Versteende tijd

In Papoea-Nieuw-Guinea schuiven tientallen millennia over elkaar heen. Max Arian maakte een tocht van tienduizend jaar en hoorde het levensverhaal van de Grote Onbekende.

Beurtelings zijn Groene-redacteuren een aantal weken de gast van een Oegandees dagblad, een Kazachse krant of een Vietnamees weekblad. Vanaf de Redactie Binnenland berichten ze over het dagelijks leven ter plekke. Deze week de tweede aflevering rondom het weekblad The Independent in Papoea-Nieuw-Guinea.
KOWENGIL, Papoea-Nieuw-Guinea - Het is hier een beetje uitgesleten als iemand zegt dat hij nog in het stenen tijdperk is geboren en dat hij in zijn leven meer dan tienduizend jaar geschiedenis heeft overbrugd. Een half miljoen mensen die in de dalen van de Highlands wonen werden pas in de jaren dertig door westerse goudzoekers en missionarissen ontdekt. Nog tot in de jaren zestig werden nieuwe stammen gevonden, en men beweert dat er zelfs nu nog in het grensgebied tussen drie provincies een onbekend volk woont, dat in de bomen leeft uit angst voor de krokodillen en dat nog geen enkel contact heeft gehad met de westerse beschaving.
Joe Kanekane is 31 jaar en mijn collega bij het weekblad The Independent. Hij is daar politiek redacteur en hoofd van de nieuwsdienst. Hij weet alles van de Papoea-Nieuw-Guinese politiek, hij kent iedereen in de hoofdstad Port Moresby en hij is thuis in alle moderne technieken van communiceren. Vier à vijf keer per jaar neemt hij echter het vliegtuig naar het stenen tijdperk. Dan gaat hij terug naar het dorpje van zijn vader en neemt daar deel aan beraadslagingen over bruidsprijzen of compensatieregelingen voor moorden en verkrachtingen. Hij organiseert een zo indrukwekkend mogelijke Pigskilling, waarbij 49 varkens tegelijk worden geslacht en gebraden op gloeiend hete stenen in de grond, hij kleedt zich in de ceremoniële uitdossing van zijn stam: alleen maar een bladerrokje van achteren, een laplap van voren, het vel van een boomkangoeroe over zijn borst en de veren van een casuaris (een klein soort struisvogel) op zijn hoofd.
Dat is voor hem geen grapje of folklore, maar bloedige, soms letterlijk bloedige, ernst. Want hij wil graag, net als zijn vader nu, ooit leider van zijn dorp worden. En door veel bij te dragen aan feesten en compensaties kan hij hier prestige winnen. Hij wil zich eens vervroegd terugtrekken in dit dorpje Kowengil. Dan moet hij er eerst zijn eigen rieten hut bouwen naast het mannenhuis, het Haus Man dat er nu al staat, hij moet ook een huis voor zijn twee vrouwen bouwen en hij moet zorgen dat er een transformator komt om stroom af te kunnen tappen van de hoogspanningsdraden die vlak langs het dorpje lopen. Dan kan hij op zijn laptop zijn artikelen, verhalen en boeken schrijven en per e-mail naar de hoofdstad en misschien naar het buitenland sturen. Vanuit een dorpje dat nog maar nauwelijks uit het stenen tijdperk is gekomen en daar eigenlijk het liefste had willen blijven.
Joe Kanekane is dubbel op een manier die ik nog niet kende. Hij lijkt helemaal geen last te hebben van twijfel, ambivalentie of schizofrenie. Hij is ambitieus, energiek, succesvol en tegelijk overtuigd en overtuigend dubbelzinnig. Hij is christen, maar houdt er twee, kort geleden zelfs drie, officiële vrouwen op na, die het samen in zijn huis in Port Moresby moeten zien te rooien. Hij noemt politici die terugverlangen naar de tijd dat Papoea-Nieuw-Guinea een kolonie van Australië was ouderwets, maar hij gaat zelf terug naar gewoonten die nog veel ouder zijn. Hij geeft af op de corrupte politiek van zijn land, maar zou er zelf alles voor overhebben om door zijn kiesdistrict in het parlement te worden afgevaardigd. Hij heeft de capaciteiten om met de hele wereld te communiceren maar wat hem werkelijk interesseert, zijn de ingewikkelde verhoudingen in het dorp van zijn vader.
