Versteend falen

Een gebouw dat tegenvalt, een architect die zichzelf ombrengt. Is er een verband tussen een en ander? Charlotte Van den Broeck dook in waargebeurde bouwtragedies en schreef er een rugloze bundel over.

Charlotte Van den Broeck schrijft over ijdelheid en gezichtsverlies © Koos Broos

Iemand had me het boek Waagstukken van Charlotte Van den Broeck cadeau willen geven voor mijn verjaardag, en had online een exemplaar besteld. Bij aankomst bleek de rug van het omslag te ontbreken: je zag de katernen zitten, slordig gebonden met verschillende kleuren draad. Geconfronteerd met deze onvolkomenheid zond mijn gever het boek retour voor een ongeschonden exemplaar. Het nieuwe exemplaar dat bij hem bezorgd werd had eveneens een open rug – en pas toen werd het duidelijk.

Dit grafische gebaar is betekenisvol: de onvolkomenheid van het object legt het innerlijk bloot, toont de rafels van het draad dat de verhalen bijeenbindt, geeft een glimp van de compositie en de veelkleurigheid van de inhoud. Het wil niet verhullen maar tonen, niet afsluiten maar openen. Het gebrek maakt het verhaal. Is tragiek literair gezien niet interessanter dan succes?

In Waagstukken onderzoekt Van den Broeck architecten en gebouwen die tot elkaar veroordeeld leken te zijn, architecten die via hun gebouwen tot een wanhoopsdaad kwamen – zij maakten, althans in mythes die de ronde doen, een einde aan hun leven. De gebouwen, die als vermeende aanleiding voor het tragisch einde van hun scheppers de protagonisten zijn van de bundel, verschillen in vele opzichten van elkaar. Hun bouwjaar loopt uiteen van 1611 (een kerk met gedraaide torenspits in Noord-Frankrijk) tot 2011 (een zwembad in Turnhout), van beroemde publieke gebouwen (de Weense Opera) tot nauwelijks bekende woningen (Villa Ebe in Napels), van bekende historische architecten (Borromini) tot architecten van wie zelfs de naam niet in de archieven te vinden is.

Bij het verhaal over het architectenduo Eduard van der Nüll en August Sicard von Sicardsburg, verantwoordelijk voor het ontwerp van de prestigieuze staatsopera in Wenen, worden de twee architecten neergezet als tegenpolen, tot elkaar veroordeeld door hun talent en een gezamenlijke studiereis – het begin van een samenwerking die culmineert in het ontwerp voor de opera, en die tragisch eindigt in de dood van beiden, vlak na elkaar, een klein jaar voor de officiële opening van het gebouw. In dit verhaal blijkt het tragische niet te zitten in de onvolkomenheid van het ontwerp, maar in de negatieve ontvangst van het project in de publieke opinie. Het is deze hekelcampagne, gebaseerd op afgunst en onbegrip, die de architecten nog tijdens het bouwproces naar de afgrond drijft.

Is architectuur een streven naar volmaaktheid door manische personages?

Bij dit verhaal lijkt er daadwerkelijk een verband te bestaan tussen het gebouw en het tragisch einde van zijn makers, maar niet alle dertien verhalen geven een even sluitend bewijs voor zo’n causaal verband. Lang niet altijd bleek het ontwerp, of het bouwproces, de enige oorzaak van een tragisch einde. En lang niet altijd is te verifiëren of er werkelijk sprake is geweest van zelfmoord. In enkele gevallen zijn de lokale mythes eenvoudig te ontkrachten, zoals bij de gedraaide torenspits van waaraf de architect zich ter aarde gestort zou hebben, of bij het Schotse verdedigingsfort waarvan de bouwheer zich, bij het zien van zijn creatie vanaf het water, in de oceaan zou hebben verdronken.

Gaandeweg blijft van de hypothese dat de gebouwen de bron van de zelfmoord van hun ontwerpers zouden zijn weinig over. Wat blijft is de fascinatie voor het moment waarop een creatief proces kan omslaan, een keerpunt waarna de werkelijkheid zich gaat vervormen, naar een labyrint, een knoop, een doodlopende weg, een oceaan, een leegte.

Waagstukken draait om ambitie en het gevaar daarin te falen, om ijdelheid en gezichtsverlies, om de wil tot grootsheid te komen en de genadeloze werkelijkheid die deze wil in de weg staat. Is architectuur een streven naar volmaaktheid, door manische personages die in al hun ambities tegelijkertijd geplaagd worden door onzekerheid en vertwijfeling? Als een gebouw gebrekkig blijkt en faalt, betekent dat dan een persoonlijk falen van de architect voor het oog van de wereld? De architect als tragisch figuur, gedreven door genialiteit en eerzucht, gekweld door twijfel, depressie of door onbegrip van de buitenwereld – het lijkt een wat theatraal uitgangspunt voor dit werk, dat het midden houdt tussen een verhalenbundel, een documentair onderzoek en een psychologische (zelf)reflectie, waarin ik-persoon Charlotte haar eigen activiteiten en reflecties verweeft met haar onderzoek.

De persoonlijke details in de bundel zorgen tegelijkertijd voor lucht en verbazing. Lucht omdat het anekdotische verslag van sommige bezoeken ronduit geestig is; verbazing om het gemak waarmee gewisseld wordt tussen tijden en plekken en tussen de verteller en het onderwerp. Een anekdote van de verteller als puber op reis in Rome kan zo op dezelfde lijn geplaatst worden als een vete tussen Borromini en zijn rivaal begin zeventiende eeuw, terwijl de beschrijving van een diner met vrienden op Malta de opmaat blijkt voor een verhaal over een prestigieus banket dat van invloed zou zijn geweest op de levensloop van de Italiaanse architect die de Nationale Bibliotheek op Malta bouwde. Narratieve non-fictie, noemt de auteur het zelf, wanneer ze schrijver John McPhee raadpleegt als ze zich afvraagt hoe ze zelf als verteller minder in de weg kan lopen van haar onderwerp. Het is een van de momenten van zelfspot in dit boek.

De open rug van het boek toont veel, maar het laat ook weg. Het laat de tekst weg, de namen, het laat een leegte. De Waagstukken zijn de ontwerpen, waarvoor de architecten hun leven in de waagschaal stellen, maar ook de verhalenbundel zelf is een serie waagstukken. Voor een onderzoeker gaat het er niet om een hypothese te bewijzen, maar om deze te testen. Het waagstuk van dit boek is dat: elk experiment kan falen, ook in dit boek, als het verband tussen een gebouw en een zelfmoord niet blijkt te bestaan of wanneer, zoals bij het andere in Wenen gesitueerde verhaal over een kazerne, zowel architect als gebouw niet bijster interessant is. Toch, of misschien juist daarom, blijft het boek overeind staan. Niet elk verhaal is even theatraal en groots als zijn verwachting, en vaak zijn het de anekdotes of de terloopse reflecties die blijven nazingen in het hoofd van de lezer. Uiteindelijk zijn de gebouwen dan schakels in een ander verhaal, over een zoektocht die voorlopig nog niet is afgelopen en waarvan we meer mogen verwachten.