IJsweg

Verspilling Gillian Slovo

IJsweg

Uit het Engels (Ice Road, 2004) vertaald door Kathleen Rutten

De Geus, 511 blz., € 12,50

Een vrouw wordt in een bezemkast aangetroffen door een man, die haar ter plekke aanwerft als stewardess op een wetenschappelijk expeditieschip naar de noordpoolcirkel. Sinds haar dertiende is deze Irina schoonmaakster in het Smolny-instituut, het hoofdkwartier van de Communistische Partij. Boris is een bons, een gewezen revolutionair die anno 1934 vooral aan zijn carrière moet denken, en graag in levens ingrijpt. Zie de eenvoudige Irina. Het schip komt in het ijs vast te zitten; de geredden wacht een helden onthaal in Leningrad. De dag erna verlaat Irina haar primitieve echtgenoot. Zij is veranderd, maar blijft toeschouwer: van de moord (1 december 1934) op Kirov, de burgemeester van Leningrad en mogelijke concurrent van Stalin. Als een duvel uit een doosje duikt Kirovs aanstaande moordenaar op, voor malig koelakkenverdelger, nu een lichamelijk en geestelijk wrak. Van binnenuit beleven we ook de dochter van Boris, wier jonge echtgenoot, een modelarbeider, geslachtofferd wordt als waarschuwing aan het adres van zijn schoonvader. Vanaf dat tijdstip wordt half Rusland van de moord op Kirov verdacht, het begin van de Grote Zuivering. En Irina ziet hoe in het Smolny-instituut iedereen elkaar beloert en belaagt. Dit zijn grofweg de gegevens waarmee de roman na zo’n zestig pagina’s kan beginnen: een roman over een even onverkwikkelijke als ingewikkelde periode van na de Russische Revolutie. Dat belooft wat.

Het meest verrassend aan de roman is dat hij geschreven is door de dochter van Joe Slovo en Ruth First, het blanke echtpaar dat tegen apartheid streed en in 1964 naar Engeland is uitgeweken (in 1982 werd Ruth First door een bombrief gedood). Gillian Slovo (Zuid-Afrika, 1952) schreef eerder vooral misdaadromans. Misschien zit er in IJsweg een sleutel verborgen; die is dan óf goed verborgen of ligt er dik bovenop. Met de hierboven vermelde gegevens kan een lezer zijn eigen verhaal bedenken. Dat levert al gauw meer op dan de 450 pagina’s invuloefeningen die nu volgen. Slovo’s verhalen draaien voornamelijk om enkele vrouwen, die wel erg veel op elkaar lijken. Ook de politiek bestaat uit sjablonen, de vrucht van vlijtig uitgetrokken geschiedenisboeken. Bijvoorbeeld de hongersnood in het jarenlang door de Duitsers belegerde Leningrad. Slovo noemt als bron Lidia Ginzburg, maar die maakte met haar boekje Omsingeld voelbaar wat in de roman alleen maar schematisch wordt vermeld. Het had gekund, de geschiedenis op een verrassende manier navertellen: het stalinisme in de keuken en de slaapkamer, maar nee, dit is verspild materiaal, verspilde moeite.