Hij had een speciale bedoeling toen hij voorstelde me mee te nemen naar Kowengil. Voor hem, zoals voor zoveel mensen, is zijn vader de grote onbekende. Zijn vader werkte voor de Australiërs als gevangenbewaarder en directeur van verschillende gevangenissen. Hij was meedogenloos streng voor zijn kinderen, Joe zegt dat hij veel meer van zijn moeder houdt. Toch is zijn vader nu een verstandige, soms grappige, oude man, die heel goed met kinderen en met dieren kan opschieten. Joe weet dat er in de jeugd van zijn vader verschrikkelijke dingen zijn gebeurd, maar wat, dat is nooit verteld. Misschien heeft hij er ook wel nooit naar gevraagd, maar nu zou ík dat kunnen doen. Ik heb toch zelf ook als jongen een oorlog meegemaakt? Het moet volgens Joe wel klikken tussen zijn vader en mij, we zijn misschien ongeveer even oud. Misschien, want zijn precieze geboortejaar weet zijn vader niet.
WE VLIEGEN op een vroege vrijdagmorgen vanuit de hoofdstad Port Moresby naar Mount Hagen, de provinciehoofdstad van de Western Highlands. Er bestaat nog geen weg van Port Moresby naar het hooggebergte. Met een utility, een klein vrachtwagentje met een open laadbak, rijden we naar het zuiden. Op de een of andere manier zorgt Joe ervoor dat er in die laadbak altijd drie of vier jongens zitten, met wie hij dat heeft afgesproken of die hij zomaar ergens oppikt. Pas na verloop van tijd begrijp ik dat hij dat om veiligheidsredenen doet. Hij rijdt zo hard mogelijk, want hij wil voordat de avond valt de gevaarlijke plekken gepasseerd zijn. De rit van een uur van Mount Hagen naar het dorpje Kowengil is prachtig, dwars door de met groen regenwoud bedekte bergen, maar ook nogal spannend door de verhalen die Joe vertelt. Op de ene plek moeten we oppassen voor rascals, misdadige jongens die roadblocks oprichten en auto’s overvallen om aan geld voor bier te komen. Dan weer komen we in vijandig gebied, dat wil zeggen dat hier stammen wonen die traditionele vijanden zijn van Joe’s stam. Lifters worden niet zomaar meegenomen, wel worden de vele mensen die langs de weg staan of zitten met een zekere eerbied gegroet, soms echt, vaker gespeeld. Ik heb de indruk dat je hand opsteken hier werkelijk bedoeld is om te laten zien: kijk, ik heb geen wapen bij me. Toch stoppen we vaak, om een tante of een oom een hand te geven. Die ‘tantes’, echte zusters van zijn moeder of vrouwen uit hetzelfde dorp, zijn vaak met mannen in het vijandige gebied getrouwd. Zo'n vrouw neemt hij graag een stukje mee, want misschien kan zij in de toekomst iets voor hem doen.
De middag loopt ten einde. Joe gaat wat minder hard rijden. We zijn een rivier overgestoken bij een waterkrachtcentrale - een schitterend mooie plek. Hier zijn we de provinciegrens gepasseerd van de Western Highlands naar de Southern Highlands. We zijn in het gebied van de bondgenoten gekomen, van een stam die samen met die van Joe al sinds mensenheugenis tegen andere stammen vecht. De moeilijkheden zijn echter nog niet voorbij. Hier is de weg ongekend slecht. Er zitten enorme gaten in het asfalt en hoe voorzichtig Joe ook rijdt, we bonzen toch vaak zo'n gat in en - gelukkig - ook weer uit.
