Kunst: De ‘heilige plekken’ van Sean Scully

Verstilde emoties

‘Mijn werk is een poging het onachterhaalbare te achterhalen’, schrijft de schilder Sean Scully, en in die poging is hij wonderwel geslaagd.

Sean Scully, Untitled (Landline), 2015 © courtesy the artist / De Pont

Een paar dagen nadat ik de expositie van de Ierse schilder Sean Scully (1945) in Museum De Pont in Tilburg bezocht – zijn eerste solotentoonstelling in Nederland – zit ik in de haven van Kos te wachten op de boot naar Patmos. Sinds mijn aankomst in Griekenland heb ik uitkijkend over de zee al menige Landline van Scully herkend. Op deze grote, op aluminium geschilderde ‘platen’ staan brede, horizontale lijnen afgebeeld, van blauw naar grijs naar zwart, of van rood naar blauw naar okergeel. ‘Ik probeer de elementaire samenkomst van land en zee, lucht en land te schilderen’, schreef Scully in Resistance and Persistence: Selected Writings (2006). ‘De manier waarop deze blokken van de wereld elkaar omarmen en tegen elkaar aan botsen; hun gewicht, hun licht, hun kleur en de zachte, onzekere ruimte tussen hen in.’

In de Egeïsche Zee rond Kos drijven brede bundels van donkergroen zeewier, die samen met de zandkleurige kiezelstroken en de overgang van grijs naar donker, diepblauw water steeds opnieuw de schilderijen van Scully in herinnering roepen. Land- en ‘zeeschappen’, teruggebracht tot vijf of zes strepen, waaruit de verticale lijnen zorgvuldig lijkten te zijn weggewerkt. De over twee of drie kolommen op het doek verdeelde rechthoeken, waarmee Scully zo’n dertig jaar geleden internationale faam verwierf, zijn ten dele ingeruild voor een nog eenvoudiger maar des te indringender lijnenspel, dat sterker dan ooit ervoor aan de door hem bewonderde Mark Rothko doet denken.

Als je alleen reist, kom je altijd te vroeg. Ik moet nog drie kwartier wachten voordat de boot vertrekt en ga op het enige schaduwrijke terrasje in de haven zitten. Ik bestel een koffie om de tijd te stillen en kijk om me heen. Tegenover mij zit een rijzige zeventiger met karig, grijs stoppeltjeshaar en een blauw reflecterende ‘John Lennon’-zonnebril op te lezen. Ik pak ook mijn boek uit mijn tas, maar mijn blik wordt steeds naar het glinsterende, zacht vibrerende wateroppervlak van de zee getrokken. Straks zal ik in een paar uur over dat water naar Patmos varen, naar het ‘heilige eiland’ waarvan de Grieken zelf vinden dat het tot de mooiste en meest mystieke eilanden van de Dodekanesos behoort, met zijn honderden kerken en kloosters, en de grot van de apostel Johannes natuurlijk, die daar het Boek der Openbaringen ingefluisterd kreeg.

In zijn essay Over mythologie, abstractie en mysterie (2003) schrijft Scully dat de kunstenaars waar hij het meest van houdt – zoals Newman, Morandi en Rothko – ‘persoonlijke mythologieën scheppen om het mysterie te bewaren en dit tot de kern van hun werk te maken’. Ze scheppen volgens hem ‘sacred places’, waarbinnen ze nieuwe mythes tot leven roepen die aan de vermeende zinloosheid van het moderne bestaan enig tegenwicht kunnen bieden. Als voorbeeld noemt Scully de stalen sculptuur Zim Zum I van Barnett Newman uit 1969, bestaande uit twee hoge, zigzaggende wanden waar je als toeschouwer tussendoor kunt lopen. Een van de betekenissen van het Hebreeuwse woord zim zum, legt Scully uit, is ‘heilige plek’, een plek ‘die spiritueel geladen is’ en de toeschouwer met een mysterieus surplus aan betekenis en verbeelding weet te betoveren. Een surplus dat zich niet zo eenvoudig laat benoemen, maar waarvan we wel de overrompelende zeggingskracht en intensiteit kunnen ervaren.

