Verstoppen kan niet meer

Het wachten is op het T-shirt dat ons onzichtbaar maakt voor de vele digitale camera’s. We kunnen ons immers niet verbergen onder in onze koffer.

HET PROBLEEM van het verbergen is het verborgene. Toen mijn vriend M. een wandje in zijn vers aangeschafte ‘kluspand’ sloopte trof hij twintig kilo cocaïne aan. Tel uit je winst, zeiden de mannen in het café waar hij, nog enigszins verbijsterd, verslag deed van zijn ontdekking. Iedereen wist wel een manier om deze manna om te zetten in goud. Maar M., die net als ik te veel Duitse genen heeft voor avontuurlijkheid, had onmiddellijk de politie gebeld.

De cocaïne was verpakt in kleine pakketjes die via een opzijgeschoven tegel in het plafond achter een vals wandje waren gedropt. Het was waarschijnlijk de bedoeling geweest dat ze daar op een balkje bleven liggen, maar een deel van de handelsvoorraad was verder naar beneden gekukeld en daarmee voor de verberger verborgen of onbereikbaar geraakt. Wie het witte goud had verstopt was niet meer te achterhalen. Kluspanden hebben vaak een getroebleerde bewoningsgeschiedenis en bevinden zich meestal in een deel van de stad waar de parallelle economie bloeit en informele netwerken welig tieren.

Wie iets verbergt maakt het zo onzichtbaar dat een ander het niet ziet. Daardoor neemt de toegankelijkheid af en dat is een ongewenst neveneffect. Liever zou je iets in het volle zicht verbergen, zodat je er zelf altijd bij kunt. Dat is niet eenvoudig. Op hoog wetenschappelijk en, vooral, militair niveau wordt gewerkt aan cloaking devices die dat doen. 'Cloaking’ roept onmiddellijk beelden op van spannende Star Trek-momenten, als het ruimteschip Enterprise vanuit het niets wordt belaagd door Klingons, die de techniek als geen ander beheersen. In de echte wereld is de constructie van zo'n Tarnkappe nog niet zo makkelijk. Projectietechniek lijkt veelbelovend. Daarbij wordt een object bekleed met materiaal dat in staat is het beeld weer te geven dat zich achter het te verbergen object bevindt. Maar er wordt ook hevig geëxperimenteerd met technologie die licht om voorwerpen buigt, waardoor het object wordt omzeild en wat zich daarachter bevindt zichtbaar blijft. Het staat allemaal nog zeer in de kinderschoenen en volgens een Britse onderzoeker hoeven we nog niet te denken aan Harry Potter-capes: 'Je moet eerder denken aan iets ter grootte van een schuurtje.’

Daar hebben we dus niets aan.

In Zero History, zijn nieuwe boek, beschrijft William Gibson een veel betere manier om iets te verbergen. Gibson wordt gezien als de vader van de cyberpunk novel en degene die het idee van virtual reality voor het eerst beschreef. Hij is net zo min een sf-schrijver als Raymond Chandler een crime-auteur. Gibsons romans spelen zich af in een extrapolatie van onze wereld en voorzover hij technologie beschrijft die nog niet bestaat, is dat meestal iets wat bijna mogelijk is of in ieder geval zeer denkbaar. In Zero History gaat hij uit van het idee dat je iets kunt verbergen door het een teken te laten zijn. Dat teken wordt dan herkend door digitale systemen en genegeerd, omdat het systeem een instructie bevat om de bits en bytes die bij zo'n teken horen niet weer te geven. Wie het juiste T-shirt draagt, met andere woorden, zal door de vele digitale camera’s in onze steden niet worden weergegeven op een scherm. Gibson poneert het als een idee, maar technisch is het zo goed mogelijk dat het mij niet zou verbazen als het al lang wordt gebruikt. Bewakingscamera’s zijn gekoppeld aan systemen met patroonherkenning, en waar patronen worden herkend kunnen ze ook worden genegeerd. Handig voor de vele geheime diensten die hun werk liefst zo onzichtbaar mogelijk doen en tegenwoordig niet veel baat hebben bij opplaksnorren en donkere zonnebrillen.

Digitale tarnkappen en cloaking-technologie zijn voor de meesten van ons niet beschikbaar. Wij behelpen ons met valse wandjes, verborgen lades in secretaires en dubbele bodems in koffers. Mij schiet het beeld te binnen van William Hurt in The Big Chill, als hij na de begrafenis waar hij en zijn jeugdvrienden voor het eerst in jaren weer bijeen komen onder zijn auto kruipt en na enig gesleutel een pakketje te voorschijn tovert. Wie in 1980 een jaar of twintig was, weet wat in dat pakketje zit. Inmiddels werken zulke eenvoudige verstoptechnieken niet meer en met de introductie van de bodyscanner moeten we zelfs het privé-domein van ons lichaam als geschikte verstopplek opgeven.

De eenvoudige burger loopt hopeloos achter in een wereld die onze data in toenemende mate herkent, verzamelt en combineert en verwerkt. Wij zijn net zo naakt voor de overheid als ooit het eerste paar voor het opperwezen. Duizenden camera’s volgen ons door de stad, herkennen ons en leren ons kennen. Gegevens die we ooit in onze onschuld afstonden worden gecombineerd en voor je het weet, weten 'ze’ meer van jou dan jij van jezelf. Dat gaat verder dan de meesten van ons denken. De printers die we thuis hebben staan laten op elk uitgedraaid A4'tje een 'banding’-patroon achter waarmee de eigenaar van die printer kan worden achterhaald. Miljoenen telefoon- en datagegevens worden jaarlijks opgevraagd door degenen die ons tegen het Heel Vreselijke willen beschermen. Ons internetverkeer is aan de goden overgeleverd, want op de een of andere manier schijnt voor e-mail niet te gelden wat voor de ouderwetse brief wel opging. Annie M.G. Schmidts Vluchten kan niet meer moet herschreven worden. 'Verstoppen kan niet meer’ is meer van toepassing. We kunnen alleen nog schuilen bij elkaar.