Hoe komt het dat die weg zo slecht is? Joe legt het uit. De mensen die hier wonen, die bondgenoten, zijn de landeigenaren. Vijfennegentig procent van de grond in Papoea-Nieuw-Guinea is bezit van de bevolking, dat wil zeggen dat die grond collectief bezit is van stammen en clans. Dat klinkt erg mooi, maar is in de praktijk nogal lastig. Déze landeigenaren bijvoorbeeld eisen compensatie van de regering voordat deze weg mag worden gerepareerd. Dat zijzelf nu ook alleen met bonzen en botsen over de weg kunnen rijden, vinden ze niet zo belangrijk. Of ze ooit in het verleden al eens compensatie hebben gekregen voor het aanleggen van de weg weet niemand meer. Belangrijker is dat ze dreigen geweld te gebruiken als iemand het durft deze weg te repareren zonder dat zij eerst geld hebben gezien. Verderop in de Highlands heeft net een aardverschuiving plaatsgevonden. De berg is op drie plaatsen over de weg geschoven. De enige verbinding door de bergen is daardoor afgesloten. Het zou makkelijk kunnen worden opgeruimd, maar ook daar eisen de landeigenaren eerst 'compensatie’ voor hun schade. Dus ligt het verkeer een weeklang stil.
EINDELIJK KOMEN we aan bij de grond van Joe’s vader. Zijn huis staat vlak buiten het eigenlijke dorpje Kowengil. Dat is, in een tijd dat er nog hevig gevochten werd tussen de stammen, zo'n jaar of veertig geleden, aangelegd op een onherbergzame plek in de bergen, die heel moeilijk te bereiken is langs een steil en glibberig pad. Er is maar weinig ruimte om voedselproducten te verbouwen. Toen Joe’s vader in 1985 met pensioen ging en naar zijn land wilde terugkeren, werd hij door zijn clangenoten niet al te vriendelijk ontvangen. Er was al zo weinig bebouwbare grond. Dus zat er niets anders op dan een nieuwe hut te bouwen, even buiten het dorp.
Rond het erf begint intussen al een klein dorpje te groeien. Joe heeft, op aanraden van zijn moeder, een mannenhuis gebouwd. Dat is een groter formaat huis, zonder ramen, met een bepaald soort duurder hout bekleed. Voor je prestige is het belangrijk, zo'n mannenhuis; de vader van Joe’s moeder had ook zo'n huis in zijn dorp. In principe is alles wat daar gebeurt geheim voor de vrouwen. Het is, zeggen sociologen, een manier waarop de mannen hun macht in stand weten te houden. Joe constateert nu echter misnoegd dat de vrouwen als hij er niet is gewoon zijn mannenhuis in en uit lopen. Dat komt door zijn tweelingzuster Anna, vertelt hij, die in Mount Hagen manager is bij een bank. Zij is zo ellendig geëmancipeerd dat zij het geheim van zijn huis heeft geschonden. En wat kan ik beginnen tegen mijn eigen zus ter? vraagt Joe met een grijns. Het dorp bestaat uit een tiental rieten hutjes. Hier hoog in de bergen wil maar weinig groeien. Het belangrijkste voedingsgewas is de kaukau, de zoete aardappel. En verder groeit er pitpit in het wild, een soort riet, dat wordt platgeslagen en waar dan de schermen van worden gevlochten waarmee de hutten worden gebouwd. Zouden die matten niet naar Nederland kunnen worden geëxporteerd?, vraagt Joe. Ik zie er wel iets in. Van één zo'n mat zou je al een vakantiehuisje kunnen maken, met wat losse planken, een deurtje en gras voor het dak. Jammer dat ik geen zakenman ben. Sandy, de boomkangoeroe, is het hoogtepunt van de dag. Een vriendelijk dier met een prachtige donkerbruin-goudgele vacht. Sandy woont in de bomen om het erf van Joe’s vader en komt als die hem roept. Dan krijgt hij vruchten of kaukaubladeren van hem.
Als Joe aan zijn vader vraagt of hij mij zijn levensverhaal wil vertellen, reageert die boos. Een herkenbaar probleem: zijn zoons hebben hem nog nooit iets gevraagd, die zijn niet in zijn leven geïnteresseerd. Gelukkig weet Joe’s moeder het met een charmante glimlach en een geestige opmerking te sussen. Of zit er meer achter? Joe is bezig de taak van zijn vader als hoofd van de uitgebreide familie langzaam over te nemen. Dat leidt tot enig ongenoegen.
