijnt. 'Die associatie speelde de diensten in de kaart. Hierbij moet echter niet uit het oog worden verloren dat sommige acties van de diensten wettelijke grenzen overschreden hebben en zullen blijven overschrijden, zodat die acties te allen tijde zoveel mogelijk gecamoufleerd zullen worden.’
DAT IS DAN OOK precies wat er gebeurde toen Ruud Lubbers in 1992 besloot de IDB op te doeken. Niet de werkwijze van de dienst was aanleiding tot die ontbinding in allerijl, maar het feit dat de dienst in de publiciteit was gekomen en daardoor vleugellam was geraakt. De IDB is de opvolger van de Buitenlandse Inlichtingendienst (BID), die direct na de oorlog werd opgericht. De belangrijkste taak van de BID was om inlichtingen 'in te winnen, te verzamelen en te bevoegder plaatse door te geven’. Het ging hier met name om inlichtingen uit het buitenland. Aanvankelijk was het de bedoeling dat de IDB twintig eigen posten in het buitenland zou opzetten. Dat werden er uiteindelijk maar zes. Naast de eigen IDB-posten verliep het inlichtingenwerk via ambassades en consulaten en via 'eigen contacten’ met burgers die vaak naar het buitenland gingen: zakenlieden, journalisten en wetenschappers. Buitenlandse vestigingen van grote Nederlandse bedrijven werden op die manier bijkantoren van het spionagenetwerk. Zo wordt het feit dat de KLM in de Verenigde Staten zo royaal werd bedolven onder exclusieve landingsrechten in de wereld van spionage-insiders nogal eens in verband gebracht met de royale medewerking van dat bedrijf aan IDB-activiteiten. De IDB beschikte vanzelfsprekend niet alleen over goede contacten met andere Nederlandse organisaties als de Militaire Inlichtingendienst (MID), ook de banden met buitenlandse zusterdiensten als de CIA waren innig te noemen.
Het werk via buitenlandse posten hield natuurlijk gevaren in. Al in 1949 hield de ministerraad zich bezig met de vraag of men het gevaar om gecompromitteerd te worden wel kon lopen of dat men de agenten van de BID hun diplomatieke status maar beter kon onthouden. Uiteindelijk kwam het zover niet. Het overheidspersoneel op buitenlandse vestigingen bleef vallen onder de begroting van Buitenlandse Zaken, maar wel konden bepaalde ambtenaren van de premier opdracht krijgen om zich met inlichtingenwerk bezig te houden. Hoewel de BID overal inlichtingen vergaarde, werden vanaf 1950 extra middelen gegeven voor informatie uit Zuidoost-Azie en Indonesie.
Zaken die met inlichtingendiensten te maken hebben komen maar zelden in de Tweede Kamer ter sprake. Het parlement gaat er meestal gemakshalve van uit dat deze diensten gewoon goed en degelijk hun werk doen. De vaste kamercommissie van Veiligheids- en Inlichtingendiensten toonde zich in 1969 dan ook verbaasd dat de BID zou worden opgeheven. Formeel was de reden dat de dienst niet goed functioneerde. Feitelijk speelde er achter de schermen een heftige competentiekwestie tussen het hoofd van de BID en de premier. In 1970 werd de dienst in gereorganiseerde vorm ondergebracht bij het ministerie van Defensie. Ook dit beviel echter niet en in 1972 werd de BID weer heropgericht en kwam ze opnieuw onder de premier. De naam werd veranderd in IDB. Maar de problemen bleven.
Binnen de IDB rees onenigheid tussen de Directie Verwerving en de Directie Verwerking. Verwerving bestond bijna uitsluitend uit militair personeel, terwijl Verwerking ook burgerpersoneel in dienst had. Verwerking ging uit van de parlementair-democratische spelregels en van de wensen van de ministeries. Verwerving was meer voor het lange-termijnbeleid en reserveerde forse speelruimte voor zichzelf. In 1982 kwam dit conflict naar buiten, zoals de traditie wilde onder de noemer 'personele problemen’. Marine-kapitein b.d. R. E. Kloppenburg werd aangesteld als plaatsvervangend hoofd van de afdeling Verwerving, terwijl het IDB-personeel zelf de voorkeur gaf aan ir. W. de Vries, hoofd van het technisch-wetenschappelijk bureau van de dienst. Deze De Vries stond in hoog aanzien bij de CIA en bij de Duitse inlichtingendienst BND, maar werd als lastig beoordeeld door zijn superieuren omdat hij met hen van mening durfde verschillen. De problemen bij de IDB waren echter pas opgelost toen alle vroegere medewerkers van het directoraat Verwerking waren overgeplaatst.
Na dit conflict steunde de IDB nog meer dan voorheen op de Militaire Inlichtingendienst, met name door gebruik te maken van de faciliteiten van de grootste afluistercentrale van Nederland, het Centrum voor de Verwerking van Technische Informatie, gevestigd op het marineterrein te Amsterdam.