Sean Scully, Doric Proteus, 2013 © courtesy the artist / De Pont

Een dergelijke ervaring overkwam mij toen ik een jaar of twintig geleden Scully’s werk bij toeval in een kleine, Parijse galerie ontdekte. Ik werd meteen geraakt door het wonderlijk sensitieve van zijn doeken, de sterke emotionele zeggingskracht van de geometrisch gestapelde vlakken, die niets met wiskunde of logica te maken hebben. Dit zijn geen neo-geo-werken, die uit een rekenkundig brein zijn ontstaan, maar tot beeld verstilde emoties en sensaties, die expressief én meditatief op de ‘abstracte’ doeken tot uitdrukking worden gebracht. Behalve de Landlines is er in Museum De Pont ook een nieuwe serie Dorics te zien – van ‘Dorische zuil’ – die een ode zijn aan wat de Griekse oudheid ons aan filosofie, architectuur en kunst heeft gebracht. Het is een en al geschilderde aandacht en uitvergrote intimiteit wat je op die reusachtige doeken ziet, en een dromerig soort levenslust, die mij keer op keer sprakeloos van verwondering maakt.

Mijn Griekse koffie wordt gebracht, en de man aan de andere kant van het tafeltje kijkt even van zijn boek op. We wisselen één enkele blik, alvorens we ons weer over onze lectuur buigen. Alleen reizen verkrampt niet alleen mijn blik op de klok, maar ook mijn kaakspieren, omdat er zoveel gezwegen wordt uit angst te vrijpostig of te uitnodigend – maar voor wat? – te zijn. Blik afwenden, boek op schoot, bladzij omslaan. Er niet zijn. Alleen reizen is ook een oefenen in afwezigheid.

Het is een en al geschilderde aandacht en uitvergrote intimiteit wat je op die reusachtige doeken ziet

‘Abstract expressionistisch’ noemde de Amerikaanse kunstcriticus Arthur Danto de schilderijen van Scully. Voorbij de klassieke figuratie en dus bevrijd van de determinerende omtrekken van de realistische vorm, maar wel met behoud van de intensiteit van de persoonlijke ervaring. Na Rothko, Pollock, Newman en De Kooning – de New York School van het abstract expressionisme van de jaren vijftig en zestig – zou juist Scully die kunststroming weer tot leven hebben gewekt, ja zelfs over de drempel van de 21ste eeuw hebben getild. Danto zou nog verbaasd hebben opgekeken van de gloednieuwe serie van acht schilderijen die pontificaal op een kubus in het midden van de grote expositiezaal in De Pont prijken. Op die doeken zit in wisselende kleurstellingen een kind bijna brutaal figuratief in het zand te spelen, zonnehoedje op, schepje bij de hand. Je voelt het verlangen van de schilder om samen met zijn jongste zoontje de toverkring van de kinderlijke verbeelding opnieuw binnen te stappen. Het zijn intense, kleurrijke doeken, met hier en daar een vleugje Matisse of Nicolas de Staël; schilders die ook tussen het abstracte en figuratieve heen en weer bleven schommelen. Het gaat ook Scully niet om een keuze tussen beide, maar om het scheppen van ritmisch geordende repetitieve patronen van vlakken en kleuren, waarmee aan bepaalde emoties, herinneringen of andere oprispingen van de ziel vorm kan worden gegeven.