DE VOLGENDE dag begint Joe’s vader dan toch aan zijn levensverhaal. Hij begint ’s ochtends en gaat ’s avonds verder, na het eten. Hij vertelt het in hun plaatselijke taal (Papoea-Nieuw-Guinea kent meer dan achthonderd aparte talen), Joe vertaalt het voor mij in het Engels en moet vaak verschrikkelijk lachen om dingen die mij heel naar lijken. Dat komt, zegt hij, omdat zijn vader zo'n droogkomische manier van vertellen heeft.
Clement Kanekane weet dat hij in het dorp Waluma is geboren, daar staat nog een boom die zijn vader toen plantte. Hij is ongeveer 56 jaar. Zijn exacte leeftijd is niet meer te achterhalen. Clement was zo'n drie jaar oud toen de stammenoorlog uitbrak en zijn familie door een grote, vijandelijke stam werd verjaagd. Tijdens hun vlucht raakte het gezin verspreid. Zijn moeder kwam met haar dochtertje in het ene dorp terecht, zijn vader eindigde met zijn tweede vrouw en zijn twee zoontjes in een ander dorp. Tot overmaat van ramp zat de vijandige stam niet stil, en gebruikte toverij om Clements vader en diens tweede vrouw te vergiftigen. Toen Clements moeder zich bij haar twee zoons voegde, werd ook zij vergiftigd. Hoe dan ook, de strijd ging door. De twee verweesde broertjes sloten zich aan bij een groep jongens die op de vlucht waren voor de vijand.
Het was een angstige, moeilijke tijd. De jongens trokken van de ene plek naar de andere en moesten leven van wat ze in het bos vonden. Ze aten zelfs slangen. De jongens vatten een plan op dat op dat van Hamlet leek: ze zouden doen alsof ze gek waren en op die manier een big man, de leider van de vijandelijke clan doden. Het plan werd echter verraden, ze werden gearresteerd en gingen de gevangenis in. In die tijd probeerde Australië zijn gezag te vestigen in dit gebied, waar toen pas sinds een jaar of tien blanken kwamen. De koloniale mogendheid trad keihard op tegen de jongens. Hun haar werd afgeschoren en ze moesten hun traditionele kleren uitdoen. Ze werden geslagen en gecommandeerd. Clement zag hoe de agenten meisjes verkrachtten waar de echtgenoot bij stond. Als een politieman maar in de lucht schoot rende iedereen alle kanten uit.
Toen de stammenstrijd na lange jaren was afgelopen, werd Clement in 1963 gevraagd om als gevangenbewaarder te komen werken in Australische dienst. Hij werd gedrild. De Australiërs wilden de primitieve mensen uit het regenwoud leren wat discipline was en verzonnen vreselijke straffen. Kanekane was sterk, hij brak een keer per ongeluk zijn geweer in stukken. Dat maakte indruk op de Australiërs. Hij promoveerde snel van korporaal (nog altijd zijn bijnaam) tot uiteindelijk sergeant-majoor. Na 22 jaar, in 1985, kon Kanekane senior met pensioen. Intussen was Papoea-Nieuw-Guinea onafhankelijk geworden. Hoewel zijn kinderen allemaal studeerden, trok hij met zijn vrouw weg uit de stad, terug naar zijn grond in de bergen, terug naar Kowengil. De overgang was moeilijk, het leven op het land was hard, maar ze zijn nu toch blij dat ze weer op hun eigen grond wonen.
Vader Kanekane: 'Ik ben hard geweest voor mijn kinderen, maar ik dacht dat dat het beste voor ze was. We hopen dat onze zoons de traditie zullen voortzetten. Je hebt veel verplichtingen hier. Je hebt te maken met de mensen uit je dorp, je familie, je clan, de verschillende stammen. Mijn kinderen hebben tot nu toe gedaan wat ik graag wilde, ze hebben gestudeerd en toch de band met de traditie niet verloren. Ze zullen hier altijd weer naartoe komen en hun band met het verleden en hun voorvaders niet vergeten.’
HET IJS is gebroken. Clement Kanekane wil me zelfs Sandy, zijn geliefde boomkangoeroe, als geschenk meegeven naar Nederland. Wanneer ik vier dagen later afscheid neem, zegt hij: 'Het is gek, maar het is net of je hier al jaren hebt gewoond. Zo vertrouwd ben je nu.’
Deze serie komt tot stand met steun van het Humanistisch Instituut voor Ontwikkelingssamenwerking (Hivos) te Den Haag.