IN 1990 WERD Europa opgeschrikt door het bekendworden van het bestaan van de geheime organisatie Gladio. Bij het ineenstorten van de door corruptie geteisterde Italiaanse staat stuitte men op deze groep, die na de oorlog in het leven was geroepen als toekomstige verzetsgroep bij een eventuele aanval van de Russen op Europa. In alle Westeuropese landen waren Gladio-groepen opgericht. Toen de Russen niet kwamen, verzelfstandigden deze groepen zich. Omdat de leden waren gerecruteerd in kringen van communistenvreters was het niet vreemd dat hun sympathie vooral bij extreem-rechts lag. In Italie bleek Gladio verantwoordelijk voor veel gewelddadige aanslagen. Zelfs de moord op de christen-democraat Aldo Moro werd met de ondergrondse in verband gebracht. In Belgie waren sterke aanwijzigingen voor de betrokkenheid van Gladio bij de Bende van Nijvel. In Spanje hadden Gladio-leden een aanslag gepleegd op onze eigen prinses Irene en haar toenmalige man Carlos Hugo van Bourbon-Parma. In Nederland zelf tenslotte kwam het bestaan van grote wapenopslagplaatsen van Gladio aan het licht, plus het feit dat hieruit grote hoeveelheden wapens waren verdwenen. En waar bleek het adres van de Nederlandse Gladio te zijn? Juist, in Huize Maarheeze in Wassenaar.
Natuurlijk werd ontkend dat de IDB verantwoordelijk was voor deze geheime organisatie. Pikant is dat de huidige minister van Buitenlandse Zaken, Van Mierlo, het voortbestaan van Gladio bepleitte. Maar natuurlijk wist hij ook al geruime tijd voor het uitbreken van deze rel van het bestaan van Gladio, omdat hij al eerder minister van Defensie was geweest. Ook de huidige minister van Binnenlandse Zaken Hans Dijkstal speelde een rol in het Gladio-debat van 1990. Als woordvoerder van de VVD-fractie steunde Dijkstal de regering en nodigde hij de premier uit om vertrouwelijk in de vaste kamercommissie meer informatie te geven. Het parlement zelf hoefde van hem niet de juiste feiten te kennen.
Kort na de opschudding over het illegale Gladio-netwerk besloot de minister-president in 1992 de IDB te liquideren. In de praktijk hield de opheffing in dat de diverse taken werden overgeheveld naar de inlichtingendiensten van Justitie (CRI), Defensie (MID) en Binnenlandse Zaken (BVD).
Nadat het bericht van de opheffing van de IDB bekend werd, lieten 21 personen weten inzage te willen hebben in de archieven van de IDB. Daarnaast was er ook wetenschappelijke belangstelling voor de dossiers, met name bij historicus Bob de Graaff en de politicoloog Cees Wiebes. Beide onderzoekers staan doorgaans op goede voet met de Nederlandse inlichtingendiensten. Ze zijn bestuursleden van het Netherlands Intelligence Studies Association (Nisa), waarin ook mensen zitting hebben van de BVD, de MID en de ex-IDB. De Graaff en Wiebes waren al geruime tijd bezig met een onderzoek naar de arrestatie van de IDB- agenten Jager en Reijdon, twee werknemers van de Nederlandse koopvaardij die in 1961 in de Sovjetunie tegen de lamp liepen. Ondanks eerdere toezeggingen dat ze toegang zouden krijgen tot de relevante stukken en ondanks het feit dat De Graaff en Wiebes om tempo in de zaak te krijgen naar de rechter waren gestapt, bleek het IDB-dossier over die zaak vernietigd. Twee weken geleden bleek dat het meest vitale gedeelte van het IDB-archief al voor 1992 door de papiermolen was gehaald. Dit hoewel Lubbers in januari 1994 nog verzekerde dat de IDB-archieven minimaal tien jaar onaangeroerd zouden blijven. Men zou zich overigens kunnen afvragen of premier Kok, die van de vernietiging melding maakte, al eerder op de hoogte was, of dat hij door de feiten is overvallen.
ANDERE LANDEN gaan veel fatstoenlijker met hun geheime-dienstarchieven om. Zo worden archiefstukken in de Verenigde Staten na een bepaald aantal jaren toegankelijk voor journalisten en onderzoekers. En als de termijn van geheimhouding wordt verlengd, zoals met een deel van het archief over de moord op Kennedy het geval was, dan nog worden die archieven in ieder geval niet vernietigd.
Nu kent Nederland een uitstekende archiefwet, in 1962 juist in werking gezet om regenteske verdwijnoperaties te voorkomen. Met uitgebreide privacy-bescherming, en met artikelen om zaken die de staatsveiligheid in gevaar brengen nog niet openbaar te maken. Als echter van een geheime- dienstarchief ook maar een snipper wordt vernietigd zonder dat onafhankelijke historici of archivarissen zich daarover hebben gebogen, dan laadt men de verdenking op zich cruciale feiten voor het nageslacht te willen verbergen.