Versplinterd

In memoriam Harold Brodkey (1930-1996)
BEGIN 1993 publiceerde Harold Brodkey een nuchter geformuleerd ‘ziektebericht’ in The New Yorker. Hij schreef over de besmetting die hij had opgelopen tijdens zijn homoseksuele avonturen in de jaren zeventig. Een jaar later stond er een vervolg in zijn lijfblad onder de boekhoudkundige titel ‘Dying: An Update’. Op 26 januari is Brodkey aan de gevolgen van aids overleden.

Hoe kan ik Brodkeys meesterwerken, zijn Stories in an Almost Classical Mode (1988) en zijn ‘Great American Novel’ The Runaway Soul (1991) het beste omschrijven? Via een omweg.
Als een Amerikaanse schrijver het detail grenzeloos heeft uitvergroot, dan was dat Brodkey. In 'The Abundant Dreamer’, het openingsverhaal van Stories in an Almost Classical Mode, heten details 'bevelen van het geweten’.
Brodkey vond dat de wereld er beroerd voor stond, maar hij achtte idealen iets voor prentbriefkaarten. Wat kon de literatuur doen? De taal zodanig omvormen dat verwerpelijk gedrag onwaarachtig wordt? Het was een aarzelende auteurshouding, die hij opnieuw formuleerde in het voorwoord van Profane Friendship. Zijn alter ego Wiley Silenowicz, de joodse wees en arrogante wonderknaap in zijn hoofdwerk, lijkt die opvatting te delen: 'ik stelde belang in de problemen van mededogen en oordeel en moreel gedrag in actuele omstandigheden. En van het bestaan van goed en kwaad - in ons, in mij…, misschien in iedereen.’ (The Runaway Soul)
Via Silenowicz’ geschreven leven kan ik Brodkeys verhalen het beste duiden: berekenend gedrag, als van een boekhouder die nauwgezet de credit- en debetposten van eigen en andermans gedrag noteert; de martelingen van jaloezie, bedrog en cynisme uit teleurstelling; het onvermogen om deugdzaam te zijn; het veroveren van een pijnlijke eerlijkheid in een taal die elk facet van een duizelingwekkend moment supreme uit iemands leven licht. Eerlijkheid is het kunnen erkennen dat oefening in geestelijke zindelijkheid essentieel is bij de karaktervorming. 'Maar wat zin tot onzin maakt, zijn taal en gewoonte.’ (Stories in an Almost Classical Mode)
Tot vervelens toe is Brodkey de Proust van Manhattan genoemd. Die vergelijking gaat voorbij aan een essentieel verschil tussen beide onderzoekers van het particuliere verleden. Brodkey moet veel meer doen dan een madeleine in zijn koffie dopen om 'de glazen museumvitrine van het geheugen’ te activeren. De herinnering is als een kamer vol stemmen waar je met veel inspanning iets opvangt. Een ogenschijnlijke herinnering is allereerst een specifiek vormgegeven taaluiting. In 1991 zei hij in een interview: 'Voor mij is het gewone geheugen gevaarlijk. Ik heb het gevoel dat, als ik te diep in het geheugen doordring, ik versplinter.’ Het zijn woorden die doen denken aan de kernzinnen van The Runaway Soul, het verhaal waarin Wiley Silenowicz zich veertig pagina’s lang inspant om zijn vriendin haar eerste orgasme te bezorgen, een poging vol bedrog: 'Wie beweert dat hij schrijft met in alle rust opnieuw herinnerde emoties, is een dwaas en een leugenaar. Begrijpen is sidderen. Zich herinneren is weer teruggaan en versplinterd raken.’
Als peuter verloor Brodkey zijn moeder, waarna hij twee jaar lang letterlijk met stomheid geslagen was. Die traumatische ervaring bleek zijn literaire oerscene te zijn, die twee meesterwerken heeft opgeleverd.