Ik drink van mijn koffie en bedenk dat Rothko en Scully in zoverre van elkaar verschillen dat zij net andere emoties op het doek willen overbrengen. Rothko, reflexief en poëtisch schilderend, gaf uiting aan het mystieke, maar ook aan diep tragische gevoelens van verlies, noodlot en dood. Scully’s schilderijen kennen ook die melancholieke ondertoon, maar omdat ze lichter, dromeriger en zachter zijn, klinkt er ook een andere melodie in door. Misschien wel een blues, een ‘amazing grace’, die de jonge Scully ooit samen met zijn broer in hun eigen bluescafé in Londen ten gehore bracht. We verliezen geliefden en dierbaren, zoals Scully zijn oudste, op achttienjarige leeftijd overleden zoon, maar we moeten er steeds opnieuw klanken, woorden en kleuren voor vinden, om dat verlies een beetje waardig en soulful te kunnen dragen.

Zim zum betekent overigens niet alleen ‘heilige plek’, maar in de kabbalistiek van de joodse mystieke chassidim betekent het ook contractie, een samen- of terugtrekking van iets om iets anders geboren te laten worden, zoals ook een ‘wee’ contractie wordt genoemd. In den beginne schiep God de hemel en de aarde, maar dit geschiedde niet als een soort uitbreiding van hem zelf, meent de chassidim, maar juist als een terugtrekking van God. De wereld ontstond op het moment dat God zich ervan verwijderde, waarmee niet alleen het goddelijke, maar ook het goede uit de wereld verdween. Wij bleven achter met een verlangen naar datgene wat ons altijd zal blijven ontbreken. Alleen door ons te oefenen in ‘zelfverdwijning’, dat wil zeggen de belangen van ons ego opzij te zetten en onze aandacht te richten op datgene wat erom vraagt geboren te worden – het nieuwe verhaal, de nieuwe mythe, de nieuwe mogelijkheid – lukt het ons er een beetje dichter bij in de buurt te komen.

Aan dit verlangen wordt ook tegemoet gekomen als we ons bij tijd en wijle uit de wereld terugtrekken of het rumoer van die wereld bij het betreden van de ‘sacred places’ van de kunst, muziek of literatuur trachten te ontstijgen. Tijdens die oefeningen in afwezigheid komen we net een fractie dichter bij het mysterie dat zich evenwel, zodra we het willen benoemen, weer van ons zal verwijderen. Als je voor de schilderijen van Scully staat, wordt niet alleen de ruis van de wereld gedempt door het melodieuze ritme van de lijnen en de ‘zachte, onzekere’ ruimtes tussen de vlakken, maar lijkt zich ook een glimp van dat mysterie af te tekenen. ‘Mijn werk is een poging het onachterhaalbare te achterhalen’, schrijft Scully, en in die poging is hij wonderwel geslaagd. Zeker ook op de Landline-serie, omdat de horizontale lijnen als het ware weglopen van het doek – je zou ze eindeloos kunnen doortrekken – waardoor een deel van het verhaal van Scully zich nu buiten het doek en ons gezichtsveld afspeelt, en route voor de eeuwigheid.

De scheepshoorn van de boot naar Patmos loeit en ik raap mijn spullen bij elkaar en loop naar de aanlegsteiger. Vlak voor mij zie ik de man met de blauwe zonnebril moeizaam met twee enorm grote linnen roltassen manoeuvreren. Wat zou die allemaal meezeulen voor een vakantie op Patmos? Dan blijft een van de tassen tegen een stenen rand steken en draait de man zich half om. Ik zie hem nu en profil en meen zowel zijn gestalte als zijn gezicht van een foto te herkennen die de kunstenares Liliane Tomasko ooit van hem maakte. De schilder, in wit T-shirt en een spijkerbroek, staat licht gebogen naar een klein vogeltje in zijn rechterhand te kijken. Maar dat is Scully, denk ik verward, terwijl beelden en herinneringen in mijn hoofd op elkaar botsen als de land, zee en luchtvlakken op zijn schilderijen. Dat kan toch niet waar zijn. Tenzij je onderweg bent naar het ‘heilige’ Patmos, en ‘toeval Gods manier is om anoniem te blijven’, zoals Einstein ooit beweerde.


Sean Scully, t/m 26 augustus in Museum De Pont in Tilburg; depont.nl