DE WOLKEN. UIT DE GEHEIME LADEN VAN HUGO CLAUS

Verstoppertje met Hugootje

Onder aan de pagina’s verspreid door het boek staan losse notities, zonder vindplaats, datum of context. Deze bijvoorbeeld: ‘Moeder van Bert Schierbeek. Op het politiebureau vroeg ze om het geluid van de stad zachter te zetten’ - Schierbeek had het dus niet van een vreemde. Of deze: 'Welke romans leest de jonge Don Quichote nu in plaats van ridderromans?’ En: 'Verhaal. Toen Nabokov op bezoek was bij Robbe-Grillet was mevrouw Robbe-Grillet gekleed als Lolita!’ En: 'Mijn spel met woorden heeft mijn ziel verziekt.’ Of: 'Gebonk tegen de muur/ Een schedelbreuk/ Zij tevreden, schéélgeneukt.’ Tot slot: 'Het gedicht als een grap die je vijf keer vertelt aan verschillende vrienden en waar niemand om lacht (nog niet, denk je even).’
De laatste drie zijn onmiskenbaar van Hugo Claus. Ze komen uit werkschriften, agenda’s of losse vellen met aantekeningen die Mark Schaevers aantrof in de nalatenschap van de Vlaamse reus. Die nalatenschap is, zoals verwacht, enorm omvangrijk. Twee bestelwagens, zegt Schaevers, zouden niet hebben volstaan om alleen al het papieren gedeelte te transporteren. Met toestemming van weduwe Veerle Claus heeft hij erin mogen grasduinen om er een boek uit samen te stellen. Dat heet De wolken, naar de grote, in aanzetten gestrande roman waar Claus zijn laatste creatieve krachten aan wijdde.
Spectaculaire vondsten bevat het boek niet, geen afgeronde dichtbundel, geen drukrijpe roman. Afgezien van wat ongepubliceerde vroege poëzie en in bestofte archieven verdwenen krantenstukken gaat het om rand- of bijwerk, vooral uit de jaren vijftig en zestig: dagboeknotities en brieven, en die zijn op z'n minst amusant voor de liefhebber en van belang voor de biograaf. Die laatste - dat maakt dit boek nog maar eens duidelijk - staat trouwens voor een schier onmogelijke opdracht, gesteld tenminste dat hij zich primair op het eigenlijke werk wil richten. Claus bleef eindeloos schaven, inkorten, bewerken en weggooien, dat een gedicht of tekening ooit voltooid kon zijn was in strijd met zijn ongedurige, altijd op het hier en nu gerichte temperament. En biografische gevolgtrekkingen uit de poëzie zijn levensgevaarlijk: 'De dichtkunst is een grote kunst/ omdat Hugootje erin verstoppertje kan spelen.’
Dat verstoppertje spelen is een overlevingsstrategie, je kunt ook zeggen: een ongewild product van de opvoeding in katholieke kostscholen waar Hugootje vanaf zijn achttiende maand (!) aan was overgeleverd. 'Het opgroeien in de kostschool leert je veel. Het maakt je dikhuidig, wantrouwig, leugenachtig, dat komt later te pas. Ook heb ik er een onredelijke haat voor nonnen aan overgehouden. Tenzij ze heel jong en heel mooi zijn.’ Zie verder De verzoeking en bovenal Het verdriet van België. Maar Claus kon ook niet zonder België. Na drie jaar Rome - het boek bevat een prachtige foto uit een Italiaanse krant van een glunderende Claus die bij gelegenheid van een prijs voor de Franse vertaling van De hondsdagen een laurierkroon op zijn hoofd krijgt gedrukt door Françoise Sagan en actrice Dominique Wilms - hield hij het plots geen dag langer uit in Italië: 'Ik merkte dat ik veel meer met Vlaanderen, met de taal, met de mensen te maken had dan ik zelf had vermoed.’
Interessant is natuurlijk wat Claus over vrienden en collega’s te zeggen heeft. Ontroerend is een in memoriam van 11 juni 1954 voor 'mijn vriend Robert Capa’, de beroemde fotograaf die kort daarvoor in Vietnam op een landmijn stapte. 'Het schijnt dat men het niet voelt, dat men geen tijd heeft het te voelen wanneer men met een ontploffende landmijn de lucht in vliegt. Ik hoop het zo. Ik hoop dat hij heel even en pijnloos zich een ogenblik van zijn dood bewust is geworden. Het zou in de lijn liggen van deze nieuwsgierig en gretig levende man, die honderden vrienden had, trots was en bijna wanhopig vrolijk.’
Dat hij over Vinkenoog, die hij in Parijs leerde kennen, niet erg positief oordeelde, wisten we al uit de brievenuitgave (2008), in een dagboek uit 1958 staat onverbloemd: 'onkunde’, 'zonder de minste stijl’. Over Mulisch: voor 'een innerlijk muziekje van de taal (…) heeft hij weinig oor; de idee zo gewoon mogelijk, zo “kort” mogelijk, is zijn enige bekommernis.’ Over Appel: 'Geen enkel contact daarmee. (…) De vroegere rauwe aanpak via de kindertekening nu aangepast, vrolijk ingedijkt ten behoeve van de culturele middenstand. Precies iets wat Ed van der Elsken mooi vindt, lekker, sterk, groot, vitaal, geweldig, joh! Voor mij: ijl en zonder de zweem van een gedachte, en opgeblazen van primairigheid.’
Wat, in elk geval kwantitatief, een beetje tegenvalt: de tekeningen, de schilderijen in dit boek. Een 'paar duizend schilderijen’ zegt Claus te hebben gemaakt, en vele duizenden tekeningen en gouaches, maar dat werk heeft hij 'zorgvuldig buiten het commerciële circuit gehouden’, ja vrijwel buiten elke openbaarheid. Eénmaal, in 1979, in Hasselt, heb ik een fikse expositie van hem gezien; en De Bezige Bij heeft in 1988 een groot formaat boek - Beelden - uitgegeven dat hongerig maakt naar veel meer. Veel meer ook dan wat we nu te zien krijgen.
In De wolken wel nog brieven aan zijn uitgever die bewijzen dat Claus, de vleesgeworden dubbelzinnigheid, ondubbelzinnig van zich afbeet als men aan zijn werk kwam. Aan een redacteur: 'Je vond (…) dat het (de Amerikaanse vertaling van Het verdriet van België - co) prettig las. Dit soort prettig lezen is de laatste van mijn bekommernissen, sterker, het is het eerste waar ik mij als auteur moet tegen verzetten.’ En als hij Albert Vorster, toenmalige directeur van De Bezige Bij, op fouten en slordigheden in een persdossier wijst, eindigt hij pesterig met: 'Je gooit nu deze fax op de grond en je trappelt er op, briesend: “Doe het dan godverdomme zelf!” Daar zit iets in. Je verkleefde, Hugo.’

DE WOLKEN. UIT DE GEHEIME LADEN VAN HUGO CLAUS
Redactie Mark Schaevers.
De Bezige Bij, 333 blz., € 29,90